Leiding geven met de bevoegdheid om te beslissen: Israel
Veel van wat in de eerdere artikelen aan de orde kwam, draaide om de persoon van ‘oudste’. Omdat al die aandacht mogelijk tot verwarring leidt, volgt nu eerst een beknopte bespreking van de maatschappelijke opbouw in het Israël van het Oude Testament.
Allereerst vinden we een verdeling van het volk in stammen, geslachten en families. Dat dit een wezenlijk inzicht biedt, zien we bij de identificatie van Achan. Hij had van de buit van Jericho genomen, en zo het volk in grote problemen gebracht. Aangezien hij zichzelf niet aangaf, werd God geraadpleegd. We lezen het in Jozua 7 vers 16-18:
Niveau 1 – de stam:
16 Toen stond Jozua ’s morgens vroeg op, en hij liet Israël per stam aantreden; en de stam van Juda werd aangewezen.
Niveau 2 – het geslacht:
17 Toen hij de stam van Juda naar voren liet komen, wees het lot het geslacht van Zarchi aan. Toen hij het geslacht van Zarchi naar voren liet komen, man voor man, werd Zabdi aangewezen.
Niveau 3 – de familie:
18 Toen hij diens (Zabdi’s) familie naar voren liet komen, man voor man, werd Achan aangewezen, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda.
De families waren patriarchaal, dat wil zeggen, alles draaide om de vader. Vaak bestonden families uit meerdere generaties, die min of meer bij elkaar woonden. Een mooi voorbeeld vinden we in Genesis 46 vers 8-26:
1e generatie:
Jakob met zijn vrouwen Lea, Zilpa, Rachel en Bilha.
2e generatie:
kinderen van Lea: Ruben, Simeon, Levi, Juda
kinderen van Zilpa: Gad, Aser, Issaschar, Zebulon, Dina
kinderen van Rachel: Jozef, Benjamin
kinderen van Bilha: Dan, Naftali
3e generatie:
kleinkinderen genoemd in Genesis 46
Genesis 46 vers 27 meldt: Het totale aantal zielen die tot het huis van Jakob behoorden en die naar Egypte kwamen, was zeventig. Waarschijnlijk was het aantal personen nog veel hoger, want knechten, inwonende vreemdelingen, weduwen en wezen hoorden ook bij de familie. Al deze mensen werden geacht zich te schikken naar de wil van het familiehoofd. Jozua kon dan ook naar waarheid verklaren dat ‘hij en zijn huis de Here zullen dienen!’ (Jozua 24 vers 15).
Vervolgens kijken we naar de gezagsdragers. We vinden ze besproken in Deuteronomium 16-18. Er zijn vier functies:
- Rechters en opzieners in de steden (Deuteronomium 16 vers 18 – Deuteronomium 17 vers 13)
- De koning (Deuteronomium 17 vers 14-20)
- Priesters en levieten (Deuteronomium 18 vers 1-8)
- Profeten (Deuteronomium 18 vers 15-22)
Gezagsdragers vertegenwoordigen God. In Zijn dienst dragen ze Zijn gezag. Naast de vaste leiders, zoals de oudsten, zijn er ook tijdelijke leiders, zoals Mozes, Jozua en de richters, die door God geroepen zijn voor een bepaalde periode. Opmerkelijk is dat de bevoegdheden verdeeld zijn, zodat niemand alle macht heeft. Dat was in de omringende landen wel anders.
De genoemde hoofdstukken uit Deuteronomium bevatten tal van instructies, do’s en don’ts waaraan de gezagdrager moet voldoen. Rechters en opzieners moeten eerlijk zijn in hun rechtspraak. De koning moet dagelijks uit een kopie van de Thora lezen, hij mag zich niet verrijken, niet veel vrouwen hebben en – heel belangrijk – zich niet inlaten met priesterlijke taken. Alleen leden van de stam Levi kunnen priester of leviet zijn. Zij dienen in de tempel en hebben recht op levensonderhoud door het volk. Profeten zijn (tijdelijke) functionarissen die Gods wil aan het volk bekendmaken. De streng verboden occulte praktijken zijn dus onnodig.
De vraag is nu waarom in dit alles niet over oudsten wordt gesproken. Welnu, oudste is niet een functie. Je kunt niet worden opgeleid tot oudste. Oudsten zijn meestal familie- of geslachtshoofden. Zo iemand kan op basis van persoonlijke kenmerken – leeftijd, status, reputatie – gaan functioneren als leidinggevende. Als in het Oude testament sprake is van oudsten, dan zijn het waarschijnlijk altijd geslachtshoofden uit de betere families.
Psalm 107 vers 32 spreekt over ‘de raad van de oudsten’ (NBG), of ‘zetels van de oudsten’ (HSV) of ‘de kring van oudsten’ (NBV). Oudste zijn van het volk is niet zomaar een erebaantje. God houdt deze mannen verantwoordelijk voor hun beleid en zegt hen ‘het oordeel’ aan als dat nodig mocht zijn (Jesaja 3 vers 14). God ziet alles wat de oudsten doen, en soms is dat ronduit beschamend. In Ezechiëls dagen was de afgodendienst tot in de hoogste kringen van Jeruzalem doorgedrongen en vond het zelfs in de tempel plaats (Ezechiël 8 vers 11-12).
In de tijd van de profeet Joël werd het land getroffen door een gigantische sprinkhanenplaag. De gevolgen waren rampzalig. Joël sprak allereerst de oudsten aan (Joël 1 vers 2) en spoorde hen vervolgens aan het volk voor te gaan in weeklagen, rouw en vasten (Joël 1 vers 2, 14).
Deze verdeling van verantwoordelijkheid over diverse gezagsdragers treffen we ook ten tijde van het optreden van de Here Jezus aan.
Leiding geven met de bevoegdheid om te beslissen: de gemeente
De eerste gemeente te Jeruzalem groeide snel, met duizenden gelovigen die regelmatig samenkwamen voor prediking, gemeenschap, avondmaal en gebed (zie eventueel het vorige artikel). Maar waar kwamen ze samen? Uit bepaalde gebeurtenissen valt af te leiden.
Voorafgaande aan Christus’ kruisiging waren de overpriesters, schriftgeleerden en oudsten (!) van het volk bijeen in overleg. Wat te doen met ‘het gevaar Jezus van Nazareth’? Ze kwamen bijeen in het paleis van de hogepriester (Mattheüs 26 vers 3). Als de Here Jezus naderhand gevangengenomen is brengt men Hem naar het paleis, oftewel, naar de woning van de hogepriester (want dat was het in feite). Het was een groot huis, want de raad waarvoor de Here Jezus werd gebracht telde 71 leden:
- priesters met de titel van hogepriester of overpriester (opperpriesters)
- oudsten van het volk (de hoofden van de voornaamste families) en
- schriftgeleerden,
- met de hogepriester als voorzitter.
Die berg je niet in een eenvoudige doorzonwoning. Uit het verslag in de evangeliën vernemen we bovendien, dat behalve de raad nog meer mensen aanwezig waren. Er was een binnenplaats waar de dienaars zaten, ruimte om een vuur brandende te houden en waarschijnlijk een flinke rij valse getuigen, die op hun beurt stonden te wachten.

Binnenplaats
Nu was het paleis van de hogepriester niet het enige gebouw dat ruimte bood aan een grote groep gasten. Ongetwijfeld woonden veel gegoede burgers in vergelijkbare onderkomens. Er zijn aanwijzingen dat delen van de jonge gemeente in dergelijke panden bijeenkwamen. Zeer waarschijnlijk op uitnodiging van gastheren die zelf tot geloof waren gekomen. In andere steden was het net zo. Priscilla en Aquila hadden een gemeente bij hen aan huis (Romeinen 16 vers 3, 5; 1 Korinte 16 vers 19). Een broeder genaamd Nymfas woonde te Laodicea en had een gemeente in zijn huis (Kolosse 4 vers 15). Ook Filemon, van wie Paulus een hoge hoed op had, huisvestte thuis een gemeente (Filemon 1 vers 2). Een gemeente kwam dus samen in een of meer huisgroepen. Dit hing uiteraard af van de omvang van de stad en het aantal gelovigen ter plaatse. Dit geeft aan bijkomende gegevens extra betekenis. In Jeruzalem waren vele duizenden gelovigen verdeeld over waarschijnlijk honderden huisgemeenten. Van die situatie geeft Lukas een mooie karakteristering:
En zij bleven dagelijks eensgezind in de tempel bijeenkomen, en terwijl zij van huis tot huis brood braken, namen zij gezamenlijk voedsel tot zich, met vreugde en in eenvoud van hart; (Handelingen 2 vers 46)
Voor het onderwijs van de apostelen ging men naar de tempel, het enige gebouw met een aantal grote voorhoven 1), groot genoeg om zoveel mensen tegelijk toe te spreken. Ook bleven de gelovigen het morgen- en avondgebed bijwonen. En dat des te meer, want ‘zij loofden God en vonden genade bij heel het volk’ (Handelingen 2 vers 46). Andere activiteiten – de viering van het avondmaal – vond in de al eerder genoemde huizen plaats. Het werd gecombineerd met een gezamenlijke maaltijd (zie ook 1 Korinte 11 vers 17-34).
De systematiek rondom oudsten vindt dus zijn oorsprong in de joodse gemeenschap. Zoals we hierboven al zagen, oudsten waren gerespecteerde, vaak oudere mannen uit vooraanstaande families die de leiding hadden over de gemeenschap. Hoewel ze geen officiële taken hadden in de synagoge of daarbuiten, waren ze wel de eindverantwoordelijken voor de gehele gemeenschap. De christenen namen een en ander over. Ze waren overtuigd dat ze zich zo in Gods weg begaven. Het was in ieder geval geen keuze uit ‘praktische’ of andere beweegredenen.
Als in Jeruzalem ruim 5000 gelovigen, verdeeld over huisgemeenten, samenkwamen, dan zal dat in Antiochië (waar sprake was van ‘een groot aantal’, ‘veel mensen’ en ‘een grote menigte’, zie Handelingen 11 vers 19-26) niet anders zijn geweest. Zo zien we dat in grote plaatsen gesproken kon worden van vele huisgemeenten, maar ook van één gemeente ter plaatse (alle gelovigen uit alle huisgemeenten bij elkaar). De vraag is nu over welke oudsten het gaat als Paulus aan Timotheüs en Titus instructies geeft over het aanstellen van opzieners. Gaat het om mannen die de huisgemeenten thuis ontvingen? Werden die per huisgemeente aangesteld? Of gaat het om een selectie uit die grote groep verantwoordelijken over thuisgemeenten? Het antwoord ligt voor de hand. Temidden van al die oudsten zullen er zijn die om diverse redenen met kop en schouders boven de rest uitstaken. Dat zijn de mannen die voldeden aan de criteria uit 1 Timotheüs 3 vers 1-7 en Titus 1 vers 5-9.
Als Paulus aan Titus schrijft dat hij ‘van stad tot stad oudsten moest aanstellen’ begrijpen we nu dat het om oudsten ten behoeve van gehele gemeente in die stad gaat. Uit de context kunnen we ook afleiden dat de aan te stellen oudsten de bestuurlijke verantwoordelijkheden van de apostelen gaan overnemen. Dat dit overnemen een geleidelijk proces was laat zich afleiden uit de vergadering in Jeruzalem aangaande de besnijdenis die door sommigen als onmisbaar voor het eeuwig behoud werd gezien. We lezen eerst dat ‘de apostelen en de oudsten bijeen kwamen om deze zaak te bezien’ (Handelingen 15 vers 6). De apostel Petrus trad als eerste op om de felle woordenstrijd in goede banen te leiden. Vervolgens vertelden de apostelen Paulus en Barnabas 2) ‘wat voor grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had’ (Handelingen 15 vers 12). De zaak werd afgerond bij monde van oudste Jakobus 3)(Handelingen 15 vers 13).
Oudsten werken niet op zichzelf. Ze functioneren temidden van de broeders en zusters en hun medeoudsten. Soms worden bijeenkomsten georganiseerd waarbij oudsten grotere zaken samen overleggen. Denk aan het al eerder genoemde beraad over de besnijdenis uit Handelingen 15. Paulus stipt het bestaan van oudstenvergaderingen aan in de eerste brief aan Timotheus:
Veronachtzaam de genadegave niet die in u is [en] die u gegeven is door profetie, met handoplegging door de raad van oudsten. (1 Timotheüs 4 vers 14)
Hier ging het waarschijnlijk om de bevestiging van Timotheüs in zijn bediening. Een belangrijke gebeurtenis waarbij een grote groep oudsten aanwezig was. Deze groep stond bekend als ‘raad’.
Kleinschaligheid 1
Wat bij dit alles opvalt is de kleinschaligheid. De onderverdeling van een plaatselijke gemeente in kleinere (t)huisgemeenten maakt dat iedereen binnen zo’n kleinere thuisgemeente gekend is. Neem nu het in vertrouwen nemen van een oudste. Als het om precaire zaken gaat wil je graag spreken met iemand van wie je weet dat wat hij in vertrouwen hoort niet verder vertelt. Zulke mensen moet je regelmatig tegenkomen, en zien en horen hoe hij te werk gaat. Kortom, je kent hem goed. Hoe anders is dat in onze vaak grote gemeenten. Hoeveel gelegenheid heb je om oudsten te leren kennen temidden van duizenden (!) medegelovigen. Men probeert dat dan wel op te vangen met zogenaamde wijkgemeenten, maar het is niet hetzelfde. Het spontane, het levendige ontbreekt; het is dan vooral ‘goed georganiseerd’.
Maar ook als de gemeente kleiner is, wringt het. De kerkenraad kent immers ouderlingen, die voor een aantal jaren in functie zijn. Ook dan is het opbouwen van een vertrouwensrelatie moeilijk. Je ziet het gebeuren. Gelovigen negeren niet zelden de ‘officiële’ ouderlingen, en zoeken contact met ‘natuurlijk functionerende’ oudsten. En dan is er nog die korte tijd van ‘in functie zijn’. Is het gelukt iets van een relatie op te bouwen, dan treedt men weer af, en wordt vervangen door een nieuwe lichting. Een oudste is oudste voor het leven. Alleen als er van wangedrag of ernstige ziekte sprake is, mag (moet!) de oudste terugtreden.
Kleinschaligheid 2
Laten we Paulus’ instructies over het functioneren van de gemeentelijke samenkomst uit 1 Korinte 14 naast de gebeurtenissen beschreven in Lukas 4 vers 16-30 leggen. Eerst Lukas 4: de synagoge. Iedereen was er welkom om de Schrift te lezen en uit te leggen. De Here Jezus, Die bekend stond als ‘de timmermanszoon uit Nazareth’, kon gewoon Jesaja 61 vers 1-2 voorlezen en uitleggen. De opschudding die volgde kwam niet voort uit het feit dat hij voorlas. Het was Zijn verklaring die de woede van de aanwezigen opriep. Later maakt Paulus veelvuldig gebruik van deze openheid om te prediken onder de Joden – zowel binnen als buiten het land Israël (Handelingen 13 vers 5, 15; 14 vers 1; 18 vers 4; 19 vers 8).
Als we dan 1 Korinte 14 opslaan, zien we een overeenkomst. Elk van de aanwezigen mag deelnemen: met een psalm, een onderwijzing, een andere taal, een openbaring, of een uitleg (vers 26). Maar er zijn restricties.
[1] Ten aanzien van het spreken in een andere taal: laat het door twee of hoogstens drie mensen gedaan worden, ieder op zijn beurt, en laat één het uitleggen (vers 27). Is die uitlegger niet aanwezig, dan moet de spreker in een vreemde taal zwijgen – niemand zou er wat aan hebben (vers 28).
[2] Twee of drie profeten mogen spreken, anderen moeten het beoordelen (vers 29). Profeteren is hier preken, want er valt iets te leren, of de gemeente wordt bemoedigd (vers 31).
[3] Het kan echter ook gebeuren dat aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt. Deze persoon krijgt dan voorrang (vers 30).
Dit zijn geen willekeurige regels, integendeel, het dient Gods eer. Immers, zegt Paulus, God is geen God van wanorde, maar van vrede. Laat bovendien niemand beweren dat het droevig gesteld was met het niveau van zulke diensten – je moet toch minstens een flinke theologische achtergrond hebben? Wie zo redeneert spreekt vanuit ongeloof. God heeft voorzien in de behoeften voor de samenkomsten. We vinden dat in 1 Korinte 12.
- De Geest voorziet in woorden van wijsheid en van kennis (vers 8).
- De Geest doet profeteren, spreken in vreemde talen en het kunnen uitleggen van die talen (vers 10). Maar let op, niemand kan zomaar vanuit zichzelf beweren dat hij een bepaalde gave heeft. Het is opnieuw de Geest Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil (vers 11). Al deze gaven zijn immers gerelateerd aan bedieningen.
- God heeft sommigen (!) in de gemeente een plaats gegeven: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, daarna genadegaven van genezingen, vormen van hulpverlening, bestuurlijke gaven, allerlei talen.
Reken maar dat die gaven herkenbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan de belofte van de Here Jezus in Lukas 21 vers 15: ‘Ik zal u mond en wijsheid geven die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan’. Of het getuigenis aangaande Stefanus in Handelingen 6 vers 10: ‘Zij waren echter niet in staat de wijsheid en de Geest, door Wie hij sprak, te weerstaan’. Als dat allemaal waar is, zou dat dan ook niet in de Gemeente gelden?
Veel problemen zouden oplosbaar worden als de gemeente zou functioneren als in de begintijd. Aan God ligt het niet. Het gaat om geloof(svertrouwen), om toewijding en gehoorzaamheid. We hebben de gezindheid van Christus nodig (Filippi 2 vers 5-11). En die dient in ons zichtbaar te worden in onze omgang met alle broeders en zusters: ‘Wees elkaar onderdanig in de vreze Gods (Efeze 5 vers 21).
Dan hebben we geen kerkenraad meer nodig, geen schrale eenmansdiensten, maar genieten we van de vrucht van de Heilige Geest, tot eer van God (Galaten 5 vers 22).
Want, inderdaad, de werking van de Heilige Geest werd steeds meer beperkt. Als van de apostelen wordt gezegd dat het opviel hoe vrijmoedig ze optraden (Handelingen 4 vers 13), had dat te maken met de werking van de Geest (Handeling 4 vers 31). Meteen voelen we de armoede van de huidige gang van zaken. Men heeft eenmansdiensten ingevoerd om chaotische taferelen te voorkomen. De zaak is daarmee dusdanig ver ingeperkt, dat het niet ondenkbaar is dat de politie zou worden ingeschakeld als iemand ‘in vrijmoedigheid een Woord van de Heer’ heeft door te geven en daarom niet wil wijken. Zou dat niet betiteld worden als ‘verstoring van de openbare orde’? De chaos is onderdrukt, wat overblijft is een soms bijna ‘doodse stilte’. Iemand heeft eens gezegd dat het is als met een boom. Als je de top er uit haalt, zal hij nooit meer de hoogte bereiken die in aanleg mogelijk was geweest. Er is wel groei, maar voor iedereen is duidelijk zichtbaar dat het met vergroeiing gepaard gaat. Toegegeven, in vrijwel alle kerken wordt gebeden om ‘verlichting met de Heilige Geest’. En die gebeden worden vast wel verhoord, omdat God onder alle omstandigheden kan zegenen. Verlichting met de Heilige Geest is echter heel wat anders dan ‘geleid worden door de Geest’. De predikant heeft in zijn studeerkamer een preek voorbereid, soms zelfs geheel uitgeschreven. Vantevoren staat al vast waarover het zal gaan, en wat er allemaal wel of niet gezegd wordt. En opnieuw, God kan onder alle omstandigheden zegenen. De werking van de Heilige Geest kan maken dat ook zulk een woord de harten van de toehoorders bereikt. Maar toch, hoe anders spreekt Gods Woord. Van de gemeente wordt verwacht dat iedereen zich elke dag verdiept in Gods Woord. ‘Geef acht op uzelf en op de leer. Volhard daarin. Want wanneer u dat doet, zult u zowel uzelf behouden als hen die u horen’ (1 Timotheüs 4 vers 16). En dus moeten we het besluit van de synode van Dordrecht uit 1893, onbijbels noemen. Oordeel zelf: „De Gereformeerde kerken erkennen geen anderen weg tot de bediening des Woords dan die der Theologische studiën, behoudens alleen de zeer zeldzame gevallen, waarin bij hooge uitzondering de Heere naar zijn vrijmachtig welbehagen langs anderen weg de noodige gaven verleent”.
En ja, de eeuwen door stonden van tijd tot tijd predikers op van wie het zo duidelijk was dat de Here door hen sprak, dat de kerkelijke autoriteiten niet om zo’n persoon heen konden. Toch ging het zelden van harte. Een paar voorbeelden van de gang van zaken:
Oefenaar
Een oefenaar is een lid van de gemeente die, op verzoek van een plaatselijke kerk, door de classis de bevoegdheid heeft gekregen om een stichtelijk woord te spreken, voor te gaan in gebed, catechisaties te houden, zieken en huisgebonden mensen te bezoeken, en kerkenraadsvergaderingen bij te wonen. Als hij ook ouderling is, heeft hij een beslissende stem, anders een adviserende. Zo ondersteunt hij het predik- en ouderlingenambt. Het bedienen van avondmaal en doop zijn niet toegestaan voor een oefenaar. (F.W.Grosheide in de Christelijke Encyclopedie (1926))
Singuliere (bijzondere) gaven
In artikel 8 van de Kerkordening van de Gereformeerde kerken staat beschreven hoe mensen met bijzondere gaven, zonder wetenschappelijke opleiding, tot de dienst van het Woord konden worden toegelaten. Hoewel de Gereformeerde kerken sinds de Hervorming in de 16e eeuw een wetenschappelijke opleiding voor deze dienst noodzakelijk achtten, werd vanwege de grote behoefte de deur geopend voor ongestudeerden met buitengewone gaven.
Al snel echter werden er beperkingen gesteld. Alleen personen met de volgende bijzondere gaven werden toegelaten: ten eerste, godzaligheid en ootmoedigheid; ten tweede, welsprekendheid; en ten derde, een goed verstand en discretie. (Acta van Dordrecht, 1574, art. 21).
Nou en?
Nu kan men zich afvragen of het vandaag de dag nog iets uitmaakt. We zitten al eeuwen op deze koers, dus zal een terugkeer tot de Bijbelse instructie wel te veel gevraagd zijn. En of de Rooms-Katholieke Kerk bereid is haar claims op te geven? De paus draagt de titel ‘Plaatsbekleder van Jezus Christus op Aarde, opvolger van de heilige Petrus, bisschop van Rome, hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk’. Maar welk kerkgenootschap je ook bekijkt, het is waarschijnlijk te veel gevraagd, en men zal zelfs het nut ervan betwijfelen. Aan de andere kant heeft de Here Jezus ook een paar claims in te brengen. Wat te denken van Lukas 18 vers 27, ‘(…) dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.’ Zie verder Job 42 vers 2; Jeremia 32 vers17; Zacharia 8 vers 6; Lukas 1 vers 37. Het gaat waarachtig niet om een kleine zaak! God wil dat we geestelijke offers brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus (1 Petrus 2 vers 5). God wil dat we Hem dienen ‘op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied’ (Hebreeën 12 vers 28). Het heeft bovendien alles te maken met ‘het verlaten van onze eerste liefde’ (Openbaring 2 vers 4). Als dat het geval is komt al gauw de gedachte ‘dat het zo ook wel kan’ boven drijven. Geestelijke gemakzucht …
Een leerzaam voorbeeld
Israël was na de regering van Salomo in twee delen uiteengevallen. Rechabeam heerste te Jeruzalem, Jerobeam was koning van het Tienstammenrijk. De tempel en de dienst aan JHWH vormden voor Jerobeam een groot probleem. Tijdens de hoge feesten trok het volk immers massaal naar Jeruzalem. Te vrezen viel dat dit de stabiliteit van zijn gezag zou aantasten. Hij zocht de oplossing in een aanpassing van de dienst aan JHWH.
28 Toen overlegde de koning en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o Israel, die u uit het land Egypte hebben geleid.
29 Hij stelde het ene op te Betel en het andere plaatste hij te Dan.
30 En dit werd een oorzaak tot zonde. Zelfs was het volk voor het ene [beeld] uitgelopen tot Dan toe.
31 Verder maakte hij tempels op de hoogten, en stelde priesters aan uit alle kringen van het volk, die niet tot de Levieten behoorden.
32 Ook voerde Jerobeam een feest in voor de achtste maand, voor de vijftiende dag dier maand, overeenkomstig het feest in Juda, en hij besteeg het altaar. Zo deed hij te Betel en offerde aan de kalveren die hij gemaakt had. Daarbij liet hij telkens de priesters der hoogten, die hij aangesteld had, in Betel optreden. (1 Koningen 12 vers 28-32)
Zijn oplossing heeft veel weg van de gebeurtenissen rond het gouden kalf in de woestijn. Net als destijds het volk, wilde Jerobeam niet de dienst aan JHWH afschaffen. De gouden kalveren die hij maakte moesten JHWH voorstellen. En net als in de woestijn gebeurde, bouwde hij altaren en maakte kunstvoorwerpen nodig voor de eredienst. Nuchter stelt de Bijbeltekst: ‘En dit werd een oorzaak tot zonde’. Jerobeam heeft de deur naar afgoderij en wetteloosheid wijd open gezet. Uiteindelijk voltrekt God het oordeel over Jerobeam.
Jerobeam had in de dagen van Abia geen kracht meer over; de Here sloeg hem, zodat hij stierf. (1 Kronieken 13 vers 20)
Deze geschiedenis sluit naadloos aan op ons onderwerp. Het leert ons dat niet alles wat de naam des Heren draagt naar Zijn wil en gedachte is. Wat Jerobeam deed noemt de Schrift ‘zelfbedachte verering’ of ‘eigenwillige godsdienst’. Jerobeam deed het uit puur eigenbelang. Is veel kerkelijk bedrijf ook niet een zelfgericht verlangen naar religieuze ervaring? Mooie gewaden, indrukwekkende ceremonieën, schitterende gebouwen, vurige prediking, manifestaties van de Geest, spectaculaire genezingen … Alles gericht op religieuze ervaringen, verdiepte inzichten en verlichting. Zou dat naar de wil en gedachte van God zijn?
Gelijkenis
In het Nieuwe Testament wordt de gemeente voorgesteld als een kudde onder leiding van een Herder (Johannes 10), als een Bruid voor wie haar Bruidegom alles over had (Efeze 5 vers 25-27; Openbaring 21 vers 9), als een huis waarin God lof en eer worden toegebracht naar Zijn wil en gedachte (1 Timotheüs 3 vers 15; 1 Petrus 2 vers 5) en als een lichaam, een wondermooi samenstel van functies, gaven en krachten verleend door de Geest (1 Korinte 12 vers 12). We moeten deze ‘gelijkenissen’ niet met elkaar vermengen.
De gemeente heeft zoveel aspecten, dat de voorstelling als lichaam onvoldoende is om haar volledig te belichten. Hoe waardevol moet ze dus zijn in het oog van God. Wanneer we dan ook in de praktijk van het ‘gemeentelijk’ leven slechts met één aspect rekening houden, hetzij als’ ‘lichaam”, hetzij als ‘huis’ dan moeten we wel brokken maken. Een andere fout is, dat we de beginselen, die passen bij het huis, gaan toepassen op het lichaam. Van beide een voorbeeld:
a) De waarheid van het lichaam toont ons, dat alle gelovigen behoren deel te hebben aan het avondmaal en door het breken van het ene brood uitdrukking hebben te geven aan de eenheid van de gemeente. Maar de voorstelling als huis leert ons dat er orde en tucht moet heersen, zodat in bepaalde gevallen een gelovige helaas geweerd moet worden.
Wie nu de beginselen van het ‘huis’ veronachtzaamt, gooit het met de tucht op een akkoordje en wie de lessen van het ‘lichaam’ naast zich neerlegt, loopt gevaar er een eigen ‘huis’ van gelijkdenkenden van te maken.
b) Heel dikwijls leest men in de ‘kerkelijke pers’ de uitdrukking: ‘afsnijden van het lichaam van Christus’. Doordat men geen onderscheid maakt tussen ‘lichaam’ en ‘huis’ wordt in zo’n geval een heel foutieve voorstelling van zaken gegeven. Want net zo min als ik iemand in het lichaam van Christus kan inlijven, net zo min kan ik hem afsnijden. Het uitoefenen van tucht moet men niet verbinden met het karakter van de gemeente als lichaam, maar met dat van het huis.
Jaap Fijnvandraat 4)
2000 jaar Christendom heeft ertoe geleid dat het lichaam is opgesloten geraakt in het harnas van het huis. Alle bewegingsvrijheid is haar ontnomen. Dit gebrek aan ruimte om onder leiding van de Geest te manoeuvreren heeft tot een schier oneindige reeks scheuringen geleid.
1) De Buitenste Voorhof, oftewel de Voorhof der Heidenen en de Binnenvoorhof, verdeeld over de Voorhof der Vrouwen, de Voorhof der Israëlieten en de Voorhof der Priesters.
2) Handelingen 14 vers 14
3) Vergelijk Handelingen 15 vers 13 met Galaten 2 vers 9
4) Jaap Fijnvandraat: de gemeente (over het ontstaan, het bestaan, het voortbestaan van de kerk), Uitgeverij H. Medema, Apeldoorn, zj.
Afbeelding: I. Snoek, In het land van de Bijbel, J.N. Voorhoeve, Den Haag, p. 74
