God regeert

Onze wereld kent vele regeringsvormen: democratie, republiek, monarchie, dictatuur, theocratie, oligarchie en niet te vergeten de anarchie. Bovendien kunnen er combinaties van deze vormen ontstaan. Nederland is een democratie, maar ook een monarchie. Iran is een theocratie, maar ook een dictatuur. Of regeringsvormen blijven bestaan of juist verdwijnen, ervaren we als mensenwerk. Bekend zijn de revolutie, de staatsgreep, verkiezingen en de grondwetswijziging. Zoals gezegd, allemaal mensenwerk. Of toch niet? De Bijbel zegt van niet. Nadat Nebukadnezar droomde van het grote statenbeeld, liet God hem door middel van Daniël weten wat Hij daarmee wilde zeggen:

Hij verandert de tijden en tijdstippen, Hij zet koningen af en stelt koningen aan (Daniël 2 vers 21a)

Hoewel Nebukadnezar zeer onder de indruk van Daniël en diens uitleg was, bleek dat hij ten diepste er zelf anders over dacht. Als een ware narcist betrok hij alles op zichzelf. Hij alleen was in staat geweest het machtige rijk te stichten:

Is dit niet het grote Babel, dat ik als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit? (Daniël 4 vers 30)

Onmiddellijk kwam een stem uit de hemel:

U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan! (Daniël 4 vers 31)

Nebukadnezar werd van de hoogste plaats die een mens in de mensenwereld kon innemen vernederd tot een plaats te midden van de dieren:

totdat u erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil. (Daniël 4 vers 32)

Dit is de werkelijkheid waarin we leven. De Trumps, Poetins en Xi’s van onze tijd kunnen hun macht alleen maar uitoefenen omdat God hen daartoe heeft aangesteld. En het zijn niet verkiezingen of revoluties die een eind aan hun macht kunnen maken, het is alleen God Die het recht en de macht heeft dat te doen.

Het gaat echter nog verder. Ook hun daden, hun besluiten zijn alleen mogelijk omdat God hen daarvoor de ruimte geeft:

15 Door Mij regeren koningen, verordenen vorsten gerechtigheid.

16 Door Mij heersen vorsten, en edelen, alle rechters op aarde. (Spreuken 8 vers 15-16)

De ‘Mij’ Die hier spreekt is de Wijsheid, oftewel God Zelf.

Gang van zaken volgens de Bijbel

De hierboven genoemde uitspraken zien we terug in allerlei gebeurtenissen.

Saul

De geschiedenis van het aantreden van Saul is een prachtig voorbeeld. Uit de volgorde van de gang van zaken blijkt duidelijk dat het God is die aan de touwtjes trekt. Lees maar eens wat Stefanus schrijft:

En van toen af vroegen zij om een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, gedurende veertig jaar. (Handelingen 13:21)

God gaf hun Saul, duidelijk toch? Nu kun je betogen dat de opmerking van Stefanus pas 1000 jaar na dato werd opgetekend. En die had er misschien belang bij het zo gunstig mogelijk neer te zetten. Is dat zo? Laten we eens kijken naar het Bijbelse verslag uit Sauls dagen.

Bedenk allereerst dat hetgeen God Zich had voorgenomen onbekend was aan Samuël, en al helemaal aan Saul. Het is God Die een en ander stap voor stap duidelijk laat worden. Als eerste wordt Samuël ingelicht:

15 De Here had namelijk een dag voordat Saul kwam, voor het oor van Samuël onthuld:

16 Morgen omstreeks deze tijd zal Ik een man uit het land van Benjamin naar u toe zenden; die moet u tot vorst zalven over Mijn volk Israël. (…)

17 Toen Samuël Saul zag, gaf de Here hem te kennen: Zie, dit is de man van wie Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen. (1 Samuël 9 vers 15-17)

‘Een man uit het land van Benjamin’, meer kreeg Samuël aanvankelijk niet te horen, ‘hem moet je zalven tot koning’. Pas als de ontmoeting Samuël – Saul plaatsvindt zegt God als het ware: ‘Dit is ‘m’. Saul zelf wist uiteraard ook van niets. Groot zal zijn verbazing geweest zijn toen Samuël hem een kruikvol olie op het hoofd goot!

Toen nam Samuël een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de Here u tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft? (1 Samuël 10 vers 1)

SInds de zalving was nu aan twee mannen bekend wie de eerste koning over Israël zou zijn. Maar verder was geen mens er van op de hoogte. Stel voor dat Samuël naar het volk was gegaan, Saul naar voren had geschoven en had gezegd: ‘Hier is jullie koning.’ Je ziet het gebeuren: scepsis alom, Samuëls handelen zou grote vragen hebben opgeroepen, en mogelijk was er zelfs onrust ontstaan. Het liep anders: het volk kwam bij elkaar en een van hen was Saul. Nu kwam de onthulling.

20 Toen Samuël al de stammen van Israël naar voren liet komen, werd de stam van Benjamin door het lot aangewezen.

21 Toen hij de stam van Benjamin naar voren liet komen, opgesteld naar zijn geslachten, werd het geslacht van Matri aangewezen; en Saul, de zoon van Kis, werd aangewezen.

(…)

24 Toen zei Samuël tegen heel het volk: Ziet u wie de Here uitgekozen heeft? (1 Samuël 10 vers 20-24)

Het lot wees de stam Benjamin aan, uit hen het geslacht van Matri, uit hen Saul, de zoon van Kis. Wees het lot hem aan, alsof God een dobbelsteen gebruikte? Nee, God stuurde de bewegingen van de urim en de tummin zo dat het voor iedereen duidelijk was dat Saul de uitverkorene was. E dus was het God Die van begin tot einde de hele procedure vast in handen had en bestuurde.

David

Ook David werd door God aangewezen. Het verhaal is bekend.

Toen zei de Here tegen Samuël: Hoelang rouwt u om Saul, die Ík immers verworpen heb, zodat hij geen koning over Israël meer zal zijn? Vul uw hoorn met olie, en ga op weg; Ik zend u naar Isaï, de Bethlehemiet, want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen. (1 Samuël 16 vers 1)

Samuël kwam bij de familie thuis. Het hele gezin was er. Alle broers waren aanwezig. Nou ja, op eentje na dan. De jonge David telde niet mee, hij was niet uitgenodigd, hij kon zo lang wel op de schapen passen. Totdat uiteindelijk bleek, dat het juist om David te doen was.

Toen nam Samuël de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de Here werd vaardig over David vanaf die dag ((…) 1 Samuël 16 vers 1 en 13)

God koos David, tot verbazing van zijn familie (en mogelijk zelfs van Samuël). De knaap werd gezalfd en meteen werd zichtbaar dat God hier de hand in had. Voor iedereen was duidelijk dat vanaf het moment van de zalving David geleid werd door Gods Geest.

Daniël

We zagen al eerder dat God alles vast in handen heeft. Daniël mocht het allemaal vastleggen in zijn boek. Ook hier niet slechts een aantal uitspraken, maar indrukwekkende geschiedenissen die aan duidelijkheid niets te wensen over laten:

Hij verandert de tijden en tijdstippen, Hij zet koningen af en stelt koningen aan (Daniël 2 vers 21a)

Inderdaad. God stelde Saul aan, en zette hem weer af. Nebukadnezar moest dat nog leren. Ook hij was door God aangesteld. En toen het nodig was, werd Hij op een bijzondere manier onder tucht gesteld. Als dier onder de dieren moest hij verder leven …

(…) totdat u erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil. (Daniël 4 vers 32)

En hij kwam tot die erkenning:

Ik, Nebukadnezar, prijs, roem en verheerlijk nu de Hemelkoning, omdat al Zijn daden waarheid zijn en Zijn paden gerechtigheid: Hij is in staat te vernederen wie in hoogmoed hun weg gaan. (Daniël 4 vers 37)

Matthias

Ook in het nieuwe testament zien we voorbeelden van Gods directe ingrijpen en leiding. Het begint meteen al in Handelingen. Judas leefde niet meer, de twaalven waren met zijn elven. Hierdoor wordt tevens duidelijk dat God Zich niet alleen met ‘het grotere werk’ bezighoudt. Immers, niets is te groot voor onze God, niets is te gering voor Hem. De twaalven waren niet langer compleet. Daarom nam Petrus het woord:

21 Het is (…) nodig dat een van de mannen die met ons omgegaan zijn gedurende heel de tijd dat de Here Jezus onder ons in- en uitging,

22 te beginnen met de doop van Johannes tot op de dag waarop Hij van ons opgenomen werd, met ons getuige wordt van Zijn opstanding.

23 En zij stelden er twee voor: Jozef, die Barsabas heette, die ook Justus genoemd werd, en Matthias.

24 En zij baden en zeiden: U Here, Kenner van het hart van allen, wijs van deze twee er een aan, die U uitgekozen hebt

25 om deel te krijgen aan deze bediening, namelijk aan het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is om naar zijn eigen plaats te gaan.

26 En zij wierpen hun loten en het lot viel op Matthias; en hij werd met instemming van allen aan de elf apostelen toegevoegd. (Handelingen 1 vers 21-26)

De gedachte dat de apostelen hier voor hun beurt spraken, moeten we verwerpen. Sommigen zeggen dat God niet Matthias, maar Paulus tot twaalfde apostel had bestemd. In Handelingen 6 echter wordt deze opvatting ontkracht. Het dienen aan de tafels zou worden toevertrouwd aan zeven dienaars. De twaalf apostelen riepen als een man alle discipelen bij elkaar om dit te regelen:

En de twaalf riepen de menigte van de discipelen bij zich en zeiden: Het is niet behoorlijk dat wij nalaten het Woord van God te verkondigen om de tafels te dienen. (Handelingen 6 vers 2)

Twaalf discipelen, terwijl Paulus nog helemaal niet in beeld was. Die ontmoeten we pas voor het eerst bij de executie van Stefanus:

En zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem, en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, die Saulus heette. (Handelingen 7 vers 58)

De aanstelling van Matthias was dus wel degelijk Gods werk. Het wordt in bovenstaande tekst bevestigd door Lukas, die onder inspiratie van de Heilige Geest deze dingen noteerde.

Herodes

Over hem kunnen we kort zijn. Hij liet zich goddelijke eer aanleunen en werd daarvoor op een vreselijke manier gestraft en afgezet (Handelingen 12 vers 21-23).

Paulus

Van Paulus weten we dat hij door God is aangesteld als apostel.

(…) deze is voor Mij een uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten. (Handelingen 9 vers 15)

Deze apostel heeft de misschien wel bekendste uitspraak gedaan aangaande de overheid. Hij stelt dat God de overheid heeft ingesteld om onze neiging tot zondig gedrag te beteugelen. Alle overheidsgezag komt van God. We zijn dus gehouden de overheid te respecteren.

Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld (Romeinen 13 vers 1)

Hoe krachtig is deze uitspraak: Er is ‘geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld‘.

Al deze voorbeelden overziende moet het ons niet verbazen dat ook de gemeente van Jezus Christus gehouden is het over haar door God gegeven gezag te respecteren. En dan bedoel ik niet de wereldlijke overheid, maar de van God gegeven opzieners en voorgangers.

Gelovigen of functionarissen

God stelt wereldlijke overheden aan. Weinigen onder hen zijn zich daarvan bewust. Machtswisselingen vinden schijnbaar spontaan plaats. Maar gelovigen staan hier anders in. Zij willen graag God gehoorzamen, maar hoe weten ze wat de wil van God is? Wie moet oudsten, opzieners en voorgangers kiezen en aanstellen? De apostelen zijn al eeuwen niet meer onder ons, en hun directe opvolgers ook niet. Feit is dat we al eeuwen met door mensen uitgedachte bestuursstructuren zitten. En die zijn zo diepgeworteld in onze manier van denken over deze onderwerpen, dat het bijna niet meer lukt daar los van te komen (mocht dat al nodig zijn).

In ons deel van de wereld zijn we vooral bekend met de structuur binnen de Rooms-katholieke Kerk, de Calvinistische Kerken en evangelische gemeenten. Een beknopte weergave van deze drie typen laat zien hoever we verwijderd zijn geraakt van wat de Bijbel ons voorschrijft.

– De Rooms-katholieke Kerk is van bovenaf georganiseerd met een volgorde gebaseerd op belangrijkheid: Paus → Curie → (Aarts)bisschoppen → Pastores/parochies.

Een pastoor is in de Rooms-katholieke Kerk een priester aan wie door de bisschop de kerkelijke zorg over een parochie is toevertrouwd. De parochie (de plaatselijke gemeente) heeft daar geen zeggenschap over.

– Calvinistische Kerken lijken van onderaf te zijn opgebouwd. In de praktijk echter worden de besluiten in synode en classis genomen, en opgelegd aan plaatselijke gemeenten. De lokale gemeenten kiezen wel hun eigen kerkenraad en voorgangers.

In zowel in Rooms-katholieke als de Protestantse Kerken wordt van pastoor en dominee een (academische) opleiding theologie verwacht.

Opmerkelijk is dat het bij deze structuren niet in de eerste plaats om de personen gaat, maar om de functie. Voorbeeld: de ouderling treedt af, maar het ambt blijft bestaan, er moet een andere functionaris (ouderling, diaken) worden gekozen dan wel aangesteld.

De Bijbel kent een dergelijke verambtelijking niet. Daar is de oudste in de eerste plaats een persoon. Ook de figuur van pastoor en predikant botsen met de Schrift. Als in een dienst maximaal drie profeten het woord mogen voeren (1 Korinte 14 vers 29), hoe moet dat dan in onze eenmansdiensten?

– In de evangelische wereld raakt de vijfvoudige bediening meer en meer in zwang. Hoewel gebaseerd op een Bijbeltekst (Efeziërs 4 vers 11), gaat het ook hier om functies (nu bedieningen genoemd). Het zou dan gaan om apostel, profeet, evangelist, herder (of pastor) en leraar. In de praktijk leidt het vaak tot strijd: welke bediening is het belangrijkste, wie heeft het voor het zeggen? Het is bovendien nog maar de vraag of de Heer Zich in onze tijd überhaupt nog van apostelen bedient (zie hier).

Bijbel versus kerkelijk organiseren

Hoe groter een gemeente, hoe groter de noodzaak tot organiseren. De vraag is uiteraard waar de grens qua aantallen bezoekers zou moeten liggen. De eerste gemeente te Jeruzalem zou naar de huidige maatstaven al snel als megakerk worden betiteld. We lezen in Handelingen 2 vers 41 dat ‘ongeveer drieduizend zielen werden toegevoegd’. Dat zijn al meer gelovigen dan de grootste megakerken in Nederland.

Handelingen 4 vers 4 deelt mee dat het aantal gelovigen te Jeruzalem dermate snel groeide dat alleen al het aantal mannen ongeveer vijfduizend werd. Daarna vinden we geen aantallen meer, maar wel aanwijzingen van doorgaande groei: Handelingen 5 vers 14 bijvoorbeeld spreekt van menigten die werden toegevoegd. In Handelingen 6 vers 7 lezen we ‘En het Woord van God verbreidde zich en het aantal discipelen in Jeruzalem nam sterk toe; en een grote menigte priesters werd aan het geloof gehoorzaam.’

Al die gelovigen tezamen werden aangeduid als ‘de gemeente te Jeruzalem’ (zie Handelingen 11 vers 22 en 15 vers 4). Ze kwamen regelmatig bij elkaar. Neem alleen al het bekende ‘En zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden.’ De ‘leer van de apostelen’ doet denken aan prediking en Bijbelstudie, ‘de gemeenschap’ wijst op de onderlinge omgang, ‘het breken van het brood’ op het Avondmaal en ‘de gebeden’ op gezamenlijk gebed, bijvoorbeeld als in een bidstond.

Exodus

Het hele Oude Testament is voor de gelovige een bron van informatie. En dan gaat het niet om ‘leuke weetjes’, maar om wezenlijke zaken. Het doel is ervan te leren, lessen die in de alledaagse levenspraktijk van onschatbare waarde zijn:

Want alles wat eertijds geschreven is, is tot onze onderwijzing eerder geschreven, opdat wij in de weg van volharding en vertroosting door de Schriften de hoop zouden behouden. (Romeinen 15 vers 4)

Het Oude Testament wijst vooruit naar het Nieuwe Testament, bijvoorbeeld door middel van profetieën en typologieën. Bovendien helpt het Oude Testament ons de leer van het Nieuwe Testament beter te begrijpen. Zie daarvoor 1 Korinte 10 vers 6 en 11.

God gebruikte Mozes om Israël uit Egypte te verlossen en naar het Beloofde Land te leiden. Deze zelfde Mozes schreef de eerste vijf boeken van de Bijbel en door zijn dienst ontving Israël de wet van God. Mozes was getrouwd en had kinderen. Zijn vrouw heette Zippora, zijn beide zonen Gersom en Eliëzer. In Exodus 18 lezen we:

5 Toen Jethro, de schoonvader van Mozes, met diens zonen en diens vrouw bij Mozes in de woestijn kwam, bij de berg van God, waar Mozes zijn kamp had opgeslagen,

6 liet hij tegen Mozes zeggen: Ik, je schoonvader Jethro, kom naar je toe met je vrouw en met haar beide zonen die bij haar zijn. (Exodus 19 vers 5-6)

De ontmoeting was allerhartelijkst, waarbij alles wat God voor Israël had gedaan gespreksonderwerp nummer één was. Beide mannen loofden de God van Israël om Diens geweldige daden. Een en ander leidde tot een feestelijke offermaaltijd:

Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, voor God een brandoffer en slachtoffers, en Aäron en al de oudsten van Israël kwamen erbij om voor het aangezicht van God de maaltijd te gebruiken met de schoonvader van Mozes. (Exodus 18 vers 12)

Vervolgens lezen we hoe de dagelijkse routine wordt voortgezet. Mozes is druk, heel druk. Jethro beziet dit alles met stijgende verbazing, en begrijpelijke zorg aan. Je ziet hem als het ware het hoofd schudden. Op een bepaald moment kan hij het blijkbaar niet langer aanzien, en confronteert Mozes:

(…) Wat betekent dit wat je voor het volk doet? Waarom houd je alléén zitting, terwijl heel het volk van de morgen tot de avond tegenover je staat? (Exodus 18 vers 14)

Het gesprek leidt uiteindelijk tot een goede raad van Jethro, die door Mozes wordt opgevolgd:

24 Mozes luisterde naar de stem van zijn schoonvader en deed alles wat hij gezegd had.

25 Mozes koos daarom uit heel Israël bekwame mannen en stelde hen aan als hoofd over het volk: leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.

26 Zij oordeelden altijd over het volk. De moeilijke zaken brachten zij bij Mozes, maar over elke kleine zaak oordeelden zij zelf. (Exodus 18 vers 24-26)

Later – in Deuteronomium 1 – komt Mozes terug op deze gebeurtenissen. En dan lezen we in combinatie met Exodus 18 iets merkwaardigs. In Exodus 18 zegt Jethro: ‘Wat je doet, is niet goed. Je zult er zeker aan bezwijken’ (vers 17-18). Volgens Deuteronomium 1 was het echter Mozes zelf die deze conclusie trok: ‘Ik heb in die tijd tegen u gezegd: Ik alleen kan u niet dragen’ (Deuteronomium 1 vers 9). Vervolgens wijst Mozes op de destijds door Jethro aanbevolen oplossing. Alleen, Mozes presenteert het als zijn eigen voorstel … Hoe zit dat? Gelukkig is het niet al te ingewikkeld. Jethro deed het voorstel, en Mozes bracht het onder de aandacht van het volk, en regelde de realisatie ervan. Waarschijnlijk heeft Mozes destijds achterwege gelaten dat het voorstel van zijn schoonvader kwam. Had hij dat niet gedaan dan was de acceptatie mogelijk bemoeilijkt.

Het idee kwam van de mens, de keuze van ‘bekwame mannen’ was eveneens gebaseerd op menselijk inzicht. Jethro had Mozes een paar criteria aan de hand gedaan. Er moest worden gezocht ‘onder heel het volk naar bekwame mannen, godvrezende, betrouwbare mannen, die een afkeer hebben van winstbejag’ (Exodus 18 vers 21). Maar, de mens ziet wat voor ogen is (1 Samuël 16 vers 7).

Verderop in Numeri zal blijken dat God het hart aan ziet. Mozes komt namelijk op een gegeven zelf tot het inzicht dat hij ‘bezwijkt aan de taak die God hem had opgelegd’. De eerste keer dat hij tot deze uitspraak kwam was van bezwijken geen sprake. Niettemin zag hij in zekere zin ‘de bui hangen’. Hij liep al doende op de zaken vooruit. Bovendien lezen we niet dat God werd geraadpleegd, en al helemaal niet dat Hij Zijn zegen gaf.

De gekozen oplossing kon niet voorkomen dat Mozes alsnog bezweek. We vinden de geschiedenis van Mozes’ ineenstorting in Numeri 11. De aanleiding was niet gelegen in de (te) drukke werkzaamheden, maar in het voortdurend (ontevreden) gejammer van de Israëlieten:

Toen hoorde Mozes het volk jammeren, geslacht na geslacht, ieder voor de ingang van zijn tent. En de toorn van de Here ontbrandde hevig; ook in de ogen van Mozes was het kwalijk. (Numeri 11 vers 10)

Het ging echter niet om het welbevinden van Mozes, maar om de eer van God! De zaak ontaardde uiteindelijk dusdanig, dat Mozes God de schuld gaf van zijn eigen falen (want dat was het!):

11 En Mozes zei tegen de Here: Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan en waarom heb ik geen genade gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt?

14 Ik alleen kan al dit volk niet dragen, want het is mij te zwaar. (Numeri 11 vers 11, 14)

Vers 14 is een absoluut dieptepunt in de bediening van Mozes. Hij verweet God een onuitvoerbare opdracht te hebben ontvangen: ik alleen. Dat de almachtige God alles tot stand kan brengen zonder ook maar één mens nodig te hebben, zag Mozes over het hoofd. Gods oneindige vermogens stonden hem ter beschikking, en dan maakt het niet uit of één man de taak moet uitvoeren, of duizend. Mozes’ geloof wankelde! Wat daarna volgde is voor elke gelovige zeer leerzaam:

Toen zeide de Here tot Mozes: Vergader Mij uit de oudsten van Israël zeventig mannen, van wie gij weet, dat zij oudsten en opzieners van het volk zijn, en breng hen naar de tent der samenkomst, opdat zij zich daar bij u opstellen. (NBG) (Numeri 11 vers 16)

Het volk was groot in aantal. Onder hen zullen duizenden mannen als oudsten bekend hebben gestaan. Mozes moet uit die grote groep zeventig mannen kiezen. Ze moeten niet slechts oudsten (qua leeftijd) zijn, ze moeten zich ook bewezen hebben in het kunnen dragen van een verantwoordelijke taak, in dit geval opziener (ook wel: opzichter (NBV) of leider (Willibrord vertaling)). Zo geschiedde. Mozes sprak opnieuw met God, waarna God een belangrijke verandering doorvoerde:

Toen daalde de Here neer in de wolk en sprak tot hem, en Hij zonderde een deel af van de Geest Die op hem (Mozes) was, en droeg dat over op de zeventig mannen, die oudsten. En het gebeurde, toen de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer. (Numeri 11 vers 25)

Voor Mozes gold wat Petrus later in zijn tweede brief zou verwoorden, namelijk dat ‘Zijn Goddelijke kracht ons alles geschonken heeft betreffende het leven en de godsvrucht door de kennis van Hem’ (Telos, 2 Petrus 1 vers 3). Alles! Van dat ‘alles’ nam God nu een deel en droeg dat over op de zeventig oudsten. Het gevolg was dat vanaf dat moment het ‘alles’ bestond uit een deel op Mozes en zeventig delen op de oudsten. Anders gezegd, er was nog steeds evenveel goddelijke kracht, maar deze was vanaf dat moment verdeeld over 71 personen. Dat die verdeling inderdaad had plaatsgevonden bleek uit het plotselinge profeteren van de oudsten (vergelijk de uitstorting van de Heilige Geest op de Eerste Pinksterdag te Jeruzalem!). Gods ingrijpen betekende voor Mozes een achteruitgang. De problemen met het volk werden door God gebruikt om Mozes te tuchtigen. Want in plaats van God aan te roepen om hulp, was hij teruggedeinsd en verweet God ‘onrealistisch’ te zijn. Dit kon immers niet, het was te veel voor een mens. Maar niet voor God! En dat betekende dat God Zich niet langer uitsluitend van Mozes bediende bij het leiden van het volk. De hulp die Mozes noodzakelijk achtte kwam in de vorm van oudsten op wie Gods Geest rustte. Over de eerder door Jethro aanbevolen oplossing horen we verder niets meer. Sterker nog, beide mannen hadden geen oog voor deze mensen. Zo lazen we eerder dat bij het offerfeest dat Jethro aanrichtte Israëls oudsten aanwezig waren (Exodus 18 vers 12). Jethro raadde Mozes aan, te zoeken naar ‘bekwame mannen, godvrezende, betrouwbare mannen, die een afkeer hebben van winstbejag’ (Exodus 18 vers 21). Bekwame en betrouwbare mannen, worden die dan niet onder de oudsten gevonden? Of had Jethro misschien personen met een zeker opleidingsniveau op het oog? Het is hoe dan ook hoogst merkwaardig dat de oudsten op dat moment niet in tel waren.

God, Mozes en de oudsten

Even terug in de tijd, bij de brandende braamstruik. Mozes wordt door de Here geroepen en krijgt een expliciete opdracht:

Ga, verzamel de oudsten van Israël en zeg tegen hen: De Here, de God van uw vaderen, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob. (Exodus 3 vers 16)

Aan hen moest Mozes vertellen wat God hem had opgedragen. Maar de oudsten werden niet alleen op de hoogte gebracht, ze moesten ook bij de missie van Mozes worden betrokken:

Dan zullen zij naar uw stem luisteren, en u zult gaan, u en de oudsten van Israël, naar de koning van Egypte (…)(Exodus 3 vers 18)

En inderdaad, eenmaal terug in Egypte, was dat precies wat hij deed:

Toen ging Mozes op weg, met Aäron, en zij verzamelden alle oudsten van de Israëlieten. (Exodus 4 vers 29)

Een poos later, bij de instelling van het Pascha – vlak voor de tiende plaag – lezen we weer over de oudsten; ze werden ingeschakeld bij het instrueren van het volk:

Toen riep Mozes al de oudsten van Israël bijeen en zei tegen hen: Kies uit, en neem voor uzelf kleinvee voor uw gezinnen, en slacht het paaslam. (Exodus 4 vers 29)

Eeuwen later – ten tijde van de rondwandeling van de Here Jezus op aarde – waren het nog steeds oudsten die verantwoordelijk waren voor het volk. Wat ze deden was dikwijls niet in de haak, al meenden ze aan de goede kant te staan. Zo riepen ze de Here Jezus ter verantwoording na Diens tempelreiniging:

En toen Hij in de tempel gekomen was, kwamen de overpriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe, terwijl Hij onderwijs gaf, en zeiden: Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven? (Mattheüs 21 vers 23)

De Joodse raad – het Sanhedrin – bestond uit de Hogepriester en 70 oudsten. In deze samenstelling herkennen we de gebeurtenissen uit Numeri 11 vers 25. Deze raad was verantwoordelijk voor de veroordeling van de Here Jezus, en later ook van gelovigen als Stefanus.

En de gemeente?

De jonge gemeente te Jeruzalem zag blijkbaar geen enkel bezwaar in het overnemen van de bestuursstructuur van de Joden. In de Bijbel (Handelingen 11 vers 30; 15 vers 6) zien we in de gemeente te Jeruzalem al vanaf het prille begin het optreden van oudsten. De Bijbeltekst spreekt bijvoorbeeld over apostelen en oudsten die bijeenkwamen om over het al dan niet besnijden van bekeerlingen uit de heidenen te overleggen.

Toen er nu strijd en niet weinig redetwist van de zijde van Paulus en Barnabas tegen hen ontstond, bepaalden zij dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit hen zouden opgaan naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem over deze twistvraag. (Telos)(Handelingen 15 vers 2)

Deze tendens vindt zijn vervolg in allerlei voorschriften uit de brieven:

En God heeft sommigen in de gemeente gesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten, vervolgens genadegaven van genezingen, hulpbetoningen, besturingen, allerlei talen. (1 Korinte 12 vers 28)

Hulpbetoningen zien op wat we tegenwoordig het werk van diakenen noemen, oudsten (opzieners) zijn verantwoordelijk voor het bestuur. Let op wat er staat: God heeft sommigen in de gemeente gesteld (NBV: een plaats gegeven). Het sommigen kan slaan op de ‘functie’, maar ook op ‘de personen die zo’n functie toebedeeld hebben gekregen’. Het is in ieder geval God die dit alles heeft ingesteld, en stuurt.

En hier keren we dan terug tot de oorspronkelijke vraag: hoe weten we nu wie God als oudste geschikt acht? Daarvoor zijn twee termen van belang: herkennen en erkennen. Herkennen betekent: door bepaalde eigenschappen of kenmerken weten wie zich in praktische zin als oudste manifesteert. Dat niet slechts theorie is wordt (opnieuw) in de Bijbel bewaarheid.

Herkennen

We zagen al in Numeri 11 dat Mozes moest uitzien naar ‘mannen, van wie gij weet, dat zij oudsten en opzieners van het volk zijn’. Ze hadden zich als zodanig kenbaar gemaakt en kwamen daarom in aanmerking.

Paulus spreekt tegenover Timotheüs over mannen die verlangen hebben naar het ambt van opziener, en komt dan met een aantal voorwaarden waaraan een opziener moet voldoen (1 Timotheüs 3 vers 2-7). Blijkens vers 10 uit datzelfde hoofdstuk was het de bedoeling dergelijke sollicitanten te beproeven, waarschijnlijk aan de hand van de eerdergenoemde criteria. Ze moeten ‘onberispelijk zijn’, anders gezegd, ze moeten voor de volle 100% aan de gestelde voorwaarden beantwoorden. De ‘functie-eisen’ maken tevens duidelijk dat het om een ouder persoon dient te gaan, een oudste dus, iemand die al langer met de Here wandelt (1 Timotheüs 3 vers 6). Dit vinden we bevestigd in Titus 1. Paulus geeft Titus opdracht ‘van stad tot stad oudsten aan te stellen’ (Titus 1 vers 5). Aan deze oudsten worden dezelfde eisen gesteld als die Paulus aan Timotheüs voorhield. Bovendien blijkt het in Titus 1 vers 7 ook om opzieners te gaan. Zo doemt dus het beeld op van een gemeente met een aantal oudsten, uit wie een aantal geschikt blijken te zijn als opziener te functioneren. In Hebreeën 13 vers 7 en 17 gaat het om oudsten die een taak als voorganger hebben. Zij spreken het Woord van God, waken over de zielen van hun gehoor. De gemeenteleden moeten letten op de uitkomst van hun levenswandel, en hun geloof navolgen. Dit betekent dat deze mannen niet maar voor een aantal jaren aantreden. Zij blijven in principe functioneren in hun bediening totdat de Here hen thuishaalt. De levenswandel waardoor zij als voorbeeld dienen wordt met name gekenmerkt door volharding. Paulus brengt in zijn eerste brief aan Timotheüs beide bedieningen tezamen:

Laat oudsten die goed leiding geven, dubbele eer waard geacht worden, vooral diegenen die arbeiden in het Woord en in de leer (1 Timotheüs 5 vers 17).

Het gaat dus steeds om oudsten, die in een bepaalde bediening arbeiden, hetzij als opziener, hetzij als voorganger. Ten slotte vinden we bij Petrus een derde bediening. Hij spreekt als ‘medeoudste’ oudsten toe. Zij moeten de kudde hoeden en onder toezicht houden. Hier gaat het dus om een herderlijke bediening (1 Petrus 5 vers 1-4).

Erkennen

Als we in een oudste bovenstaande kwaliteiten herkennen, wordt van ons een tweede stap verwacht: het aanvaarden dat het inderdaad zo is. Dat betekent dat onze houding verandert: we erkennen dat de betrokkene gezag heeft. Gezag wil zeggen: invloed hebben op anderen omdat die op hun beurt zo’n persoon respecteren en vertrouwen. Daaraan verbonden is het erkennen dat de broeder die leiding kan geven, bevoegd is beslissingen te nemen. En dat is een moeilijke zaak. Het vergt van de ‘gewone gelovige’ een gezindheid als die in Christus was (Filippi 2 vers 5, zie ook Mattheus 11 vers 29; Johannes 13 vers 15; 1 Petrus 2 vers 21). Dat zo’n juiste houding niet vanzelfsprekend is, blijkt ook uit het aantal keren dat Paulus oproept tot erkenning en waardering van oudsten die zich inzetten voor hun medegelovigen.

Zo heeft de Heer ook verordend voor hen die het evangelie verkondigen, dat zij van het evangelie leven. (Telos) (1 Korinte 9 vers 14)

En laat hij die in het woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen. (Telos) (Galaten 6 vers 6)

Wij nu vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden en u leiding geven in [de] Heer en u terechtwijzen. (Telos) (1 Thessalonica 5 vers 12)

Laat de oudsten die goed besturen, dubbele eer worden waard geacht, vooral zij die arbeiden in woord en leer; (Telos) (1 Timotheüs 5 vers 17)

Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig. (Telos) (Hebreeën 13 vers 17)

Aanleg, ervaring of de Heilige Geest?

Tot slot iets over een ander steeds terugkerend discussiepunt. Wanneer is een oudste geschikt om een bepaalde bediening op zich te nemen? Uiteraard tellen de levenswandel en geloofsopvattingen een prominente rol. Maar hoe zit het met de ‘vaardigheden’ die nodig zijn om de taak tot een goed einde te brengen? Is iemand van nature geschikt? Zit het hem ‘in de genen’? Als iemand jarenlang voor de klas heeft gestaan, is hij dan gekwalificeerd voor de leraarsbediening? En wie een carrière in de geestelijke gezondheidszorg achter de rug heeft, maakt dat zo iemand geschikt voor een bediening als herder? Of is het de Heilige Geest Die iemand geschikt maakt? Bovendien speelt bij dit alles iemands gezindheid een grote rol. Een loopbaan als hierboven bedoeld kan iemand de gedachte geven ‘beter’ geschikt te zijn dan die medeoudste die in de wegenbouw heeft gewerkt. Het ligt waarschijnlijk niet zo simpel.

Van Mozes staat geschreven dat hij ‘werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en machtig was in woorden en in daden’ (Handelingen 7 vers 22). Je zou denken dat hij daarom heel geschikt was om Israël te leiden. Over de Here Jezus werd echter hetzelfde gezegd: Hij was ‘machtig in werken en woorden voor God en heel het volk’ (Lukas 24 vers 19). Dat moet slaan op de Heilige Geest, want onze Heiland heeft geen opleiding genoten zoals die van Mozes. We weten echter ook van Mozes dat de Heilige Geest hem kracht, wijsheid en volharding gaf (Numeri 11 vers 27). Hetzelfde geldt voor Paulus. Hij was opgeleid zittende aan de voeten van Gamaliël (Handelingen 22 vers 3), maar pas na zijn vervulling met de Heilige Geest (Handelingen 9 vers 17) was hij geschikt voor het apostelschap (Handelingen 9 vers 20).

En wat te denken van de oudsten uit Numeri 11? In opdracht van God koos Mozes 70 mannen uit een grote groep oudsten. Criterium? Ze waren geschikt. Waarom waren ze geschikt? Ze functioneerden als oudste en opziener! En blijkbaar deden ze dat goed, anders zou Mozes ze niet hebben gekozen. Om deze mannen in staat te stellen Mozes bij te staan, ontvingen ze een deel van de Geest die op Mozes was.