Tucht

Het woord tucht heeft tegenwoordig maar zeer ten dele een positieve klank. In veel woordenboeken staat iets als strenge orde, (het aanvaarden van) vaste dwingende leiding, (zelf)discipline, waarbij met het bijvoeglijk naamwoord streng dan strakke regels hanterend wordt bedoeld, vaak en snel en hard straffend. Woorden als tuchthuis gebruiken we dan ook niet meer. Een iets ouder woordenboek vermeldt echter leiding ten goede, wat een veel aangenamere gevoelswaarde heeft.

De christelijke encyclopedie (uitgeverij Kok – Kampen 2005) omschrijft tucht als de verantwoordelijkheid van een kerk voor het gedrag van hun medechristenen. En ook dat komt anders binnen.

Aanwijzingen voor elke gelovige

Omdat in voorgaande artikelen tucht al enige malen aan de orde is geweest gaan we nu eerst verder met die andere betekenis: opvoeding. We herkennen dat bijvoorbeeld in de apostolische brieven. Hieronder twee bekende delen van Paulus. Lees ze aandachtig, lees ze alsof u voor een spiegel zit.

25 Schaf de leugen dus af en spreek de waarheid met elkaar, want we zijn allemaal delen van hetzelfde lichaam.

26 Als je kwaad wordt, pas dan op dat je geen fout maakt; ga nooit kwaad naar bed,

27 want dan geef je de duivel een kans.

28 Wie een dief was moet ophouden met stelen, en in plaats daarvan zelf aan de slag gaan en eerlijk werk gaan doen, zodat hij iets missen kan voor wie het nodig heeft.

29 Kanker niet, zeg liever waar het te pas komt iets goeds en opbouwends, iets waar je de toehoorders een dienst mee bewijst.

30 Doe de heilige Geest van God geen verdriet, want die Geest is het stempel waarmee je gemerkt bent voor de dag van de verlossing.

31 Maak een eind aan bitterheid, woede en toorn, aan geschreeuw en gevloek, en aan elk ander slecht gedrag.

32 Wees goed en vol medeleven voor elkaar, en vergeef elkaar zoals God jullie in Christus vergeven heeft. (Efeze 4 vers 25-32, vertaling Anne de Vries)

 

5 Maak dus een eind aan alles in je wat alleen maar aards is: ontucht, onzedelijkheid, ongebreidelde hartstocht en zondige begeerten, en de hebzucht, die een vorm van afgoderij is.

6 Op zulke dingen richt zich de vergelding van God.

7 In het leven dat je vroeger leidde hebben jullie ook aan al die dingen meegedaan.

8 Maar nu moet je een eind maken aan alle woede, boosheid, kwaadaardigheid, godslastering en vuile taal.

9 Lieg ook niet meer tegen elkaar. Jullie hebben je oude menselijke natuur weggedaan en tegelijk het gedrag dat daaruit voortkwam,

10 en je hebt de natuur van de nieuwe mens aangenomen, die om God te leren kennen voortdurend vernieuwd wordt naar het beeld van zijn Schepper.

11 Daarbij komt het er niet op aan of je een Griek bent of een Jood, besneden of onbesneden, een barbaar of een Skyth, een slaaf of een vrij man. Bij alle mensen komt het alleen nog maar op Christus aan.

12 Gedraag je dus als gelovige die God zich uitgekozen heeft: wees meelevend en behulpzaam, bescheiden, vriendelijk en geduldig.

13 Verdraag elkaar en vergeef elkaar, als er eens iets tussen jullie is. Zoals de Heer jullie vergeven heeft, zó moeten jullie elkaar vergeven.

14 En de kroon op dat alles moet de liefde zijn, die alles bijeenhoudt en voltooit.

15 Laat de vrede van Christus jullie innerlijk beheersen; als delen van één lichaam is dat je roeping. Wees dankbaar.

16 Laat de boodschap van Christus in al zijn rijkdom bij jullie wonen; onderricht elkaar in alles wat je daarover weet en maak er elkaar opmerkzaam op. Zing je dankbaarheid uit met psalmen, gezangen en liederen die de Geest je ingeeft, zing God van harte toe.

17 En alles wat je zegt of doet, doe dat in de naam van de Heer Jezus: dan dank je door hem God de Vader. (Kolosse 3 vers 5-17, vertaling Anne de Vries)

Wees eerlijk tegenover u zelf. Geeft het u een goed gevoel, maakt het u blij, of vindt u het maar zozo, staat het u zelfs tegen? Besef dat ook dit Bijbelse tucht is, met een positief doel: u leiden naar geestelijke volwassenheid. Dat is dan ook een van de doelstellingen van Paulus’ arbeid: 

Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen, en ieder mens onderwijzen in alle wijsheid, opdat wij ieder mens volmaakt zouden stellen in Christus Jezus. (Kolosse 1 vers 28)

‘Ieder mens volmaakt stellen in Christus Jezus ‘ is nogal pittig taalgebruik. Je kunt dat ook anders zeggen. Anne de Vries geeft de volgende vertaling:

Hem, Christus, maken wij bekend. We waarschuwen iedereen, we geven iedereen onderricht in alles wat we over Hem weten omdat we iedereen tot volwassenheid willen brengen door de band met Christus. (Kolosse 1 vers 28, vertaling Anne de Vries)

Het gaat dus om ‘het tot volwassenheid brengen door de band met Christus’. Zo moeten ook de beide lange citaten die ik hierboven weergaf, worden gezien. Als een reeks aanwijzingen op de weg tot volwassenheid. Soms echter komt het ‘volwassen worden’ in andere formuleringen aan de orde. Een paar voorbeelden, waarbij ik eerst de tekst uit de HSV plaats, daarna de weergave van Anne de Vries.

En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is. (Romeinen 12 vers 2)

Stel je niet in op deze wereld; nee, door je vernieuwde inzichten moet je (wel) heel andere mensen worden, die kunnen beoordelen of iets in overeenstemming is met de wil van God, of het goed is en naar zijn zin en naar zijn bedoeling. (Romeinen 12 vers 2, vertaling Anne de Vries)

(…) totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus, (Efeze 4 vers 13)

Zo zullen we tenslotte allemaal tot de eenheid komen die besloten ligt in ons geloof en in onze kennis van de Zoon van God: samen zullen wij de volmaakte mens vormen, met een volwassenheid die past bij de volmaaktheid van Christus. (Efeze 4 vers 13, vertaling Anne de Vries)

Twee termen komen steeds terug: volmaaktheid en volwassenheid. Volmaaktheid ziet op onze huidige en toekomstige positie voor God. Nu al zijn we volmaakt in Gods oog, want ‘met één offer heeft Hij ons die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt‘ (Hebreeën 10 vers 14). We mogen dat weten, we mogen er verwonderd over zijn. Maar we delen nog niet in die volmaaktheid. Dat komt als we het opstandingslichaam ontvangen en in de hemel zijn, want ‘ons vernederd lichaam zal veranderen, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam‘ (Filippi 3 vers 21). Paulus spreekt ook over volmaaktheid nu. We zagen dat hierboven al in Kolosse 1 vers 28, Romeinen 12 vers 2 en Efeze 4 vers 13. Hier komt het woord volwassenheid aan bod, geestelijke volwassenheid. Wat houdt dat in?

  1. Een levenswandel onder de leiding van de Heilige Geest (Mattheüs 5 vers 48);
  2. Bereid om alles op te geven (Mattheüs 19 vers 21);
  3. De wijsheid van het kruis van Christus begrijpen (1 Korinte 2 vers 6-9;
  4. Erkennen en begrijpen dat Christus de Zoon van God is (Efeze 4 vers 13);
  5. Helemaal gericht zijn op de toekomst (met Christus) (Filippi 3 vers 14),
  6. Door de Geest geleerd zijn in alle wijsheid (Kolosse 1 vers 28)
  7. Goed en kwaad kunnen onderscheiden aangaande Bijbels onderwijs (Hebreeën 5 vers 14).

Elke gelovige – ook hij of zij die door de Schrift volwassen wordt genoemd – kan zondigen, immers, we hebben het ‘vlees’ nog in ons. Maar: het is geen onontkoombaar noodlot – we hoeven niet te zondigen:

Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft: wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. (1 Johannes 2 vers 1)

Het woord opdat vertelt ons dat het mogelijk is zonde te vermijden. Het woordje als betekent ‘in het geval dat’, wat inhoudt dat ondanks dat ‘het niet hoeft’ er soms toch nog gezondigd wordt. Wat een geweldige verandering ten opzichte van onze ‘natuurlijke’ staat:

Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één. (Romeinen 3 vers 12).

Allen, samen en niemand toont aan dat de onbekeerde mens willoos aan de zonde is overgeleverd. Voor de gelovige is dat niet het geval, en mocht het dan nog voorkomen dat een christen zondigt … We hebben een hemelse Advocaat, die de aanklager (Openbaring 12 vers 10) voortdurend erop wijst dat ook voor deze specifieke zonde voldaan is, betaald op Golgotha. De ongelovige heeft dat voorrecht niet. De volwassen gelovige wel en heeft rust. We gaan nu verder over gelovigen die een bijzondere verantwoordelijkheid dragen.

Aanwijzingen voor oudsten (opzieners) en voorgangers

Het is goed om bij het lezen van het volgende in gedachten te houden dat wij gewend zijn aan dominees, kerkenraden, en aftredende en nieuw aantredende ambtsdragers. Die gewenning is zo groot dat we bij het bestuderen van de Bijbel over deze dingen ons soms verbazen over wat er eigenlijk staat. Bedenk dan dat we onze ‘moderne bril’ dienen af te zetten, om te voorkomen dat we de Bijbel gaan uitleggen en toepassen vanuit de situatie waaraan we gewoon zijn.

Oudsten en voorgangers zijn in de eerste plaats gelovigen, maar hun rol brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee als het gaat om hun gedrag en geloofsopvattingen. Onredelijke kritiek is dikwijls hun deel. Wie zijn dat, die oudsten, opzieners en voorgangers?

Een oudste is iemand met veel geloof- en levenservaring die daardoor goed in staat is om als herder de kudde te leiden. Een opziener is iemand met de kwaliteiten om toezicht te houden. Een voorganger is een lichtend voorbeeld door de woorden die hij spreekt en het geloof dat hij openbaart. Zijn levenswijze getuigt van de waarheid van zijn woorden en de echtheid van zijn geloof. Uiteraard zijn dit globale aanduidingen, zo scherp valt er niet te onderscheiden. In de praktijk zullen deze kwalificaties meer door elkaar heen lopen. Hoe dit ook zij, ook oudsten, opzieners en voorgangers hebben zich te houden aan Gods Woord. We vinden dan ook vele aanwijzingen.

Petrus

De apostel Petrus kreeg van de Here Jezus driemaal achtereen de opdracht voor de kudde te zorgen. Dat ging met de woorden ‘weid Mijn lammeren’ (Johannes 21 vers 15), ‘hoed Mijn schapen’ (Johannes 21 vers 16) en ‘weid Mijn schapen’ (Johannes 21 vers 17). ‘Weiden’ wil zeggen ‘voeden, voedsel verschaffen’, ‘hoeden’ de totale zorg van een herder voor de schapen. Jaren later draagt hij deze opdracht als het ware over aan de volgende generatie:

1 De oudsten onder u roep ik ertoe op, als medeoudste en getuige van het lijden van Christus en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden:

2 Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig;

3 ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Here, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. (1 Petrus 5 vers 1-3)

De taak is daarmee duidelijk gesteld, maar Petrus wijst ook op het belang van de juiste houding van oudsten. Hij doet dat in drie tegenstellingen, in de trant van ‘niet zus, maar zo’:

niet gedwongen,

maar vrijwillig

dat wil zeggen: niet uit een star plichtbesef,

maar van harte

niet uit winstbejag,

maar bereidwillig

dat wil zeggen: niet om er zelf beter van te worden,

maar enkel uit toewijding

niet als mensen die heerschappij voeren dat wil zeggen: niet de baas spelen,

maar het goede voorbeeld gevend

Petrus geeft inderdaad het goede voorbeeld, want hij verheft zich niet boven zijn lezers. Hij stelt zich nadrukkelijk voor als ‘medeoudste’.

Paulus

Paulus heeft aanwijzingen gegeven om de gemeenten te helpen de juiste personen te herkennen als door de Heer geroepenen, en hen vervolgens als zodanig te erkennen. Hij geeft deze voor diakenen en oudsten. Ik beperk me hier tot die voor de oudsten, omdat dit het beste aansluit bij het onderwerp van deze reeks. De eerste Schriftplaats vinden we in het boek Handelingen. Paulus is op weg naar Jeruzalem, en neemt afscheid van de gemeente te Efeze. Het is een definitief vaarwel, want hij had gezegd, dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien (Handelingen 20 vers 25 en 38). Dit maakt de aanwijzingen van Paulus des te belangrijker. Naar de mens gesproken stonden ze er van toen af aan alleen voor. Bij nauwkeuriger lezen blijkt echter dat dit niet het geval was. Paulus had de ouderlingen van de gemeente te Efeze laten halen (Handelingen 20 vers 17). Tegenover deze mannen zet hij uiteen wat God in hun midden tot stand heeft gebracht.

  • twee jaar 1) lang had Paulus in Efeze gearbeid, zodat allen die in Asia woonden, het Woord van de Here Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken (Handelingen 19 vers 10);
  • God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus (Handelingen 19 vers 11);
  • niets van wat nuttig was, had hij nagelaten Efeziërs te verkondigen en te onderwijzen (Handelingen 20 vers 20);
  • hij had zowel tegenover Joden als Grieken getuigd van de bekering tot God en het geloof in de Here Jezus Christus (Handelingen 20 vers 21);
  • Paulus had niet nagelaten de Efeziërs heel het raadsbesluit van God te verkondigen (Handelingen 20 vers 27);
  • Hij had van niemand zilver of goud of kleding verlangd (Handelingen 20 vers 33);
  • Hij had zelf in zijn levensonderhoud voorzien (Handelingen 20 vers 34);
  • Door zo te handelen had hij de Efeziërs het goede voorbeeld gegeven (Handelingen 20 vers 35).

Oppervlakkig lezen kan de indruk wekken dat Paulus nogal met zichzelf was ingenomen. Dat is niet het geval, alhoewel hem uiteraard niets menselijks vreemd was. Steeds opnieuw stelde hij zichzelf als voorbeeld, met slechts die ene bedoeling, de gelovigen aan te sporen hem daarin na te volgen. Halverwege zijn toespraak benadrukt hij dat met de oproep ‘pas dus goed op jezelf’! En dan bedoelt hij niet goed eten en drinken, keurig gekleed gaan en dergelijke, maar de verwezenlijking van hun verantwoordelijkheid als oudste:

Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de Heilige Geest u tot opzieners aangesteld heeft om de gemeente van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. (Handelingen 20 vers 28)

Let op de volgorde. Een oudste dient eerst zichzelf voor het aangezicht van God te beoordelen, en zich daarna pas toewijden aan de gelovigen. Let er bovendien op dat Paulus het over ‘heel de kudde’ heeft. Broeders en zusters waarmee het lastig omgaan is, horen ook bij de gemeente.

Bekend en van groot belang zijn de kenmerken waaraan een oudste moet voldoen:

Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een beheerder van het huis van God, niet eigenzinnig, niet opvliegend, niet verslaafd aan wijn, niet vechtlustig, niet uit op oneerlijke winst, (Titus 1 vers 7)

Een opziener nu moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw, beheerst, bezonnen, eerbaar, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, niet verslaafd aan wijn, niet vechtlustig, niet uit op schandelijke winst, maar welwillend, niet strijdlustig en zonder geldzucht. (1 Timotheüs 3 vers 3)

Op een aspect wil ik nog wijzen. Aan de Korintiërs (met wie Paulus zoveel te stellen had) schrijft hij dat ‘hij hen niet de wet wil voorschrijven’:

Niet dat wij heersen over uw geloof, maar wij zijn medearbeiders aan uw blijdschap, want u staat vast door het geloof. (2 Korinte 1 vers 24)

Heersen over iemands geloof, wat is dat? Dat is alsof iemand tussen God en de gelovige in staat. Iemand zit met een probleem, en vraagt een oudste om raad. Als de gelovige in kwestie vervolgens de raad opvolgt, zonder zelf eerst met God gesproken te hebben, staat er als het ware een mens tussen de gelovige en God in. Elke gelovige dient daar bedacht op te zijn. Leidinggevende broeders en zusters kunnen ongewild in zo’n positie terechtkomen. En dat is een slechte zaak. Ze ambiëren zelf niet die positie, maar worden door broeders en zusters die zwak in het geloof staan als zodanig ‘gebruikt’.

Paulus echter doelt hier op het tegenovergestelde. Het kan immers ook voorkomen dat een gerespecteerde leidinggevende zijn eigen grenzen overschrijdt en zichzelf presenteert als na te volgen voorbeeld. Zulk gedrag kan uiteindelijk een sektarisch karakter krijgen. De geachte broeder ‘weet’ hoe God denkt over tal van zaken, en legt dit aan ‘zijn’ kudde op. Gaandeweg kunnen meer en meer beslissingen in het leven van alledag alleen genomen worden na de ‘hoogstaande’ broeder te hebben geraadpleegd. Zo verwerft deze meer en meer invloed, meer en meer macht, totdat hij daadwerkelijk heerst over het geloof van de broeders en zusters.

Dat nu, zegt Paulus is niet wat wij willen bereiken. Alles wat ‘we’ doen is ‘meewerken aan de blijdschap van de Korintiërs’. Tussen God en de gelovigen in staan is niet nodig, want ‘ze staan al vast in het geloof’. Een belangrijke les voor elke leidinggevende broeder of zuster. 

Over de gezindheid van hen die zich met tucht belasten

We hebben gezien hoe de Schrift eisen stelt aan de levenswandel en de leer van hen die mogelijk tot oudste, dan wel opziener geschikt worden geacht. Er is echter meer. Het gaat niet alleen om een eerste momentopname, het gaat ook om iemands functioneren daarna als oudste.

Wat gebeurt er met (leidinggevende) gelovigen als zij – uiterlijk weliswaar zeer gerespecteerd – in werkelijkheid een dubbelleven leiden? Dat hoeft echt niet in te houden dat ze zich met grove zonden inlaten. De liefde voor de wereld wordt langzaamaan groter dan de liefde voor Christus. De omgang met de Schrift wordt van lieverlee routineus, en komt op een laag pitje te staan. Het zal vroeger of later worden opgemerkt. Niemand is in staat zich geestelijk te gedragen als hij niet geestelijk leeft. Zulke gelovigen vallen door de mand als het er echt op aan komt (en dat doet het bij tuchtzaken). De vrucht van de Geest blijkt te zijn verdrongen door de werken van het vlees. Wereldgelijkvormigheid verdringt het vermogen om Gods wil te kunnen onderscheiden:

En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is. (Romeinen 12 vers 2)

Maar ook als het geestelijk leven wel op orde is, liggen er gevaren op de loer. Als Paulus Timotheüs een aantal opdrachten heeft gegeven, voegt hij er een vermaning aan toe:

Ik bezweer u, ten overstaan van God en de Here Jezus Christus en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen in acht neemt zonder vooroordeel en zonder iets uit partijdigheid te doen. (1 Timotheüs 5 vers 21)

Ook voor Timotheüs is het belangrijk eerlijk en onpartijdig te zijn. Zo mag hij geen klachten aannemen zonder getuigen. Bovendien mogen persoonlijke vriendschappen niet meespelen bij het beoordelen van klachten. Het is de enig juiste instelling om ervoor te zorgen dat iedereen in de gemeente eerlijk behandeld wordt en dat openbare vermaning mogelijk blijft.

Een ander gevaar is het leunen op wereldlijke 2) verworvenheden als managementtechnieken, het oordeel van een mediator of op de rechtspraak in plaats van te vertrouwen op een door de Geest geleide Bijbelse handelwijze. In het tweede artikel van deze reeks zagen we al dat Paulus, Jesaja en Jeremia waarschuwden voor het gevaar menselijke wijsheid boven de wijsheid van God te plaatsen. Paulus zegt in 1 Korinte 6 vers 1 als het ware ‘hoe haal je het in je hoofd!’ – recht te zoeken bij onrechtvaardigen. Hoezo dan? Wel, rechters zijn ongelovigen 3), mensen die in Gods ogen ‘onrechtvaardig’ zijn. Hoe kunnen zij ooit beslissen over rechtvaardigen, mensen die door God gerechtvaardigd zijn? 

Ere wie ere toekomt

We zagen dat de Bijbel richtlijnen geeft voor het gedrag, de levensstijl en de leer van oudsten. Veel van die principes zijn ook op de ‘gewone’ gelovige van toepassing. Ook zij zijn ‘een brief van Christus ‘ (2 Korinte 3 vers 3), en moeten een leven leiden dat zich met vreugde laat lezen. In het eerste artikel hebben we daar aandacht aan besteed. De Schrift schrijft ons echter expliciet voor hoe wij als gelovigen met onze oudsten en voorgangers moeten omgaan. Deze aanwijzingen betreffen onze houding en onze portemonnee.

Oudsten geven onderwijs, geven leiding en wijzen terecht. Zij doen dat ‘in de Heer’, dat is niet op eigen houtje, en al helemaal niet in eigen belang. Allereerst worden we opgeroepen hen te erkennen. Hun inzet wordt opgemerkt en we begrijpen dat Gods Geest door hen werkt. Vervolgens worden we geacht hun daarvoor te waarderen, dat wil zeggen veel respect voor hen te hebben.

12 En wij vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden, u leiding geven in de Here en u terechtwijzen,

13 en hen uitermate hoog te achten in liefde, om hun werk. (1 Thessalonica 5 vers 12 en 13)

Oudsten hebben een zware taak. De HSV en de Telos-vertaling spreken van ‘arbeiden’ en dat schijnt me onvoldoende sterk uitgedrukt. In het Grieks staat er het werkwoord kopiaō en dat betekent zwoegen, zich vermoeien. Hun verdiensten moeten worden erkend, ze mogen van ons horen hoezeer we hun waarderen.

Laat oudsten die goed leiding geven, dubbele eer waard geacht worden, vooral diegenen die arbeiden in het Woord en in de leer. (1 Timotheüs 5 vers 17)

Het moet ons iets mogen kosten. Vandaar dat er staat ‘dubbele eer’.

Erkennen en waarderen moet ook tot uiting komen in onze gehoorzaamheid. We luisteren naar hun onderwijs en volgen hun voorbeeld na. Hier komt niet slechts de zwaarte van de taak naar voren, maar vooral de grote verantwoordelijkheid die ze dragen. Zij waken over de zielen van de gelovigen, zorgen ervoor dat ieder van hen kan zingen ‘it is well with my soul’ (zie Psalm 62). Oudsten weten niet alleen van de zwaarte van de taak, ze beseffen ook dat ze na dit leven verantwoording moeten afleggen aan de Opperherder (1 Petrus 5 vers 4). Zo’n vooruitzicht kan als een last aanvoelen, maar de positieve houding van de gelovigen kan maken dat oudsten en voorgangers nu al met vreugde naar dat moment mogen uitzien – zij zijn in dit opzicht als Christus (Hebreeën 12 vers 2).

Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut. (Hebreeën 13 vers 17) 

Hierboven schreef ik al even over een materiële vergoeding. Dit is zo vanzelfsprekend dat ik hier volsta met het weergeven van een aantal tekstplaatsen. Een goed verstaander heeft hier maar een half woord nodig.

Als wij bij u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel als wij van u het stoffelijke oogsten? (1 Korinte 9 vers 11)

En laat hij die onderwezen wordt in het Woord in alle goede dingen delen met hem die onderwijs geeft. (Galaten 6 vers 6)

Zo heeft de Here ook met het oog op hen die het Evangelie verkondigen, opgedragen dat zij van het Evangelie leven. (1 Korinte 9 vers 14) 

Want de Schrift zegt: Een dorsende os mag u niet muilkorven, en: De arbeider is zijn loon waard. (1 Timotheüs 5 vers 18) 

Herkennen en erkennen

Aan wie ontleent de oudste zijn gezag? Het Nieuwe Testament stelt met nadruk dat het – zoals we tegenwoordig gewend zijn – niet aan de gemeente c.q. de kerkenraad is oudsten te kiezen:

Nadat zij (Paulus en Barnabas) nu voor hen in elke gemeente oudsten hadden gekozen, baden zij met vasten en droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd. (Telos)(Handelingen 14 vers 23)

Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb. (Telos)(Titus 1 vers 5)

Oudsten worden aangesteld, want gezag komt niet van onderaf, maar van boven. Dat wordt bevestigd in het verslag van het afscheid van Paulus van de oudsten te Efeze:

Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van zijn eigen [Zoon]. (Telos)(Handelingen 20 vers 28)

Paulus en Barnabas stelden oudsten aan. Paulus delegeerde die taak ook aan anderen, zoals Titus. Duidelijk blijkt echter dat zij weliswaar de uitvoerders van deze activiteit waren, maar dat het de Heilige Geest is die de oudsten in hun verantwoordelijkheid plaatst. Ook hier blijkt weer dat vertalen een nauwkeurige en gewetensvolle bezigheid is. Je kunt hier en daar duidelijk de opvatting van de vertalers herkennen. Neem nu Handelingen 14 vers 23.

Telos-vertaling Herziene Statenvertaling
Nadat zij nu voor hen in elke gemeente oudsten hadden gekozen, baden zij met vasten en droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd. En toen zij in elke gemeente door het opsteken van de handen voor hen ouderlingen gekozen hadden en onder vasten gebeden hadden, droegen zij hen op aan de Here, in Wie zij [nu] geloofden.

Op grond van de Telos-vertaling kunnen we stellen dat Paulus en Barnabas oudsten kozen en aanstelden. De Herziene Statenvertaling daarentegen suggereert dat er een proces plaatsvond onder leiding van Paulus en Barnabas waarin de gemeente oudsten kozen (door het opsteken van handen!!). Wie kozen er nu? De beide apostelen of de gemeente? Let ook op het naamsverschil van de gekozenen: oudsten of ouderlingen. Het gebruik van het woord ouderlingen draagt bij aan het gevoel van legitimiteit van de Herziene Statenvertaling, die de gemeente duidelijk zeggenschap toedicht, terwijl andere Schriftplaatsen aantonen dat de gemeente juist geen zeggenschap heeft. Beslissend is het ‘voor hen’ wat inhoudt: ten behoeve van hen. Paulus en Barnabas waren degenen die kozen ten behoeve van de gemeenten.

Opmerkelijk genoeg worden diakenen (eigenlijk: dienaars) wél aangedragen door de gemeente. Het daadwerkelijk aanstellen wordt dan weer door de apostelen gedaan.

Zie daarom uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van wie men een goed getuigenis geeft, vol van de Heilige Geest en van wijsheid, die wij voor deze noodzakelijke taak zullen aanstellen. (Handelingen 6 vers 13)

Ook in het geval van een geldzending vindt er een soort verkiezing plaats.

En wanneer ik bij u gekomen ben, zal ik hen die u daarvoor geschikt acht, met brieven sturen om uw gave naar Jeruzalem over te brengen. (1 Korinte 16 vers 3)

Ten slotte komen sommige instructies een beetje onlogisch over als je ze beschouwt in het licht van ‘verkiezen’. Voorbeeld: waarom vraagt Paulus de Thessalonicenzen de daar werkzame oudsten en opzieners te erkennen, respect voor hen te hebben, en hun inzet te waarderen? Paulus’ vraag is meer dan terecht want de Heilige Geest werkt in en door hen, want ze doen hun werk ‘in de Here’:

En wij vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden, u leiding geven in de Here en u terechtwijzen (1 Thessalonica 5 vers 12)

Het levert een vreemde volgorde op. Men kiest eerst en gaat daarna pas erkennen en waarderen? Je kiest toch juist iemand omdát je hem erkent en waardeert? We lazen eerder dat deze mensen zijn aangesteld door de Heilige Geest (Handelingen 14 vers 23 en 20 vers 28). Zij hebben hun gezag van bovenaf ontvangen. Als we inzien dat oudsten worden aangewezen in plaats van gekozen is de volgorde wel logisch.

Maar hoe moet het nu in onze tijd? Wie moet dan ouderlingen kiezen en aanstellen? De apostelen zijn al eeuwen niet meer onder ons, en hun directe opvolgers ook niet. Op deze vraag kom ik in het volgende artikel terug.

Klacht tegen oudsten

Ook oudsten kunnen de fout in gaan, en dat kan leiden tot klachten. In zulke gevallen is het belangrijk om extra zorgvuldig te handelen. Het is niet goed zomaar op geruchten af te gaan, laat staan op kwaadsprekerij. Daarom is het belangrijk om de klacht zelf goed te onderzoeken. Eerst moet men weten of de klacht terecht is, en of het echt nodig is om er iets aan te doen. Daarom:

Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij onder twee of drie getuigen. (Telos)(1 Timotheüs 5 vers 19)

En:

Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men ook zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast. (Deuteronomium 19 vers 15)

Als er niet twee of drie getuigen zijn, mag Timotheüs een klacht niet aannemen, laat staan behandelen. Zo worden de oudsten beschermd tegen valse beschuldigingen en ongegronde vermoedens.

Dus, pas als vaststaat dat er sprake is van ongerechtigheid of zonde, kan men de zaak in het openbaar brengen. Niet eerder. We zien hier dus een tweeërlei verschil met Mattheüs 18. Daar gaat het om zonde tussen twee gelovigen. De gemeente heeft er geen weet van, de handelingen zijn er op gericht dat – indien mogelijk – zo te houden. Hier is de procedure er juist op gericht de zaak openbaar te maken:

Stel hen die zondigen in tegenwoordigheid van allen aan de kaak, opdat ook de overigen vrees hebben. (Telos)(1 Timotheüs 5 vers 20)

Waarom hier wel meteen in het openbaar? Als een leider een slecht voorbeeld geeft, kan dat anderen verleiden om ook minder streng te zijn met zonde. Daarom is het belangrijk om in zo’n geval een openlijke bestraffing te geven. Dit zorgt ervoor dat ‘ook de overigen vrees hebben’, oftewel dat anderen zich bewust worden van de gevolgen en zich beter gedragen. Een openlijke bestraffing werkt preventief en helpt anderen om op het rechte pad te blijven. Ten slotte is het van belang oog te hebben voor de ‘geestelijke ooggetuigen’, God, de Here Jezus en de aan God trouw gebleven engelen:

Ik bezweer u, ten overstaan van God en de Here Jezus Christus en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen in acht neemt zonder vooroordeel en zonder iets uit partijdigheid te doen. (1 Timotheüs 5 vers 21)

God en de Here Jezus zijn van alles getuige, omdat ze alomtegenwoordig en alwetend zijn. Engelen zijn dat niet, maar kunnen toch dikwijls ‘verborgen’ aanwezig zijn (Mattheüs 18 vers 10; 1 Korinte 11 vers 10; 1 Petrus 1 vers 12).

God is onpartijdig (Deuteronomium 10 vers17-18). Dat maakt dat tuchtprocedures met de grootste zorgvuldigheid moeten worden uitgevoerd. Het hebben van een vooroordeel is meestal negatief en voorbarig. Men heeft zijn oordeel – veelal afwijzend – al klaar. Partijdigheid werkt precies andersom. Men geeft één kant het voordeel, is dus vooringenomen, bevooroordeeld. Denk aan de scheidsrechter die partijdig is, zo iemand ziet de fouten van zijn favoriete ploeg niet.


1) Paulus spreekt in Handelingen 19 over twee jaar, en in Handelingen 20 over drie. Dat lijkt een tegenstrijdigheid, maar kan worden verklaard door de manier van tellen in die tijd. Zie hier voor een nadere toelichting.

2) Wereldlijke is wat anders dan ‘werelds’. Wereldlijk betekent: uit niet-geestelijke bron, gebaseerd op menselijk wijsheid (1 Korinte 1 vers 21a). Werelds: houdend van aardse genoegen, meer liefhebbers van zingenot dan liefhebbers van God (2 Timotheüs 3 vers 4)

3) Uiteraard kan een rechter een gelovige zijn. Maar daarmee wordt het inschakelen van het systeem van de rechtspraak nog niet de van God gegeven weg.