Heetgebakerd
Scheuringen zijn droevige gebeurtenissen, en hoewel het soms echt niet anders kan, hoe dikwijls had uiteengaan kunnen worden voorkomen. Iedereen begrijpt dat dwaalleer of het laten geworden van ernstig moreel kwaad uiteindelijk kan leiden tot vertrek van degenen die Paulus ‘beproefden’ noemt (1 Korinte 11 vers 19).
Feit is echter ook dat onverenigbaarheid van karakters een grote, zo niet doorslaggevende rol kan spelen. Als de apostel in de brief aan de Galaten de Geest tegenover het vlees zet, zien we meteen weer hoe veel realiteitszin de Schrift bevat. Immers, aan de vruchten kent men de boom. Zo is het ook met de vrucht van de Geest versus de werken van het vlees. Als elke relatie binnen een gemeente gebouwd zou zijn op de ondergrond van de vrucht van de Geest, zouden een hoop problemen kunnen worden voorkomen: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, (…), zachtmoedigheid, zelfbeheersing (Galaten 5 vers 22). Wat hebben we dat toch nodig! Maar helaas, binnen vele gemeenten zijn de werken van het vlees duidelijk(er) herkenbaar: (…) vijandschappen, ruzie, afgunst, woede-uitbarstingen, egoïsme, onenigheid, (…), jaloersheid, (…)(Galaten 5 vers 20-21).
Is het bovendien niet zo dat we maar al te vaak schouderophalend aan deze lessen van Paulus voorbijgaan? Zo van: dat weten we nu wel? Nu, we weten het niet, er ontbreekt zoveel aan onze praktische kennis.
Lees wat Jakobus schrijft:
14 Wanneer u (…) bittere afgunst en eigenbelang in uw hart hebt, beroem u dan niet en lieg niet tegen de waarheid.
15 Dat is niet de wijsheid die van boven komt, maar ze is aards, natuurlijk, duivels.
16 Want waar afgunst en eigenbelang is, daar heersen wanorde en allerlei kwade praktijken. (Jakobus 3 vers 14-16)
Lees wat Paulus schrijft:
14 (…) U zult uw naaste liefhebben als uzelf.
15 Maar als u elkaar bijt en verslindt, pas dan op dat u niet door elkaar verteerd wordt. (Galaten 5 vers 14-15)
Laten wij geen mensen met eigendunk worden, elkaar niet uitdagen en benijden. (Galaten 5 vers 26)
Genoeg hierover …
Als het niet goed zit tussen de ander en mij: ik zit fout
We willen dan nu naar de Here Jezus Zelf luisteren. Hij roept ons daartoe velen malen op, bijvoorbeeld:
Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel (Mattheus 11 vers 29)
De Here zegt hier dat wie Zijn woorden ter harte neemt, rust en vrede zal vinden. In de bergrede vinden we dergelijke lessen. Sommige lijken op het eerste gezicht niet op ons christenen van toepassing te zijn. Maar dat is slechts schijn. Neem nu dit gedeelte:
23 Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft,
24 laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. (Mattheüs 5 vers 23-24)
De geschetste situatie is er een uit de tijd dat de tempeldienst nog gaande was. Het offer waarover de Here Jezus hier spreekt is een lofoffer of een dankoffer. Het werd gebracht op het brandofferaltaar in de voorhof. In Leviticus 1 lezen we over het hoe en waarom van brandoffers. Driemaal wordt geconcludeerd: Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de Here (vers 9, 13 en 17). Het is een aan God gewijd offer, vrijwillig, om Hem te eren of te danken. Hetzelfde geldt voor het graanoffer (spijsoffer) uit hoofdstuk 2, en het dankoffer uit Leviticus 3, allebei vuuroffers, en ‘een aangename geur voor de Here’.
De Here Jezus stelt dit gebeuren niet aan de orde omdat het met de offerprocedure fout gaat. Het gesignaleerde probleem slaat namelijk niet op het offer, maar op de degene die offert. Zoals zo vaak gaat het de Here Jezus om de hartsgesteldheid (zie 1 Samuël 16 vers 7). Duidelijk blijkt dat het niet goed zit met de offeraar: zijn broeder heeft iets tegen hem. Gezien de inhoud van de voorgaande verzen zal het gaan om een kwetsende opmerking, of misschien zelfs wel een complete scheldpartij. Hoe dit ook zij, de gang van zaken klopt van geen kant. Er zit een luchtje aan. Van de welriekende geur voor de Here is weinig over.
De Here Jezus dringt er daarom op aan het offer te laten waar het is, terug te keren naar huis, de zaak in orde te maken, en dan het offer alsnog te brengen. Liefhebbers van een letterlijke uitleg komen hier zichzelf tegen. Stel dat de offeraar in Nazareth woonde. Dat betekent een reis van dik 150 km heen en terug. Te voet moet je dan rekenen op zo’n veertien dagen. Op een ezel, of te paard zal het aanzienlijk sneller gaan, maar toch … Al die tijd ligt het offerdier op het altaar te wachten. Over een welriekende reuk gesproken.
Het gaat dus om het hart van de offeraar. Als daarin iets is waarvan de betrokkene drommels goed weet dat het niet deugt, kan hij niet voor de Here verschijnen. Het maakt ook niet uit hoe groot, hoe kostbaar het offer is. Eerst in orde brengen, en kom dan om te offeren.
Gelukkig is de christen niet onder de wet, en hoeft hij niet naar de tempel om aan zijn plichten te voldoen. De gelovige mag juist overal op aarde naderen tot God (Johannes 4 vers 21). Hebreeën 10 vers 22-23 roept ons daartoe op. Maar er zijn wel een aantal voorwaarden:
We moeten naderen …
met een waarachtig hart (1),
in volle zekerheid van het geloof (2),
met een hart gereinigd van een slecht geweten (3),
met een lichaam gewassen met rein water (4),
onder de blijvende belijdenis van de hoop (5).
Wat wil dat zeggen?
1 Onze houding moet oprecht en toegewijd zijn: met oprechte bedoelingen;
2 Ons geloof is het bewijs van de dingen die we niet zien: geen ruimte voor twijfel, in het volste vertrouwen;
3 Ons hart moet rein zijn: innerlijk overtuigd dat alle kwaad van ons afgespoeld is;
4 Ons hart en lichaam dient te zijn gewassen door de reinigende werking van de omgang met Gods woord (Johannes 15 vers 3; Efeze 5 vers 26); 1)
5 We zijn ons bewust van onze afhankelijkheid van de Here Jezus in alle dingen; zonder Hem kunnen we niets doen (Johannes 15 vers 5).
Al ons bidden, danken en lofprijzen is alleen mogelijk omdat de Here Jezus de weg tot God geopend heeft. Dat wil echter niet zeggen dat we maar wat mogen aanmodderen. God heeft geen behagen in nalatigheid, in slordigheid. Sterker, Hij had en heeft Zijn eigen hoge gedachten over het tot Hem naderen van de gelovige:
Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied. (Hebreeën 12 vers 28)
Ook onder het oude verbond was niet het offeren primair, maar de gezindheid waarmee men dat deed (Hosea 6 vers 6). Als wij dank offeren, geldt voor ons precies hetzelfde. Niet de mooie woorden zijn bepalend, maar de gezindheid waarmee we dat doen. (Filippi 2 vers 5; Johannes 13 vers 15):
Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. (Hebreeën 13 vers 15)
Daarom, laten we de vermaning uit Mattheüs 5 aangaande het offeren eens naar onze tijd verplaatsen:
23 Als u dan in de samenkomst (of praisedienst!) in gebed en zang God lof offert en u zich op dat moment herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft,
24 sluit uw mond en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en maak de Here groot op een waarachtige manier. (Mattheüs 5 vers 23-24)
Merk op dat in principe niemand op de hoogte hoeft te zijn van de verstoorde verhouding. God weet het, en de beide betrokkenen. Als het zo in orde gemaakt wordt, leidt dat niet tot allerlei ongewenste praatjes. Als de verstoorde verhouding is rechtgetrokken, is het hart rein tegenover God, zonder een geweten dat ons veroordeelt (1 Timotheüs 1 vers 5).
Grondhouding
Nu kan de indruk ontstaan dat eventuele problemen het beste in een goede gezindheid kunnen worden opgelost. Die indruk is correct. Maar het is niet het hele verhaal. We moeten nog een stap verder, en stuiten dan op de communicatie zelf. Hoe sta je tegenover de ander in een (maakt niet uit wat voor) gesprek? Simpel gezegd: is je innerlijke houding positief of negatief? Positief is dan een liefdevolle grondhouding, negatief een gevoel van vijandschap en afkeer tegen iemand. De boodschap van de Bijbel is dat die innerlijke houding cruciaal is in het sociale verkeer tussen broeders en zusters. En zo bezien worden teksten als de onderstaande twee ineens heel logisch:
Haat wekt twisten op, maar liefde bedekt alle overtredingen. (Spreuken 10 vers 12)
Maar heb voor alles vurige liefde voor elkaar, want de liefde zal een menigte van zonden bedekken. (1 Petrus 4 vers 8)
Een vijandige instelling leidt tot conflicten, een liefdevolle voorkomt ze. Dat is de boodschap van Spreuken, en van Petrus. Maar let op, een negatieve houding voorkomt niet dat iemand heel aardig klinkt. Evenzo betekent iemands gestamel niet dat diens innerlijke gesteldheid negatief zou zijn. Nee, hier ontwaren we iets van de werking van de Heilige Geest. Het betreft een geestelijke wetmatigheid. Als de Heilige Geest werkt, dan kan het niet anders dan dat er vrucht is (Galaten 5 vers 22). Luister naar de Here Jezus:
34 Een nieuw gebod geef Ik u, namelijk dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, moet u ook elkaar liefhebben.
35 Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt. (Johannes 13 vers 34-35)
Het gebod van de Here Jezus is zo geen opgave maar een voorrecht, een gave. En ook Diens samenvatting van de wet krijgt zo een extra dimensie:
U zult de Here, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf. (Lukas 10 vers 27)
En ten slotte is het opnieuw Paulus die – geleid door de Heilige Geest – tot een prachtige weergave van deze waarheid komt:
4 De liefde is geduldig, zij is vriendelijk, de liefde is niet jaloers, de liefde pronkt niet, zij doet niet gewichtig,
5 zij handelt niet ongepast, zij zoekt niet haar eigen belang, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad,
6 zij verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar verheugt zich over de waarheid,
7 zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. (1 Korintiërs 13 vers 4-7)
Ziet u hoe praktisch dit allemaal is?
Als het niet goed zit tussen de ander en mij: hij zit fout
De Here Jezus heeft in Mattheus 18 een bondige route gewezen hoe te handelen in geval van zonde van een medegelovige. Helaas is er veel misverstand over de reikwijdte van deze aanwijzingen. Men zegt dan dat wanneer een van de broeders of zusters zondigt – in diens levenswandel, in diens leer -, het de plicht van elke gelovige zou zijn de betrokkene daar op aan te spreken. Dat komt uiteraard voor, maar daarover gaat het niet in dit gedeelte.
Zoals altijd geldt namelijk ook hier dat het verband waarin de Here Jezus deze dingen leert mede bepalend is voor de uitleg. Welnu, voorafgaand aan deze woorden, heeft de Here gesproken over het terugbrengen van een verloren schaap. De praktische aanwijzingen die daarop volgen zijn als het ware een gebruiksaanwijzing. De Goede Herder vertelt hoe je dat doet, een schaap terugbrengen. Bovendien zien we dat het in feite de Goede Herder is, die Zich van gelovigen bedient om een afgedwaald schaap terug te brengen.
Daarmee vervalt het beeld dat deze aanwijzingen een ‘duizend-dingen-doekje’ zou zijn, waarmee elk tuchtprobleem kan worden aangepakt. Het is niet voor niets dat in de brieven van Paulus, Petrus en Jakobus uitvoerig aanwijzingen worden gegeven hoe te handelen in specifieke gevallen. Die aanwijzingen zijn in geen enkel opzicht overbodig, ze hebben hun eigen plaats en functie naast Mattheus 18. We gaan lezen:
15 Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga naar hem toe en wijs hem terecht tussen u en hem alleen; als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen.
Het begint als een zaak tussen twee personen: ‘uw broeder tegen u’ 2). Er staat niet bij wat de aard van de zonde is, maar het is ernstig genoeg om de onderlinge verhouding te torpederen. Het is de ‘benadeelde’ partij die op pad wordt gestuurd. Ga naar hem toe en wijs hem terecht. Nadrukkelijk wordt herhaald: ’tussen u en hem alleen’. De gewenste uitkomst is dat de broeder luistert, zijn zonde belijdt in gebed tot God en de benadeelde broeder om vergeving vraagt. De broeder is dan gewonnen (het schaap is terecht), en onderlinge verzoening kan plaatsvinden. Bovendien: de zaak blijft voor ieder ander buiten zicht. Alleen de beide betrokkenen weten ervan.
16 Maar als hij niet naar u luistert, neem er dan nog een of twee met u mee, opdat in de mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.
Het kan helaas ook zo zijn dat ‘de broeder’ niet luistert. Er vindt geen verzoening plaats. Integendeel, de benadeelde moet een tweede keer op pad. Ter ondersteuning neemt hij een of twee broeders mee: zij zullen optreden als getuigen. Let erop dat deze getuige(n) niet bij de gewraakte slechte daad aanwezig waren. Zij treden dan ook niet op als getuige om het terechte van de aanklacht te bevestigen. Nee, zij zullen er getuige van zijn dat de ‘benadeelde’ de broeder terecht wijst. Als de broeder weer weigerachtig reageert kan dat dan ook door de meegekomen broeder(s) worden bevestigd.
17 Als hij niet naar hen luistert, zeg het dan tegen de gemeente. En als hij ook niet naar de gemeente luistert, laat hij dan voor u als de heiden en de tollenaar zijn 3).
Dit alles speelt zich af binnen de grenzen van een lokale gemeente. De schuldige, de benadeelde (vers 15) en de twee getuigen maken deel uit van die gemeente.
Tweemaal heeft de benadeelde de ‘dader’ terechtgewezen, tweemaal wilde hij niet luisteren. De benadeelde waagt nu nog één poging in het midden van de gemeente. De consequentie daarvan is dat de zaak nu wel openbaar wordt gemaakt. Hij wijst ‘de broeder’ andermaal terecht, en beide getuigen bevestigen indien nodig dat dit ook al eerder is gebeurd. Dan is de gemeente aan zet: bij monde van een vooraanstaande broeder nemen zij de klacht over en spreken ‘de broeder’ aan op zijn gedrag tegenover de ‘benadeelde’. Deze kan halsstarrig blijven weigeren. Is dat het geval dan wordt de onderlinge gemeenschap met ‘de broeder’ beëindigd. De boosdoener komt buiten de geloofsgemeenschap te staan. En dat zal zo blijven totdat hij tot inkeer komt. Hoe ernstig dit alles is, moge blijken uit het volgende vers:
18 Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel.
In de hemel wordt het besluit van de plaatselijke gemeente op aarde erkend! Dus, de gemeente heeft inderdaad de bevoegdheid iemand uit te sluiten. Maar die erkenning is er alleen als de gemeente eenstemmig is, zoals ook blijkt het volgende vers:
19 Wederom, voorwaar Ik zeg u, dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is.
Eenparig staat er, hetgeen unaniem betekent. Gezien het verband slaat dit in de eerste plaats op de wijsheid ten behoeve van een tuchtmaatregel. Er staat echter ‘iets’, de belofte slaat dus ook op andere gebedsonderwerpen, zoals we gelukkig allemaal weten. Bovendien wordt nog een andere belofte gedaan:
20 Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.
Samenkomen ‘in Zijn Naam’ (beter: ’tot Zijn Naam’) betekent bijeen om gezamenlijk de ‘Naam boven alle naam’ te belijden (Filippi 2 vers 9). Alleen dan is er sprake van eenparigheid, alleen dan geldt de belofte uit vers 19.
De allesoverheersende vraag is nu wat wij doen als wij ‘de benadeelde partij’ zijn? Als wij niet proberen tot verzoening te komen, handelen we niet in de geest van de liefde. Bidt u voor mensen die u onrecht hebben aangedaan (Mattheus 5 vers 44)? Bidt u om hun veroordeling of om hun herstel?
Noten
1) Sommigen menen hier de doop te herkennen. Dat kan echter niet kloppen, want dan zou elke gelovige die om welke reden dan ook (nog) niet gedoopt is niet tot de Here mogen naderen.
2) Er is verschil van mening aangaande het ‘tegen u’ uit vers 5. Volgens sommigen hoort dat er niet bij. Als zij gelijk hebben krijgt dit geheel een compleet andere betekenis. De Here Jezus zou dan zeggen: ‘Indien uw broeder zondigt (tegen God)’. De Here Jezus zou ons dan allen aansporen om actie te ondernemen wanneer hij of zij een zonde zou ontwaren bij maakt-niet-uit welke broeder of zuster. In Lukas 17 vers 3 staat echter een parallelle tekst. Deze luidt: ‘Wees op uw hoede. Als nu uw broeder tegen u zondigt, bestraf hem. En als hij tot inkeer komt, vergeef hem.’ Ook hier dus ’tegen u’, en daarom gaat het uitsluitend om een zaak tussen twee personen.
3) De plaatselijke gemeente kan iemand beschouwen ‘als heiden of als tollenaar’. Zo iemand is buitengesloten. Uit alles blijkt echter dat het nooit de bedoeling kan zijn iemand op persoonlijke titel uit te sluiten. Niemand, maar dan ook niemand heeft die bevoegdheid.
