Afkeer
Wie over tucht begint moet niet verbaasd opkijken als hem smalend ‘Ha! Inquisitie!’ of iets dergelijks voor de voeten wordt geworpen. Uiteraard hebben we het niet over de praktijken van vroeger. De kerk trad destijds op als aanklager, rechter en beul. Hoe erg wil je het hebben. Beter kijken we naar wat de Bijbel over dit onderwerp te zeggen heeft. Zo stelt Jakobus het zielenheil van de (af)dwalende broeder of zuster centraal.
19 Broeders, als iemand onder u van de waarheid is afgedwaald en een ander doet hem terugkeren,
20 weet dan dat hij die een zondaar van zijn dwaalweg doet terugkeren, een ziel zal redden van de dood en een menigte van zonden zal bedekken. (Jakobus 5 vers 19-20)
Feit is dat twintig eeuwen kerkgeschiedenis laat zien dat zowel aangaande de leer als de levenswandel van alles is misgegaan. Een ‘laat maar zitten’ is echter de weg van de minste weerstand. Hoe dan wel? Tucht is er ten dienste van de individuele gelovige en het rein en heilig houden van de Gemeente als geheel. Dit artikel is niet bedoeld om een uitputtende uiteenzetting over Bijbelse tucht te geven. Dat vergt een (of meer) boek(en). Wel wil ik enkele dingen aanstippen. Paulus zet de juiste (ver)houding neer aangaande goed en kwaad:
Want uw gehoorzaamheid is tot allen doorgedrongen. Ik verblijd mij dan ook over u en ik wil dat u wijs bent wat het goede betreft, maar ook oprecht wat het kwade betreft. (Romeinen 16 vers 19)
Wijs zijn in het goede, oprecht in kwade. Het goede is alles wat het evangelie betreft. Het kwade is hier dwaalleer. Laat je er niet door beïnvloeden! Hoe dan? Wel, bijvoorbeeld door contact met verspreiders van verkeerde leer uit de weg te gaan:
En ik roep u ertoe op, broeders, hen in het oog te houden die onenigheden teweegbrengen en struikelblokken opwerpen tegen het onderricht dat u hebt ontvangen, en keer u van hen af. (Romeinen 16 vers 17)
De gevolgen van hun activiteiten zijn duidelijk. Het veroorzaakt onenigheid (beginstadium van scheuring!) en het leidt de aandacht af van de Here Jezus, het vestigt de aandacht op bijzaken. Toch kan het niet zo zijn dat we met de botte bijl op elke broeder of zuster mogen afstappen, van wie we vermoeden (?) of weten (?) dat iets niet goed zit:
Broeders, ook als iemand onverhoeds tot enige overtreding komt, moet u die geestelijk bent, zo iemand weer terechtbrengen, in een geest van zachtmoedigheid. Houd intussen uzelf in het oog, opdat ook u niet in verzoeking komt. (Galaten 6 vers 1)
We zijn immers geen haar beter …
De realiteit vandaag de dag
Naast dwaalleer vraagt moreel kwaad voortdurend de aandacht. Grote namen blijken soms jarenlang in zonde te leven. De laatste jaren haalden Bill Hybels, Ravi Zacharias Carl Lentz, Brian Houston, Tullian Tchividjian en onlangs nog Philip Yancey de voorpagina’s. Ze hadden allen op de een of andere manier een dubbelleven geleid. Wat een ellende, en wat een schande. Hier geldt het verwijt dat de profeet Nathan David maakte na zijn overspel met Bathseba.
Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de Here zeer hebt doen lasteren, (…)
Maar u hebt de vijanden van de Here aanleiding gegeven Hem te beledigen en Zijn naam te misbruiken. (…)(Het Boek)(2 Samuel 12 vers 14)
Lasteren is slechte dingen over iemand vertellen die niet waar zijn. In dit geval zal het iets zijn geweest in de trant van ‘Als God liefde is, waarom laat Hij dan al die ellende toe? Waarom grijpt Hij niet in? Of kan Hij misschien niet ingrijpen? Dan is Hij dus helemaal niet zo almachtig!’ Enzovoorts. Het kan ook gericht zijn op de gelovigen zelf. Dan krijg je opmerkingen als ‘Wat een schijnheilige kerel, en dat noemt zich nou christen!’
Dat we als gelovigen dergelijke smalende betitelingen over ons heen krijgen is vervelend. Maar als God Zelf belasterd wordt, zouden we op onze achterste benen moeten staan. We zijn verontwaardigd en laten dat duidelijk merken!
Verandering van denken
Paulus laat in zijn Efezebrief zien wat iedere gelovige zou moeten weten, zeker zij die zich presenteren als leraar.
(I) Alle mensen bewandelen van nature de verkeerde weg. Ze denken verkeerd, en als gevolg daarvan leven ze ook verkeerd.
17 Het volgende zeg ik met grote nadruk in naam van de Heer: je moet niet meer leven zoals de heidenen, met hun oppervlakkige opvattingen.
18 Hun verstand is verduisterd en ze zijn vervreemd van het leven dat God geeft, want ze zijn een en al domheid en afstomping geworden.
19 Alle gevoel hebben ze verloren en ze hebben zich overgegeven aan losbandigheid; ze kennen geen grenzen bij het bedrijven van allerlei gemeenheid.
(II) Alleen in Christus leer je wat de waarheid is, dat je een nieuwe schepping moet worden, die niet langer leeft als de heidenen doen.
20 Maar jullie hebben heel wat anders geleerd: je hebt Christus leren kennen.
21 Je hebt immers van hem horen vertellen en je hebt als christenen geleerd welke waarheid in Jezus naar voren komt:
22 dat je mèt je vroegere manier van leven ook je oude menselijke natuur weg moet doen, die zich door zijn begeerten laat bedriegen en eraan te gronde gaat.
(III) Dat betekent dat het verkeerde denken moet worden vervangen door het goede denken, zodat je oude leven verdwijnt en je ‘in ware rechtvaardigheid en heiligheid’ mag leven.
23 Je denken moet helemaal nieuw worden,
24 je moet de nieuwe menselijke natuur aannemen die God laat ontstaan, en die blijkt uit een rechtvaardige, godvrezende houding die voortkomt uit waarheid. (Efeze 4 vers 17-24, vertaling Anne de Vies)
Kortom, het begint met het denken, dat geldt voor ongelovigen, het geldt ook voor gelovigen. Ook zij kunnen (opnieuw) verkeerd denken, en ten gevolge daarvan (opnieuw) verkeerd leven. De voorbeelden spreken voor zich. Bekend of onbekend, deze waarheid gaat ons allemaal aan.
Geen wonder dus dat dwaalleer zo krachtig bestreden moe(s)t worden. Dwaalleer is een rechtstreekse poging van satan om gelovigen terug te doen keren naar de denkwijze(n) van voor hun bekering. Zie ook Romeinen 12 vers 2.
Verschillende wijzen van handelen
De Schrift is heel genuanceerd over het aanpakken (van berijders) van scheve schaatsen. Hier eerst een opsomming van de diverse termen die we in de Schrift tegenkomen; onderstaande bewoordingen komen vooral uit de Telos-vertaling.
| Vermanen | Iemand waarschuwen of adviseren met een opbouwende bedoeling, gericht op verbetering (Filippi 4 vers 2). |
| Berispen | Iemand scherp terechtwijzen of bekritiseren, meer afkeurend en kritisch van aard, (Het woord berispen wordt bij mijn weten in geen enkele vertaling gebruikt – in de grondtekst staat dan gewoon ‘vermanen’. Maar uit de context blijkt dat het wel degelijk om iets anders gaat dan het eerste ‘vermanen’ (1 Timotheüs 5 vers 1). |
| Bestraffen | Gelijk aan berispen maar nu eventueel in combinatie met tekening (1 Timotheüs 5 vers 20; Titus 2 vers 15) |
| Onttrekken | Afstand nemen van de boosdoener (2 Thessalonica 3 vers 6; Romeinen 16 vers 17) |
| Tekenen | Iemand als zodanig (een scheuringmaker, een dwaalleraar, etc.) bekend maken; aan de kaak stellen (2 Thessalonica 3 vers 14-15) |
| Verwerpen | Uit de gemeente verwijderen (Titus 3 vers 10-11; 1 Korinte 5 vers 13) |
| Uitsluiten | Iemand als een heiden of een tollenaar behandelen |
De vraag is bij wie de verantwoordelijkheid ligt in deze zaken. Wie vermaant? Wie tekent? In een ideale wereld zouden alle gemeenteleden daartoe geroepen zijn, maar die wereld is er (nog) niet. En trouwens, als die er al wel was, had de noodzaak tot tucht niet meer bestaan.
Er zijn drie ‘groepen’ met de verantwoordelijkheid het pad van tucht te bewandelen:
- In onderlinge gevallen: elk gemeentelid – we vinden de regels daartoe in Mattheüs 18;
- In zaken die de hele gemeente aangaan: voorgangers, oudsten en opzieners;
- In gevallen van uitsluiting: namens de gemeente handelende broeders.
Groep 1 komt in het volgende artikel aan de orde. Laten we daarom eerst eens kijken naar groep 2. Het gaat dan om vermanen, berispen, bestraffen, tekenen en oproepen tot mijding. In het laatste geval – mijding – wordt door voorganger, oudste of opziener de gemeente geactiveerd. Elk lid van de gemeente moet afstand nemen van de boosdoener(s). In de brieven van Paulus gericht aan Timotheüs en Titus, die van Petrus en van Johannes wordt de verantwoordelijkheid bij de aangeschrevene gelegd. Enkele voorbeelden:
Paulus aan Timotheüs:
Wijs hen die zondigen, in tegenwoordigheid van allen terecht, opdat ook de anderen vrees zullen hebben. (1 Timotheüs 5 vers 20)
Paulus aan Titus:
(…) Wijs hen daarom streng terecht, opdat zij gezond zullen zijn in het geloof (Titus 1 vers 13)
Johannes aan ‘de uitverkoren vrouw en aan haar kinderen’:
Als iemand bij u komt en deze leer niet brengt, ontvang hem niet in huis en begroet hem niet. (2 Johannes 1 vers 10)
De Here Jezus aan ‘de engel van de gemeente te Efeze’:
Bedenk (…) van welke hoogte u bent gevallen en bekeer u en doe de eerste werken. (Openbaring 2 vers 5)
De Here Jezus aan ‘de engel van de gemeente te Pergamus’:
Maar Ik heb enkele dingen tegen u, namelijk … (Openbaring 2 vers 4-16)
De Here Jezus aan ‘de engel van de gemeente te Thyatira’:
Maar Ik heb enkele dingen tegen u, namelijk … (Openbaring 2 vers 20-23)
De Here Jezus aan ‘de engel van de gemeente te Sardis’:
Ik ken uw werken, en weet … (Openbaring 3 vers 1-3)
Vermanen
Voorgangers, oudsten of opzieners zijn personen verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de gemeente. Naast dezen noemt Paulus in Efeze 4 apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars. Het werk van de apostelen was het vormen, het stichten van de Kerk / de Gemeente. Bovendien gaven zij aan de nieuw gestichte gemeenten aanwijzingen hoe het in hun midden moest toegaan. Het fundament is de Here Jezus, Diens Persoon, Zijn lijden, Zijn sterven en opstanding, Zijn leer en arbeid, Zijn wonderen en tekenen. Op het fundament bouwden anderen voort. Gebouwd kan worden met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro. Het werk kan dus waardevol zijn, maar ook waardeloos. Profeten, evangelisten, herders en leraars hadden en hebben elk voor zich de verantwoordelijkheid de verdere bouw in goede banen te leiden. Het laat zich raden dat dit bouwproces hevig zal worden aangevallen door de boze. Tucht is een van de middelen om die destructieve activiteiten in te dammen.
Het zijn dwaalleraars en scheurmakers die de bouw frustreren. Uit het Nieuwe Testament komt naar voren dat deze lieden dienen te worden gewaarschuwd. Hebben zij zich na zo’n waarschuwing niet van hun activiteiten bekeerd moeten ze door de leden van de gemeente worden gemeden.
Paulus (en de andere apostelen) hadden ook hierin grote bevoegdheden.
Ik heb het van tevoren gezegd, en zeg van tevoren, als de tweede keer aanwezig en nu afwezig, tot hen die vroeger gezondigd hebben en tot al de overigen, dat ik als ik weerkom, [hen] niet zal sparen (2 Korinte 13:2);
Verwerp een sektarisch mens na [de] eerste en tweede vermaning, (Titus 3:10),
Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met [hem] geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten. (1 Korinte 5:11)
Maar wij bevelen u, broeders, in [de] naam van <onze> Heer Jezus Christus, dat u zich onttrekt aan iedere broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting die zij van ons ontvangen hebben. (2 Thessalonica 3:6)
Ogenschijnlijk bezitten zij godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af. (2 Timotheüs 3:5).
Hetzelfde gold voor de volgende generatie: mensen als Timotheüs en Titus. Zij bezaten het gezag om deze dingen ten uitvoer te brengen. Wel werden zij door Paulus aangemoedigd waar nodig op te treden, en hoe ze dat dan moesten doen. Zo schreef hij het volgende aan Timotheüs:
Blijf bezig met het voorlezen, met het vermanen, met het onderwijzen, totdat ik kom. (1 Timotheüs 4 vers 13)
Timotheüs stond er min of meer alleen voor. Paulus was afwezig, en toch moest het pastorale werk doorgaan. De jonge (en wat onzekere) Timotheüs vervulde die taak door voor te lezen uit de Bijbel (dat wil zeggen, uit het Oude Testament en mogelijk enkele brieven van Paulus). Dit leidde tot een vruchtbare drieslag: Bij het ‘voorlezen’ stond de Bijbel centraal. Het voorgelezene leidde op natuurlijke wijze tot ‘vermanen’ (waarbij de levenswandel centraal staat) en ‘onderwijzen’ (waarbij de geloofsleer alle aandacht krijgt). Zijn jonkheid was geen argument om aan zijn bevoegdheid en gezag te twijfelen.
Laat niemand u minachten vanwege uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geest, in geloof en in reinheid. (1 Timotheüs 4 vers 12)
Ook Titus werd aangemoedigd:
Spreek over deze dingen, bemoedig en wijs met alle gezag terecht. Laat niemand u verachten. (Titus 2 vers 15)
Tegelijkertijd was Paulus niet blind voor de gevaren die jonge mensen op belangrijke posten bedreigen:
Ik bezweer u, ten overstaan van God en de Here Jezus Christus en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen in acht neemt zonder vooroordeel en zonder iets uit partijdigheid te doen. (1 Timotheüs 5 vers 21)
In tijden van grote zelftwijfel:
7 Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid.
8 Schaam u dan niet voor het getuigenis van onze Here, en ook niet voor mij, (2 Timotheüs 1 vers 7-8)
En op het moment dat drift de overhand dreigt te krijgen:
Spoor evenzo de jongere mannen aan bezonnen te zijn. (Titus 2 vers 6)
Iemand handelt ‘bezonnen’ als hij goed nadenkt voor hij iets doet. Het vermaan is gericht tot jonge mannen, die blijkbaar nogal eens onbeheerst te werk gingen, zonder zichzelf onder controle te hebben. Hier komt het overigens ook aan op het geven van een goed voorbeeld, omdat bijvoorbeeld Timotheüs zelf ook nog een jonge man was:
1 Vaar niet uit tegen een oude man, maar spoor hem aan als een vader, jonge mannen als broers,
2 oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters, in alle reinheid. (1 Timotheüs 5 vers 1-2)
Als je iemand vermaant doe je dat met inachtneming van de normale omgangsvormen. Dat houdt in dat je oudere mannen en vrouwen benadert zoals je dat je vader en moeder zou doen. Evenzo spreekt je een jongere aan alsof het je eigen broer of zus is. Paulus zet bij het benaderen van jonge vrouwen de wijze toevoeging ‘in alle reinheid’. Logisch: ‘me-too’ is van alle tijden en alle plaatsen.
Bestraffing
Als vermaning geen resultaat heeft, moet men een stap verder gaan. Dat zal dan iets in de sfeer van consequenties zijn:
Wijs hen die zondigen, in tegenwoordigheid van allen terecht, opdat ook de anderen vrees zullen hebben. (1 Timotheüs 5 vers 20)
Geen geringe stap: iemand nadrukkelijk wijzen waarop het staat, en dat waar de hele gemeente getuige van is. Waarschijnlijk hebben we hier de situatie als beschreven in Mattheus 18 (zie volgend artikel). Iemand wil zijn gedrag niet aanpassen, ook niet nadat twee of drie zich in die richting hebben uitgelaten. De zondaar wordt vermaand in aanwezigheid van de complete gemeente. Dit zal in veel gevallen (niet alle!) voldoende zijn. Het zal bovendien een preventieve uitwerking hebben, omdat anderen beseffen dat (volharden in) zonde ontoelaatbaar is.
Predik het Woord. Volhard daarin, gelegen of ongelegen. Weerleg, bestraf, vermaan, en dat met alle geduld en onderricht. (2 Timotheüs 4 vers 2)
Timotheüs moet het volle evangelie (Efeze 3 vers 18-19) verkondigen, en daar hoort het ontmaskeren van dwaalleraars bij. Weerleggen (aantonen dat iets niet waar is), bestraffen en vermanen zonder daarbij openlijk te ruziën is de aangewezen weg:
13 (…) Wijs hen daarom streng terecht, opdat zij gezond zullen zijn in het geloof,
14 en zich niet zullen bezighouden met Joodse verzinsels en geboden van mensen die zich van de waarheid afkeren. (Titus 1 vers 13-14)
Weerleggen is geen zaak van handig redeneren of overbluffen. Het doel is mensen terug te voeren naar het juiste geloof, en hen afkerig maken van allerlei menselijke hersenspinsels. Zelfs zij die menen het goede te doen door zich in dwaalleer te verdiepen met het oogmerk het te kunnen bestrijden zijn zonder het te beseffen vaak op de verkeerde weg. Zij brengen zichzelf in gevaar (Judas vers 19-23).
Spreek over deze dingen, bemoedig en wijs met alle gezag terecht. Laat niemand u verachten. (Titus 2 vers 15)
Opnieuw gaat het hier om dwaalleer. Titus moet het aan de orde stellen, en zijn gehoor aanmoedigen de Schrift te onderzoeken (of deze dingen zo zijn, Handelingen 17 vers 11) en indien nodig corrigeren. Met gezag! Dat wil zeggen, gegrond in Gods Woord. Verachten? Jazeker, want hoe licht klinkt het verwijt dat prediking te lang, te zwaar, te saai is (Handelingen 20 vers 7-9). De hang naar vernieuwing heeft vaak een verborgen agenda. Men wil meer beleving: de samenkomst als entertainment. Of, weg met dat knellende Schriftgezag: niet meer van deze tijd!
Verwerping
Verwerping wordt toegepast in gevallen van zowel moreel als leerstellig kwaad. Men mag dat echter niet zomaar toepassen. Pas als de betrokkene ook na een tweede terechtwijzing blijft volharden in de gewraakte zonde:
10 Verwerp een ketters mens na een eerste en tweede terechtwijzing.
11 Weet dat zo iemand het spoor bijster is en dat hij zondigt en het oordeel al in zich draagt. (Titus 3 vers 10-11)
Paulus verweet in zijn eerste brief de Korintiërs dat ze iemand die zich schuldig maakte aan hoererij ongemoeid lieten. En dat terwijl het om hoererij ging zo ernstig, dat die zelfs niet onder de heidenen voorkwam (1 Korinte 5 vers 1). Met apostolisch gezag schrijft hij:
3 Ik heb (…) besloten (…) om hem die dat zo gedaan heeft,
4 in de Naam van onze Here Jezus Christus, in de kracht van onze Here Jezus Christus,
5 over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden zal worden op de dag van de Here Jezus. (1 Korinte 5 vers 3-5)
Een kleine tien jaar nadien zal Paulus deze uitdrukking – overgeven aan satan – nogmaals gebruiken, en dan in het geval van valse leer.
Tot hen behoren Hymeneüs en Alexander, die ik aan de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren. (1 Timotheüs 1 vers 20)
Van Hymeneüs wordt later gezegd dat hij beweerde dat de opstanding reeds had plaatsgevonden (2 Timotheüs 2 vers 17-18). Op grond van 1 Korinte 5 vers 2 lijkt het waarschijnlijk dat ‘overgeven aan satan’ synoniem is voor ‘iemand uit het midden van de gemeente wegdoen’. Zo iemand bevindt zich dan niet langer op het terrein van het Koninkrijk van God, maar op satans gebied.
Overigens is het van het grootste belang op te merken, dat tucht niet een soort geestelijke wraakoefening is, maar altijd berouw en bekering, met herstel, tot doel heeft.
Welke dwaalleer?
Dat de Schrift zo dikwijls in felle bewoordingen zich tegen dwaalleer (valse leer) keert, heeft alles te maken met de consequenties die voortvloeien uit dergelijke verkeerde denkbeelden. Dwaalleer trekt de Woorden van God in twijfel. Satan veroorzaakte de zondeval door ‘s werelds eerste dwaalleer te presenteren. Hij is de vader van de leugen (Johannes 8 vers 44), en zijn trawanten werken met hem mee (1 Timotheüs 4 vers 1).
Elke poging om Gods Woord te verdraaien leidt uiteindelijk tot een oordeel van God over de verkondiger; hij of zij moet zich bekeren van deze zonde. Tucht moet worden toegepast om zowel de verkondiger als de toehoorder te beschermen voor een eeuwig verderf.
Veel dwalingen staan opgetekend in de Schrift, en worden als zodanig geïdentificeerd. Een korte blik in het Nieuwe Testament levert meteen een aantal voorbeelden op.
- er is geen opstanding van de doden (1 Korinte 15);
- gelovigen moeten worden besneden, anders is er geen behoud (Galaten 5);
- de dag van Christus is al aangebroken (2 Thessalonica 2);
- de opstanding heeft reeds plaatsgevonden (2 Timotheus 2);
- engelenverering (Kolosse 2).
Daarnaast bestaat veel verkeerde leer in het opzettelijk misinterpreteren van de Schrift. Hieronder een aantal ‘moderne’ dwalingen:
- God heeft de levende natuur op aarde geschapen door een evolutieproces van miljarden jaren en de mens uit het dier doen ontstaan (Theïstisch evolutionisme);
- De mens kan zichzelf niet bekeren en moet dus volstrekt lijdelijk (passief) afwachten totdat God hem bekeert. (Passivisme);
- Alle mensen, hoe goddeloos ook, worden uiteindelijk behouden (Alverzoeningsleer);
- Alle gelovige mannen moeten zich laten besnijden;
- Een gelovige die zondigt hoeft zijn zonde niet aan God te belijden;
- Een gelovige kan hier op aarde al zondeloos worden;
- Geen gelovige hoeft ziek te zijn of te blijven;
- Focus op ervaring, gevoel ten koste van gehoorzaamheid aan de Schrift;
- Focus op wonderen en teken;
- Homoseks en homohuwelijk zijn geoorloofd;
- De Gemeente van Christus begint pas jaren na de uitstorting van de Heilige Geest (ultradispensationalisme);
- De gemeente is in de plaats van het ongehoorzame Israël gekomen en de onvervulde beloften aan Israël worden vervuld in de gemeente (vervangingstheologie);
- Alle voorzeggingen in de Bijbel over de toekomst zijn grotendeels al rond 70 n.C. vervuld (Preterisme);
- De gemeente van Christus moet de wereld veroveren, onderwerpen en regeren (dominionisme);
- Er zal geen eeuwige hel met eeuwig lijden zijn. De zielen der goddelozen zullen worden vernietigd.
Bron: Christipedia
