De Here Jezus
In het eerste artikel van deze reeks hebben we gezien dat Jesaja ‘de Here zag zitten op een hoge en verheven troon’. Hieronder nogmaals die passage uit Jesaja:
1 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here (Adonai) zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel.
2 Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij.
3 En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de Here (JHWH) der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol.
4 En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook.
5 Toen zeide ik: Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is; en mijn ogen hebben de Koning, de Here (JHWH) der heerscharen, gezien. (Jesaja 6 vers 1-5)
Zijn reactie was typerend. Net als zovele anderen vreesde hij te sterven. God zien is dan ook ontzagwekkend. Hij combineerde dat met de wetenschap dat ‘geen mens God kan zien en leven’ (Exodus 33 vers 20). Hij wist zich onrein vanwege zijn eigen zondigheid, bovendien wist hij zich besmet met al het kwaad dat het volk Israël bedreef: ‘ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is’. Twee vragen dringen zich op:
- Wie zag Jesaja op die hoge en verheven troon?
- Hoe kan het dat Jesaja in leven bleef?
(1) Wie heeft Jesaja gezien?
Hij sprak in vers 1 over de Here, in het Hebreeuws Adonai. In vers 5 heeft hij het over de Koning, de Here der heerscharen (JWHW). Wie is die Here, Wie is die Koning? Het evangelie van Johannes geeft het antwoord: JHWH is de Here Jezus! Of ook: de Here Jezus is de JHWH van het Oude Testament. Waarom kunnen we dat zo stellen? Omdat Johannes – geïnspireerd door de Heilige Geest – ons een kleine Bijbelstudie geeft. Hij begint die met het vaststellen van een treurig feit:
Maar hoewel Hij (de Here Jezus) zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofden zij niet in Hem; (Johannes 12 vers 37)
Dit ongeloof was al voorzegd door Jesaja, zegt Johannes, denkend aan Jesaja 53. Heel dat hoofdstuk gaat over de Here Jezus, meteen vanaf het eerste vers. Johannes haalt nu dat vers aan als het begin van een verklaring voor het ongeloof uit vers 37:
opdat het woord van de profeet Jesaja werd vervuld, dat hij heeft gezegd: ’Heer, wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm van de Heer geopenbaard?’ (Johannes 12 vers 38)
In Jesaja’s tijd stond al vast dat de Here Jezus zou worden verworpen, Zijn prediking zou niet worden geloofd. De arm van de Heer wijst op Zijn grote macht. Die macht was zichtbaar geworden in de vele wonderen en tekenen die de Here Jezus deed. Maar helaas, ondanks dat bekeerde het volk zich niet. Nu kwam dat ongeloof niet zomaar uit de lucht vallen. Het was namelijk onderdeel van Gods oordeel over Israël! Kortweg gezegd: eeuwenlang wilde het volk niet geloven, nu maakte God dat ze niet konden geloven. Johannes vervolgt zijn uitleg niet voor niets met het woordje daarom:
39 Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw heeft gezegd:
40 ‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met hun ogen zien en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’. (Johannes 12 vers 39-40)
Het geciteerde staat in Jesaja 6 vers 9. En dan komt Johannes’ wonderlijke conclusie. Al deze dingen gaan over de Here Jezus!
41 Dit zei Jesaja omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak. (Johannes 12 vers 41)
Twee constateringen spreekt Johannes uit. Ten eerste: Jesaja zag Zijn heerlijkheid. Wanneer? We lazen het in het visioen beschreven in Jesaja 6 vers 1-5. Ten tweede: Jesaja sprak van over de Here Jezus. Wanneer? Gedurende zijn gehele bediening. Het boek Jesaja wordt daarom wel ‘het vijfde evangelie genoemd’! De Adonai, de JHWH die Jesaja beschreef is dus onze Here Jezus. Nu is in deze artikelen de heerlijkheid van God ons onderwerp. Welnu: Jesaja zag de heerlijkheid van God, die de heerlijkheid is van de Here Jezus!
Al eerder had de Here Jezus Zelf van deze waarheid getuigd. In een van de twistgesprekken met de farizeeën zei Hij: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik‘ (Johannes 8 vers 58). Dit is een ontzagwekkende uitspraak. Wat zegt onze Here hier? Dit: Abraham werd eens geboren, diens leven kende een begin, de Here Jezus echter was er altijd al. Het is als met Hebreeën 13 vers 8:
Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid!’
Dit brengt ons bij de conclusie dat Degene die op de troon van Ezechiëls wagen zat, Degene Die met Mozes sprak van aangezicht tot aangezicht, Degene met Wie Abraham opliep in de richting van Sodom en Gomorra, steeds de Here Jezus was: de tweede Persoon van de Godheid.
(2) Hoe kan het dat Jesaja wel in leven bleef?
Het beantwoorden van die vraag is niet zo eenvoudig. Feit is dat de Bijbel veel voorbeelden geeft van mensen die God zagen en toch in leven bleven, terwijl de vaststelling ‘geen mens kan Mij zien en in leven blijven’ (Exodus 33 vers 20), ook waar blijft. We kunnen dan eigenlijk ook niet anders dan concluderen dat God Zich aanpast. Hij toont Zich in een bepaalde gedaante die door ons mensen wel kan worden verdragen. Dat ‘verdragen’ is overigens ook maar betrekkelijk, want velen die God in een ‘aangepaste verschijningsvorm’ zagen reageerden al net zo geschrokken. Zij riepen angstig te zullen sterven, vielen met hun aangezicht op de grond, verloren elke fysieke kracht en moesten worden gerustgesteld of nieuwe kracht ontvangen om verder te kunnen. Anderen reageerden rustiger, hoewel niet zonder diepe eerbied. Abraham, Mozes en Samuël zagen God in de gedaante van een Man, of als de Engel van de Heer. Het lijkt erop dat de manier waarop God Zich toont afhangt van het doel waarmee Hij verschijnt. Dat komt met name tot uiting in die keren dat Zijn heerlijkheid op de een of andere manier zichtbaar is. Zo is er een groot verschil tussen de ervaring van de jonge Samuël en die van Ezechiël.
Bovendien wijst alles erop dat het God niet te doen is de mens aan wie Hij verschijnt angst aan te jagen. Bijna altijd klinkt er een ‘weest niet bevreesd’. Dit speelt ook bij de verschijning van een engel. In Lukas 2 lezen we dat ‘een engel van de Here bij hen stond en de heerlijkheid van de Here hen omscheen’. Met de engel kwam blijkbaar iets van de heerlijkheid van God mee. Dus of het nu om een verschijning van God gaat, of van een engel, als Gods heerlijkheid op de een of andere manier zichtbaar wordt, dan leidt dit tot een schrikreactie:
God tegen Gideon:
Maar de Here zei tegen hem: Vrede zij met u! Wees niet bevreesd, u zult niet sterven. (Richteren 6 vers 23)
Een engel tegen Daniel:
Toen zei hij tegen mij: Wees niet bevreesd, Daniël, want vanaf de eerste dag dat u zich er met heel uw hart op toelegde om inzicht te krijgen en om u te verootmoedigen voor het aangezicht van uw God, zijn uw woorden gehoord, en omwille van uw woorden ben ik gekomen. (Daniël 10 vers 12)
Een engel tegen Maria:
En de engel zei tegen haar: Wees niet bevreesd, Maria, want u hebt genade gevonden bij God. (Lukas 1 vers 30)
Een engel tegen de herders:
9 En zie, een engel van de Heere stond bij hen en de heerlijkheid van de Here omscheen hen en zij werden zeer bevreesd.
10 En de engel zei tegen hen: Wees niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal (Lukas 2 vers 9-10)
De Here Jezus tegen enige discipelen, waaronder Petrus (na de wonderbare visvangst):
Evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Wees niet bevreesd, van nu aan zult u mensen vangen. (Lukas 5 vers 10 )
De Here Jezus tegen Johannes:
En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten, en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste (Openbaring 1 vers 17)
Bij de gebeurtenissen rond Jesaja en Petrus speelt bovendien hun groot zondebesef. Jesaja riep: ‘Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de Here van de legermachten, gezien’ (Jesaja 6 vers 5). Petrus op zijn beurt zag iets van de heerlijkheid van de Zoon van God in het wonderteken van de wonderbare visvangst. Hij viel op zijn knieën en riep: ‘Here, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens’ (Lukas 5 vers 8). De Here Jezus stelde Petrus gerust met een ‘weest niet bevreesd’, Jesaja echter onderging een opmerkelijke reiniging:
6 Maar een van de serafs vloog naar mij toe, en hij had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met een tang van het altaar had genomen.
7 Daarmee raakte hij mijn mond aan en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt. Zo is uw misdaad van u geweken en uw zonde verzoend. (Jesaja 6 vers 6-7)
Een dienaar van God dient rein te zijn, Jesaja en Petrus wisten dat zij dat niet waren.
- Ten behoeve van Jesaja werd van het altaar een gloeiende kool genomen. De seraf raakt daarmee de mond van de profeet aan. We zien hier iets van het brandoffer (Leviticus 1 vers 4). De heiligheid van de kool gaat over op Jesaja. Hij blijft in leven, en is gereed voor de dienst.
- Van Petrus geldt dat wat voor al de discipelen gold: ‘U bent rein vanwege het Woord dat Ik tot u gesproken heb’ (Johannes 15 vers 3).
Vele verschijningen
In de Bijbel wordt een flink aantal voorbeelden genoemd van het verschijnen van God (in heerlijkheid). Er moeten echter nog veel meer verschijningen zijn geweest. Neem als voorbeeld Mozes, die vlak voor zijn sterven Gods zegen uitspreekt over Israël. In die toespraak worden verschijningen genoemd, waarover we verder geen informatie hebben:
(…) De Here is gekomen van Sinaï (1) en over hen opgegaan uit Seïr (2); Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran (3) en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden (4); aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur. (NBG)(Deuteronomium 33 vers 2)
De Here Jezus
We begonnen dit artikel met het Bijbelse bewijs dat de Here Jezus de JHWH uit het Oude Testament is. Hier eerst nog een aanvulling op dat bewijs, betreffende een vertaling die ons mogelijk op het verkeerde been heeft gezet. Het gaat om dit vers:
Daarom maak ik u bekend dat niemand die door de Geest van God spreekt, zegt: Jezus is een vervloekte. Ook kan niemand zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest. (1 Korinte 12 vers 3)
Onderwerp is het door de Geest geïnspireerd spreken over de Here Jezus. Wie zo spreekt zal nooit kunnen zeggen dat ‘Jezus vervloekt is’. Mensen kunnen echter ook door boze geesten tot spreken gedwongen worden. Dat gebeurde zelfs als de Here Jezus in de buurt was:
En Hij genas er velen, die er door allerlei ziekten slecht aan toe waren, en dreef veel demonen uit, en Hij liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden. (Markus 1 vers 34)
33 En in de synagoge was een man die een geest van een onreine demon had, en die riep met luide stem:
34 Ga weg! Wat hebben wij met U te maken, Jezus de Nazarener? Bent U gekomen om ons te gronde te richten? Ik weet Wie U bent, namelijk de Heilige van God.
35 Maar Jezus bestrafte hem en zei: Zwijg! Ga uit hem weg! En de demon ging uit hem weg, nadat hij hem in het midden geworpen had, zonder hem in enig opzicht letsel te bezorgen. (Lukas 4 vers 33-35)
Hieruit valt af te leiden dat boze geesten het woord voerden door middel van synagogegangers. Reken maar dat dan woorden als ‘Jezus is vervloekt’ wel degelijk hebben geklonken. In Korinte kwamen dergelijke situaties veel voor. (Boze)geestgedreven spreken was min of meer een gewone zaak. Paulus maakte de Korintiërs duidelijk dat als er godslasterlijke uitspraken over de Here Jezus werden gedaan, het door boze geesten moesten zijn. Het was immers onmogelijk en ondenkbaar dat de Heilige Geest iets lelijks over de Messias zou zeggen. Ga maar na. Waarom was de Heilige Geest op aarde? Waarom werden gelovigen met de Geest vervuld? De Here Jezus is er heel duidelijk over:
Maar wanneer de Trooster is gekomen, Die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Die over Mij getuigen. (Johannes 15 vers 26)
Juist. Om te getuigen van de Here Jezus. Het getuigenis van de Heilige Geest is gericht op de wereld. Die moet weten Wie de Here Jezus is. Zal de Geest dan onwaarheden over de Zoon van God (doen) verkondigen? Onmogelijk, zegt Paulus. Wie godslasterlijke uitspraken over de Here Jezus doet spreekt door een boze geest, een demon. Dat gold toen, dat geldt nu nog steeds. Tegenwoordig sussen we ons geweten door het aan vrijzinnigheid te wijten, maar de Bijbel stelt dat achter verkeerde leer over de Here Jezus de boze zit. Waarvan akte.
Tot zover kwade uitspraken over de Here Jezus. Het is gelukkig ook mogelijk positief over Hem te spreken. Bijvoorbeeld door Hem Heer te noemen. Als iemand Hem Heer noemt kan dat alleen doordat de Heilige Geest door zo’n persoon spreekt, schrijft Paulus. En dan stuiten we op een probleem. Oordeel zelf:
Niet ieder die tegen Mij zegt: Here, Here, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is. (Mattheüs 7 vers 21)
Combineren we 1 Korinte 12 vers 3 (niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest) met Mattheüs 7 vers 21 (ieder die tegen Mij zegt: Here, Here) dan leidt dat tot de conclusie dat iemand die de Here Jezus met ‘heer’ aanspreekt (dat is iemand die spreekt door de Heilige Geest) mogelijk toch niet behouden is. En dat kan niet waar zijn. Er moet dus verschil zijn tussen dat wat de Here Jezus zegt, en dat wat Paulus bedoelt. Paulus heeft het mogelijk over Wie de Here Jezus is, in Mattheus gaat meer om een aanspreektitel. Er is inderdaad reden het in die richting te zoeken. Zoals bekend is het Oude Testament geschreven in het Hebreeuws. Maar omdat het grootste gedeelte van de eerste Christenen geen Hebreeuws, maar wel Grieks kende, maakte zij voor het Oude Testament van de Septuaginta gebruik. Wat is dat, de Septuaginta? Tussen de jaren 250 en 130 voor Christus heeft een groep van 72 (Septuaginta = 70) vertalers de toenmalige Hebreeuwse Bijbel in het Grieks vertaald. In het Nieuwe Testament vinden wij dan ook aanhalingen uit het Oude Testament die niet rechtstreeks uit het Hebreeuws komen, maar uit de Septuaginta. En dan zien we iets wonderlijks.
Daartoe kijken we even naar de geschiedenis van de brandende braamstruik. Tegenover Mozes (Exodus 3 vers 15) maakt God Zich kenbaar als de ‘Ik ben‘ (JHWH), oftewel ‘Ik ben degene die is‘ of ‘Ik zal zijn die Ik zal zijn‘. De vertalers van de Septuaginta hebben dat JWHW vertaald met Kurios, een woord dat wij kennen als Heer. Kurios verwijst dus terug naar God! Het is daarom niet overdreven te stellen dat onze Here Jezus dezelfde is als Degene Die in het Oude Testament aangeduid wordt als JHWH. Als Paulus dus schrijft ‘Jezus is Heer‘, is dat een vertaling van ‘Jezus is Kurios‘, wat weer een vertaling zou kunnen zijn van ‘Jezus is JHWH‘. Daarmee wordt duidelijk dat de vertaling van het ‘Jezus is Heer‘ wel goed is, maar dat zich in de weg daar naartoe een verschraling van de betekenis van JHWH heeft voorgedaan. We zouden dus beter kunnen zeggen: ‘Jezus is JHWH‘, oftewel ‘Jezus is God’! Gevolg is dat alles wat ons in de Bijbel over Gods heerlijkheid wordt verteld, ook van toepassing is op onze Here Jezus! En dan wordt ook begrijpelijk dat het slechts door de Geest is, als iemand uitspreekt: ‘Jezus is God!‘
Hebreeën
In het eerste hoofdstuk van Hebreeën brengt de schrijver (Paulus?) ons nog meer onder de indruk van de Persoon Jezus Christus. Hij vat dat allemaal samen in het tweede hoofdstuk:
(…) wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond (…)(Hebreeën 2 vers 9)
Het is met het geloofsoog dat we Hem zo mogen zien. Maar wat zien we dan van die heerlijkheid en eer? Daarover handelt dus het eerste hoofdstuk.
De uiteenzetting begint met het Woord van God. Zoals Genesis 1 verhaalt van de schepping door het Woord van God (Psalm 33 vers 9), en Johannes in zijn evangelie het verband legt tussen de totstandkoming van de schepping en de Here Jezus (Johannes 1 vers 3 en 10), zo wordt nu onze aandacht gevraagd voor het spreken van God tot de mensen (Johannes 1 vers 14). Het gaat nu niet om het scheppingsproces, maar om de kracht en de wijsheid van God (1 Korinte 1 vers 24). Eerst lezen we dat in oudtestamentische tijden God door middel van profeten sprak. De nieuwtestamentische situatie is geheel anders: God spreekt nu Zelf tot de mensheid, en in het bijzonder tot Israël. Het gaat om het spreken van de Here Jezus. Hij sprak niet namens God, maar God Zelf sprak in Hem. Wie Hem hoorde spreken, hoorde dezelfde stem als die in Genesis 1 heeft geklonken en die vanaf de berg Sinaï hoorbaar was (Deuteronomium 4 vers 12). Dit spreken was aangekondigd als van levensbelang:
15 Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de Here, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren
18 Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken.
19 En met de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal het zó zijn: Ík zal rekenschap van hem eisen. (Deuteronomium 18 vers 15, 18-19)
Deze profeet is gekomen: Jezus van Nazareth. In Johannes 1 vers 46, Handelingen 3 vers 22 en 7 vers 37 wordt vastgesteld dat de Zoon van Maria de beloofde Profeet is. En wat de noodzaak tot luisteren betreft, God bevestigt ook op dit punt de aan Mozes gedane profetie:
en zie, een stem uit de wolk zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem (Mattheus 17 vers 5)!
Vervolgens gaat de schrijver in op zeven (!) heerlijkheden van de Here Jezus. Hij is erfgenaam (1) van alle dingen, Schepper (2) van alle dingen, de uitstraling van de heerlijkheid van God (3), de afdruk van Gods wezen (4), de Drager (5) van alle dingen, Volbrenger (6) van het verlossingswerk en de waarachtige Mens (7) gezeten aan Gods rechterhand.
(1) Erfgenaam van alle dingen
God heeft de Here Jezus tot erfgenaam van alle dingen verklaard. Laat het even tot u doordringen: alle dingen! De aarde met al het leven daarop, de maan, de zon, het zonnestelsel, de complete Melkweg, ja, het gehele oneindige heelal. Maar ook het onzienlijke deel van de schepping, zoals engelen, hoort bij die erfenis. Romeinen 8 vers 17 en Galaten 4 vers 7 laten dat zien. Bijzonder is dat de gelovigen in die erfenis zullen delen.
(2) Schepper van alle dingen
God de Zoon, het Woord, heeft alle dingen geschapen. Heel in het begin was het Woord er al. Het Woord was bij God, het Woord was God (Johannes 1 vers 1-2). Het Woord is Mens geworden en heeft bij ons gewoond (Johannes 1 vers 10). Alles is door het Woord gemaakt, niets ter wereld is ontstaan buiten hem om (Johannes 1 vers 3). De schepping dankt dus zijn bestaan aan Hem (Johannes 1 vers 10). Alles is door Hem geschapen: het hemelse en het aardse, het zichtbare en ook het onzichtbare. De hele wereld is geschapen door Hem en voor Hem (Kolosse 1 vers 16).
(3) Uitstraling van de heerlijkheid van God
Dit is een lastige. Gods heerlijkheid is door de eeuwen heen vele malen zichtbaar geweest. Deze tekst lijkt te willen zeggen dat telkens als dat het geval was, men de Here Jezus (de Tweede Persoon van de Godheid) zag. Anders gezegd: De Here Jezus is Gods heerlijkheid. Vandaar ook dat Johannes de Doper kan zeggen: ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft Hem verklaard’ (Johannes 1 vers 18). En de Here Jezus Zelf zegt: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Johannes 14 vers 9). Het is als met de zon. We zien de zon omdat de stralen van de zon ons bereiken. De stralen staan niet los van de zon, ze vormen er een geheel mee. Dit doet uiteraard meteen ook denken aan de verheerlijking op de berg, beschreven in Mattheus 17 vers 1-9, Markus 9 vers 2-8, Lukas 9 vers 28-36 en 2 Petrus 1 vers 16-18. Die verheerlijking was in de eerste plaats zichtbaar: Het gezicht van de Here Jezus straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. Vervolgens kwam een lichtende wolk over alle aanwezigen. Uit de wolk klonk een stem: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem! De neiging zal bestaan deze gebeurtenis toe te passen op wat hier in Hebreeën wordt gezegd, namelijk dat de Here Jezus de uitstraling is van de heerlijkheid van God. Maar zoals hierboven al omschreven is die uitstraling meer dan alleen een zichtbaar verschijnsel. Overal en altijd waar Gods heerlijkheid verscheen, verscheen de tweede Persoon van de Godheid, onze Here Jezus. Mozes en Samuël zagen Hem in de gedaante van een man, Ezechiël ook. Soms was er meer een overeenkomst met het uiterlijk van een engel, enzovoorts. Al deze verschijningen vallen onder de titel ‘Uitstraling van de heerlijkheid van God’.
(4) Afdruk van Gods wezen
Ook deze karakterisering is niet eenvoudig. God is in de hemel, we kunnen Hem niet zien. De Zoon is een afdruk van het wezen van de Vader. Paulus schrijft dat Hij het Beeld is van de onzichtbare God (Kolosse 1 vers 15). In Filippi 2 vers 6 deelt hij ons mee dat Christus ‘in de gestalte van God was’ op de manier zoals we dat in Filippi 3 vers 21 lezen: ons lichaam zal gelijkvormig worden aan het verheerlijkte lichaam van Christus, op dezelfde wijze is Hij gelijk aan God.
(5) Drager van alle dingen
God de Zoon heeft alle dingen geschapen. Hoewel we lezen in Genesis dat God ‘rustte op de zevende dag’, wil dat niet zeggen dat vanaf dat moment de schepping er alleen voor stond 1). Nee, God de Zoon houdt alles in stand door Zijn machtige Woord. Hij draagt door ‘het Woord van Zijn kracht’ al het geschapene. Hij zorgt ervoor dat de schepping niet in ontelbare delen en deeltjes uiteenvalt. Paulus schrijft dat ‘alle dingen tezamen door Hem bestaan (Kolosse 1 vers 17). Bekend is de uitspraak dat toen de Here Jezus aan het kruis hing, Hij als God de Zoon zorgde dat het kruis overeind bleef staan.
(6) Volbrenger van het verlossingswerk
Christus heeft ons bevrijd van onze zonden. Paulus maakt aangaande dit verlossingswerk van de Here Jezus tweemaal een bijzondere opmerking. In Efeze 1 vers 4 schrijft hij dat God ons in Christus reeds voor het ontstaan van de wereld uitgekozen heeft. En in 2 Timotheüs 1 vers 9 heeft de apostel het over de goede bedoelingen die God van het begin af in Christus Jezus met ons gehad heeft. ‘Voor het ontstaan van de wereld’ en ‘van het begin af’ wil zeggen dat het besluit van God dat Zijn Zoon zou sterven voor zondaars al werd genomen voor de schepping, voor de zondeval en voor het falen van Israël. Christus is dus niet pas Verlosser na Zijn lijden, sterven en opstaan. Hij was het altijd al, want Hij is vóór alle dingen (Kolosse 1 vers 17).
(7) De waarachtige Mens aan Gods rechterhand
Van Christus’ opstanding lezen we dat Hij ‘werd opgewekt’, en dat Hij ‘opstond uit de doden’. Zo leert de Schrift ook dat ‘God Christus aan Diens rechterhand zette’, maar ook dat ‘Christus is gaan zitten aan Gods rechterhand’. Zie daartoe de volgende Bijbelteksten:
(…) Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten (Efeze 1 vers 20)
is met kracht bewezen dat Hij de Zoon van God is, door Zijn opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Here. (Romeinen 1 vers 4)
De Here heeft gesproken tot mijn Here: Zit aan Mijn rechterhand (Psalm 110 vers 1; Handelingen 2 vers 34)
- ‘werd opgewekt‘ en ‘God zette Christus aan Diens rechterhand‘ zien op Zijn Mens-zijn, waarbij het God de Vader is Die handelt.
- ‘Hij stond op uit de doden‘ en ‘Christus is gaan zitten aan Gods rechterhand‘ zien op Zijn goddelijkheid, het is Christus Zelf Die handelt.
Deze dubbelheid bevestigt dus eens te meer dat de Here Jezus zowel waarachtig God als waarachtig Mens is. Dit verschil vinden ook in de positie van de Here Jezus ten opzichte van de engelen. Als God de Zoon was Hij ver boven de engelen verheven, Hij was immers hun Schepper. Als Zoon des mensen was Hij ‘voor een korte tijd minder dan de engelen’ (Hebreeën 2 vers 9). ‘Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden. Als mens heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood’ (Filippi 2 vers 7-8). Na dit alles ‘heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam’ (Filippi 2 vers 9). En dus zit er nu een Mens in de troon van God! Hij deelt in Gods wereldheerschappij, Hij is de ‘Koning der koningen en Here der heren’ (Openbaring 19 vers 16).
Over de alles overtreffende grootheid van Jezus Christus
De Bijbel is een Joods boek. In de brief aan de Hebreeën komt dat heel duidelijk tot uiting. Bovendien is onze Here Jezus Zelf (naar de Mens) van Joodse afkomst. De Oudtestamentische profeten spraken van de Messias Die komen zou, de Joodse Messias. Het bewijs dat de Here Jezus die Messias is wordt geleverd met ‘Joods’ bewijsmateriaal. Mattheüs en Lukas vertellen ons bijvoorbeeld dat de Here Jezus Zichzelf groter achtte dan Salomo:
De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij is gekomen van de einden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier! (Mattheus 12 vers 42, Lukas 11 vers 31)
Zo vinden we talrijke ‘groter dan’-passages in Hebreeën:
- We weten dat de Here Jezus als God de Zoon oneindig veel groter is dan de engelen, Hij is immers hun Schepper. Maar nu is Hij ook als Mens ver boven hen verheven (Hebreeën 1 vers 4);
- Christus is groter dan Mozes (Hebreeën 3 vers 1-6);
- Christus is groter dan Aäron (Hebreeën 5 vers 1-10);
- Christus is groter dan Melchizedek, die geen hogepriester was, de Here Jezus is dat wel (Hebreeën 6 vers 20, 7 vers 1-4);
- Bovendien is de Here Jezus Hogepriester van een beter verbond, gezien de onvolmaaktheid van de offers onder het Oude Testament en de volmaaktheid van het offer van Christus (Hebreeën 8 vers 6-7);
- Daarbij kan de Here Jezus met recht zeggen: ‘Ik en de Vader zijn Één’ (Johannes 10 vers 30), en: ‘(…) Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; (…)'(Johannes 14 vers 9).
En wat te denken van de ‘Ik ben’-uitspraken van onze Heiland? Zeven keer laat de Here Jezus iets zien van zijn diepste natuur:
- En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens. (Johannes 6, vers 35)
- Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het Licht der wereld. (Johannes 8, vers 12)
- Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de Deur voor de schapen. (Johannes 10, vers 7)
- Ik ben de goede Herder. (Johannes 10, vers 11)
- Jezus zei tegen haar: Ik ben de Opstanding en het Leven. (Johannes 11, vers 25)
- Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. (Johannes 14, vers 6)
- Ik ben de ware Wijnstok (Johannes 15, vers 1)
Nee, er was niemand zoals Jezus Christus, beter nog: er is niemand zoals Jezus Christus.
Slot
Aan het begin van het vierde evangelie staat dat het Woord vlees is geworden: God de Zoon werd Mens. Johannes en de overige apostelen ‘hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader’ (Johannes 1 vers 14). Die heerlijkheid bleek uit Zijn wijsheid, uit Zijn spreken (Johannes 7 vers 46), en uit alle krachten, wonderen en tekenen die Hij deed (Handelingen 2 vers 22). Elke omschrijving van deze heerlijke Persoon moet wel tekortschieten. Toch heeft de Heilige Geest ons heel veel over Hem toevertrouwd. Als Paulus in Galaten 5 vers 22 schrijft over de vrucht van de Geest, dan geeft hij ons eigenlijk een portret van de Here Jezus: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. In Efeze 5 vers 9 komt de apostel met een andere omschrijving van de vrucht van de Geest: alle goedheid, rechtvaardigheid en waarheid – is dat niet ‘sprekend’ de Here Jezus? En wat te denken van 1 Korinte 13 waar de liefde bezongen wordt? Overal waar de liefde wordt genoemd kunnen we de naam van de Here Jezus invullen. En dan leren we dat Hij geduldig is, niet jaloers, dat Hij niet pronkt, niet gewichtig doet, niets ongepasts doet, niet Zijn eigen belang zoekt, niet verbitterd wordt, geen kwaad bedenkt, niet blij is over ongerechtigheid, maar blij is met de waarheid, enzovoort. En dit alles (en nog veel meer!) gevoegd bij Zijn goddelijkheid, Zijn scheppingsmacht, Zijn koninklijke majesteit doet ons beseffen dat we wel kunnen begrijpen wat het woord heerlijkheid betekent, maar dat de inhoud ervan toegepast op Jezus Christus altijd ons begripsvermogen verre te boven zal gaan.
—————————-
1) Dat zou neerkomen op het deïsme, het geloof dat er een scheppende God bestaat die zich niet (meer) bemoeit met de wereld. Alsof de schepping een wekker is die eenmaal opgewonden, zonder bemoeienis van buitenaf seconden, minuten, uren en dagen wegtikt.
