Aanleiding

Eerder op dit weblog schreef ik een aantal artikelen onder de titel ‘In de gunst staan bij heel het volk’. Het eerste artikel van die reeks bevatte opmerkingen over de invloed die de wereld uitoefent op ‘de agenda van de kerk’. Het gevolg van die invloed is dat in de Kerk opvattingen vanuit de wereld in toenemende mate worden omarmd. In dit artikel wil ik daar op terugkomen aan de hand van een artikel uit het Nederlands Dagblad van 9 september 2022. De titel van dat artikel luidde: ‘Pater Mark-Robin Hoogland: ‘De deur van de kerk moet open voor homo’s’. Aanleiding was het recent verschijnen van een door Hoogland vertaald boek. Het boek heet ‘Wat de Bijbel wél zegt over homoseksualiteit. Een kritische en spirituele herlezing’ en is geschreven door de Amerikaan Daniel A. Helminiak. Hoogland werd in bedoeld artikel door Remco van Mulligen bevraagd over de inhoud en consequenties van het in het boek gestelde.

In dit artikel probeer ik te laten zien hoezeer men zich allerlei vrijheden veroorlooft om maar tot acceptatie te komen van wat in de Bijbel ondubbelzinnig wordt verboden. Ik beperk me daarbij tot het artikel van van Mulligen, omdat het voldoende stof ‘tot nadenken’ bevat. Als uitgangspunt neem ik een aantal citaten.

Noot: Dit artikel is niet bedoeld als standpuntbepaling ten aanzien van homoseksualiteit. Het gaat me om het gesol met de Bijbel, Gods Woord. Vergelijkbare artikelen zouden immers ook geschreven kunnen worden over de positie en de rol van de vrouw, hertrouwen na echtscheiding, ongehuwd samenwonen en schepping of evolutie. 

Citaat 1

Als mensen toch ronduit willen weten of seks van homoseksuele mannen en vrouwen intrinsiek goed is of niet, of homogenitale handelingen per se verkeerd zijn of niet, zullen ze elders naar een antwoord moeten zoeken. De Bijbel spreekt hier nergens over. De Bijbel lijkt zich over die vraag niet druk te maken.

Je vraagt je af welke Bijbel Helminiak heeft gebruikt. In de afgelopen jaren is veel gepubliceerd over dit onderwerp, en menig auteur hanteerde daarbij eigen manieren van ‘Bijbellezen’. Geen van die auteurs beweerde echter dat de Bijbel niets over dit onderwerp te melden had. Zij echter hanteerden andere methoden om te dealen met de Bijbelse afwijzing. Een paar voorbeelden. 

Methode 1. Ja, in de Bijbel vinden we afwijzende teksten over homoseksuele omgang. De vraag is echter of de bedoelde passage rechtstreeks afkomstig is van God, of dat het slechts een uitdrukking is van cultuur- en tijdgebonden denken. Veel auteurs stellen het laatste. Een variant hierop is het verbod te plaatsen in een cultische context, als onderdeel van een bepaalde heidense afgodendienst.

Methode 2. Een benadering is de uitspraken van Paulus terug te voeren op ‘zijn theologie’. En die theologie is niet perse gezaghebbend. Dat zou blijken uit het feit dat wij tegenwoordig meer en beter weten dan Paulus in zijn tijd.

Methode 3. Men gaat niet rechtstreeks aan de slag met de ‘moeilijke teksten’, maar tilt het hele onderwerp naar een ‘hoger plan’. Dat werkt als volgt. De Here Jezus zei: ‘U zult de Here, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten (Mattheus 22:37-40). De liefde is de kern van het evangelie; ieder heeft het recht om op zijn manier in liefde te kunnen leven. Liefde en trouw kan ook in homoseksuele relatie tot bloei komen.

Methode 4. Men duikt in de grondtekst en constateert dat de vertalers een te confronterende vertaling hebben gehanteerd. Door te kiezen voor een ‘zachtere’ betekenis, wordt de angel uit het Bijbelwoord gehaald.

Methode 5. Men verklaart de Schrift uitgaande van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het terrein van gender en seksualiteit. Een theologie die langs die weg tot nieuwe conclusies komt wordt als vooruitgang gezien. Van groepen die pal willen staan voor de traditionele uitleg, wordt gezegd dat zij weinig progressie boeken. 

Methode 6. Men verklaart de Schrift uitgaande van de heersende praktijk op het terrein van gender en seksualiteit. Voorbeeld: jonge christelijke studenten gaan voor het huwelijk massaal met elkaar naar bed. Dat vraagt om een nieuwe benadering, seks voor het huwelijk is immers niet perse een (dood)zonde.

Citaat 2

Helminiak zegt dat het verhaal van Sodom (Genesis 19) gaat over een morele afkeuring van ongastvrijheid en verkrachting, maar dat het homoseksualiteit niet veroordeelt (..) als je dit verhaal leest in de context van andere verhalen die verwijzen naar Sodom, zie je dat het daarin nooit over homoseksualiteit gaat. 

In eerste instantie moet je dit beamen. Inderdaad, meestal worden andere zonden benoemd. Toch is dat niet het hele verhaal. Immers, zowel Petrus als Judas reppen in hun brieven over de situatie in Sodom. Kijken we even bij Judas.

Want er zijn sommige mensen binnengeslopen, die tot dit oordeel al lang tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid, en die de enige Heerser, God en onze Here Jezus Christus, verloochenen. (Judas :4)

Judas schrijft over valse leraren. Ze verkondigen dat een christen zich alles kan veroorloven, omdat ze onder Gods genade zijn. Dat leidt tot losbandig gedrag, tot een leven zonder grenzen op zedelijk gebied. Een dwaalleer die Paulus al eerder aan de kaak had gesteld.

(…) Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! (Romeinen 6:15)

Blijkbaar was de kennis die Paulus mocht doorgeven, bij de lezers van Judas’ brief weggezakt. Hij schrijft namelijk in vers 3: Geliefden, toen ik mij er met alle inzet toe zette u te schrijven over de gemeenschappelijke zaligheid, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de aansporing om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is.

Daarom geeft Judas drie voorbeelden waaruit duidelijk wordt dat God het overtreden van Zijn geboden niet straffeloos laat. 

I. Hij schrijft als eerste over Israël.

Maar ik wil u eraan herinneren – u weet dit eens en voorgoed – dat de Here, nadat Hij het volk uit het land Egypte verlost had, vervolgens hen die niet geloofden, te gronde heeft gericht. (Judas :5)

Tijdens de uittocht uit Egypte waren de Israëlieten getuige van Gods almacht. De plagen over Egypte, de doortocht door de Rode Zee, ettelijke wonderen in de woestijn, dat alles zou toch voldoende grond moeten zijn voor een vast vertrouwen in God. Maar nee, toen ze aan de grens van het Beloofde land stonden, weigerden ze op te trekken. Waarom? De verspieders toonden zich valse leraren, ze spraken over onoverwinnelijke vijanden, en deden zo het vertrouwen van Israël wankelen. Gods oordeel was onverbiddelijk. Iedereen die gehoor had gegeven aan de valse berichtgeving van de verspieders werd de toegang tot het Beloofde land ontzegd. Ze zouden sterven in de woestijn. 

II. Het tweede voorbeeld brengt ons terug naar de tijd van Noach.

En de engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld. (Judas :6)

Engelen zijn geslachtsloze dienende geesten. In de eeuwen voor de zondvloed was een aantal van hen echter afgedaald naar de aarde en hadden de gestalte van mannen aangenomen. Want, zo lezen we, Gods zonen zagen dat de dochters van de mensen mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden (Genesis 6:2). De aarde is bestemd voor mensen, de hemel voor engelen. Engelen zijn geslachtsloos, en mogen niet ander vlees achternagaan. Vanwege deze dubbele overtreding van Gods geboden zijn ze gevangengezet in afwachting van het komende oordeel. 

III. Het derde voorbeeld betreft Sodom en Gomorra. (Judas :7)

Evenzo is het met Sodom en Gomorra, en de steden eromheen, die op dezelfde wijze als zij hoererij bedreven hebben en ander vlees achterna zijn gegaan. Zij liggen daar als een waarschuwend voorbeeld, doordat zij de straf van het eeuwige vuur ondergaan.

Judas begint vers 7 met het woord ‘evenzo’. Het verwijst terug naar vers 6, waarvan we zojuist vaststelden dat het daarin gaat over een specifieke groep engelen die omgang hadden met vlees dat niet voor hen bestemd was. De inwoners van Sodom en Gomorra, en de steden eromheen, staan schuldig aan hetzelfde vergrijp. Letterlijk zegt Judas: De inwoners van Sodom en Gomorra hebben op dezelfde wijze als de ontrouwe engelen hoererij bedreven en zijn ander vlees achterna gegaan. Wat betekent in het geval van de Sodomieten ‘ander vlees achterna gegaan’? Het kan niet betekenen ‘hoererij met vrouwen’ (wat ongetwijfeld ook veel zal zijn voorgekomen), want dan had Judas alleen dat genoemd. Hij voegt nu echter toe ‘ander vlees’. Welnu, zoals de engelen zich ‘vlees dat niet voor hen bestemd was’ toe-eigenden, zo ook de Sodomieten. Zij ook eigenden zich vlees toe dat niet voor hen bestemd was. Mensenvlees dat voor de mens is bestemd, is vlees van andere geslacht. Mensenvlees dat niet voor de mens is bestemd, is vlees van hetzelfde geslacht. Judas wijst derhalve homoseksuele omgang aan als hoofdoorzaak voor Gods oordeel. 

IV. Dan, ten slotte, komt Judas tot een slotsom.

Niettemin bezoedelen deze dromers ook nu op dezelfde wijze hun lichaam en zij verwerpen het gezag en lasteren al wat eer toekomt. (Judas :8)

Ondanks de vele waarschuwingen in de Schrift niet Gods geboden te negeren, doen volgens Judas de valse leraars binnen de Kerk hetzelfde: ze verwerpen het gezag van onze Heer Jezus, en vertellen onware dingen.  

Citaat 3:

Hij laat zien dat Leviticus het slapen van mannen met mannen ziet als onreinheid, niet als zonde. Als iets onrein is – wat bijvoorbeeld ook gezegd werd van een vrouw die ongesteld is – betekent dit niet dat het moreel verkeerd is, of zondig.

In de exegetische wetenschap, de bijbeluitleg, komt er steeds meer consensus over de interpretatie van ‘gruwel’ als onreinheid. 

Gruwel kan niet dezelfde betekenis hebben als onrein. Een simpel vergelijk maakt dat duidelijk. In Leviticus 18 staan de volgende drie gruweldaden.

21 U mag niemand uit uw nageslacht overgeven om aan de Molech geofferd te worden. De Naam van uw God mag u niet ontheiligen. Ik ben de HEERE.

22 U mag niet slapen met een mannelijk persoon, zoals u met een vrouw slaapt. Dat is een gruwel.

23 Ook mag u met geen enkel dier de geslachtsdaad verrichten. Dan verontreinigt u uzelf daarmee. Een vrouw mag ook niet vóór een dier gaan staan om ermee te paren. Het is een afschuwelijke schanddaad. (Leviticus 18:21-23)

Dus: (a) geen kinderoffers aan de afgod Molech, (b) geen seksuele omgang van mannen met mannen en (c) geen seksuele omgang met een dier. Verderop in hetzelfde hoofdstuk wordt een afsluitende conclusie gegeven.

29 (…) al wie ook maar één van al die gruweldaden doet, de personen die ze doen, moeten uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.

30 Daarom moet u Mijn voorschriften in acht nemen en geen van die gruwelijke gebruiken die vóór u gedaan zijn, navolgen, en u daardoor niet verontreinigen. Ik ben de HEERE, uw God. (Leviticus 18:24-30)

Mocht deze constatering nog niet afdoende zijn, dan is er ook nog Leviticus 20.

Wanneer een man met een andere man slaapt, zoals men met een vrouw slaapt, dan hebben zij beiden iets gruwelijks gedaan. Zij moeten zeker ter dood gebracht worden. Hun bloed rust op henzelf. (Leviticus 20:13)

Hoe kan men beweren dat op iets dat ‘slechts’ onreinheid veroorzaakt, toch de doodstraf zou staan? Een vrouw die ongesteld is, wordt onrein genoemd. Ze is verplicht ‘haar tijd uit te dienen’, waarna ze weer rein is. Dit is niet van toepassing op homoseksuele omgang. Volgens de Schrift rust er zelfs een bloedschuld op hen die deze dingen doen.

Citaat 4:

Hij wijdt een apart hoofdstuk aan bijbelleesmethodes. Daarin laat hij zien dat je altijd aan het interpreteren bent, ook als je meent ‘letterlijk’ te lezen. In Deuteronomium staat dat je je zoon moet vermoorden als hij ongehoorzaam is. Niemand neemt dat letterlijk. 

De Schrift Zelf bedoelt het wel letterlijk. Schrift met Schrift vergelijken maakt duidelijk hoe het zit. In het boek Spreuken wordt ouders goede raad gegeven bij het opvoeden van hun zoon.

Breng uw zoon gehoorzaamheid bij wanneer er nog hoop is, maar laat het niet in u opkomen hem te doden. (Spreuken 19:18) 

Alleen al op basis van deze tekst moet je concluderen dat ouders hun zoon niet mogen doden. Trouwens, het is vals het woord vermoorden in dit verband te gebruiken; dat heeft een misdadige gevoelswaarde. Nee, als zulke ouders de wanhoop nabij zijn, moeten ze er juist voor waken niet in drift te handelen. Daarom dienen zij hun zoon naar het stadsbestuur te brengen. Dat is in staat de zaak objectief te beoordelen, en een verantwoord besluit te nemen.

18 Wanneer iemand een opstandige, ongehoorzame zoon heeft die niet naar de stem van zijn vader en naar de stem van zijn moeder luistert, en hij, ook als zij hem gestraft hebben, niet naar hen luistert,

19 moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en naar buiten brengen, naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn woonplaats.

20 Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is opstandig en ongehoorzaam, hij luistert niet naar onze stem, hij gaat zich te buiten en is een dronkaard.

21 Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. Laat heel Israël het horen en bevreesd zijn. (Deuteronomium 21:18-21) 

Deze voorschriften hebben alles te maken met de Tien Geboden. Daarin staat: Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geeft (Exodus 20:12). Gehoorzaamheid aan het boven ons gestelde gezag is een steeds terugkerend thema in de Bijbel. Een opstandige, ongehoorzame zoon gaat willens en wetens in tegen Gods wet door zich zodanig te misdragen, dat zijn ouders tot wanhoop worden gedreven. Zo’n overduidelijke rebellie tegen Gods gezag mocht niet worden getolereerd.

Nog even door over het letterlijk nemen van ge- en verboden. In de wet staat het nodige over het plegen van overspel.

Een man die met de vrouw van iemand anders overspel pleegt, die met de vrouw van zijn naaste overspel pleegt, moet zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster. (Leviticus 20:10)

Wanneer ergens een man aangetroffen wordt terwijl hij met een vrouw slaapt die met een andere man getrouwd is, dan moeten zij beiden sterven, de man die met de vrouw geslapen heeft, en de vrouw. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen. (Deuteronomium 22:22)

Hier is geen woord Frans bij. Overspel wordt door twee personen gepleegd, daarom staan beide personen schuldig en halen beiden zich de doodstraf op de hals.

In Johannes 8 vinden we de bekende geschiedenis over de overspelige vrouw. Een groepje schriftgeleerden en Farizeeën brengt haar bij de Here Jezus. Hoe schijnheilig! Waar was de man? De vrouw kan toch niet in haar eentje overspel hebben gepleegd? Daarom is het vonnis dat haar aanklagers voorstellen onrechtmatig. Bovendien is duidelijk dat het hun helemaal iet om de vrouw te doen is, maar om de Here Jezus. Ze proberen de Here Jezus te vangen met een strikvraag.

In de wet nu heeft Mozes ons geboden zulke vrouwen te stenigen; U dan, wat zegt U? (Johannes 8:5)

De Here Jezus antwoordt na lang aandringen en spreekt de mannen aan op hun geweten, dat nog enigszins blijkt te functioneren. 

(…) Wie van u zonder zonde is, laat die als eerste de steen op haar werpen. (Johannes 8:7)

Ze druipen een voor een af. De Here Jezus en de vrouw blijven alleen achter. 

9 (…) en Jezus werd alleen achtergelaten, en de vrouw die in het midden stond.

10 Jezus nu richtte Zich op en toen Hij niemand zag dan de vrouw, zei Hij tegen haar: Vrouw, waar zijn die aanklagers van u? Heeft niemand u veroordeeld?

11 En zij zei: Niemand, Here. En Jezus zei tegen haar: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer. (Johannes 8:9-11)

De doodstraf door middel van stenigen wordt niet toegepast. Is daarmee overspel geoorloofd? Nee, want de Here Jezus zegt haar niet opnieuw te zondigen. Met andere woorden, de strafmaat is gewijzigd, de zonde blijft gelijk. Om dezelfde redenen blijft ook het verbod van de Schrift op homoseksuele omgang onveranderd, want de Bijbel zegt de betrokkenen ‘niet opnieuw te zondigen’. Daar komt nog bij dat het Nieuwe Testament dit verbod handhaaft.

Citaat 5:

Wetten over onreinheid gelden in het Nieuwe Testament niet meer. Paulus gebruikt in de Romeinenbrief een andere term: para physin, wat vaak vertaald wordt als onnatuurlijk of tegennatuurlijk. In dezelfde Romeinenbrief staat dat ook God para physin handelt. God die ‘tegennatuurlijk’ handelt? Helminiak zegt dat je deze uitdrukking beter kunt vertalen als ‘atypisch’. God doet soms dingen die atypisch zijn, die je niet verwacht. Door te spelen met dit soort woorden probeert Paulus de christenen uit het jodendom zover te krijgen dat ze christenen uit het heidendom volledig accepteren, ook al houden ze er ‘atypische’ homoseksuele praktijken op na.’

Wetten over onreinheid gelden in het Nieuwe Testament niet meer? Net als hierboven worden zo halve waarheden verkondigd. Maar zelfs als bepaalde wetten niet meer zouden gelden, wil dat nog niet zeggen dat (on)reinheid er niet meer toe doet. Bovendien legt Paulus de gelovigen te Galatië uit, dat de wet onverminderd van kracht is voor hen die niet uit het geloof zijn. Gelovigen daarentegen zijn niet langer onder de wet, ze zijn vrijgekocht. Toch gelden Gods geboden nog steeds, ook voor Christgelovigen. 

Luister naar de Here Jezus …

Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf. (Johannes 15:10)

Zo bond de Here Jezus hun op het hart, dat zij, door zich aan Zijn geboden te houden, konden laten zien van Hem te houden. Tevens kregen Zijn leerlingen van Hem te horen, dat dit ook de aangewezen weg was om in Zijn liefde te blijven. Op dat punt konden zij zich aan Hem spiegelen. Zelf bleef Hij in de liefde van Zijn Vader (Johannes 15:9). En als dat ergens uit was gebleken, dan wel dááruit, dat Hij Diens geboden steeds had onderhouden. (SB)

En de apostel Johannes …

Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen; en Zijn geboden zijn geen zware last. (1 Johannes 5:3)

Echte liefde wordt zichtbaar in het onderhouden van de geboden, in het doen van Gods wil. Zijn wil is goed, welgevallig, volkomen (Romeinen12:2). Liefde is niet alleen een gevoel, maar is praktisch en leidt tot actie en daden. De geboden van God zijn, in tegenstelling met die van de schriftgeleerden en Farizeeën (Mattheüs 23:4,23; Lucas 11:46) niet zwaar, dat wil zeggen, ze zijn niet een knellend juk of een ondragelijke last (Mattheüs 11:30). Dat wil echter niet zeggen dat het allemaal wel meevalt. God vraagt veel van de gelovigen. (SB) 

Want dit is de wil van God: uw heiliging, dat u uzelf onthoudt van de ontucht (1 Thessalonicenzen 4:3)

Jaag de vrede na met allen, en de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien. (Hebreeën 12:14)

Dan nu iets over para physin. Paulus gebruikt deze term tweemaal in zijn brief aan Rome. De eerste maal treffen we het aan in hoofdstuk 1. Het wordt vertaald als tegennatuurlijk.

26 Daarom heeft God hen overgegeven aan oneervolle hartstochten, want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke (para physin).

27 En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkaar ontbrand: mannen doen schandelijke dingen met mannen en ontvangen het gepaste loon voor hun dwaling in zichzelf. (Romeinen 1:26-27)

We moeten bij het begrijpen van deze tekst in de eerste plaats letten op het woordje ‘daarom’. Het geïsoleerd lezen van deze woorden laat namelijk het ‘waarom’ buiten beschouwing. We dienen ons dus af te vragen ‘waarom’ God ‘hen overgegeven heeft’. Het antwoord vinden we in Romeinen1:18-25. God is de Schepper. De mens weet dat, maar heeft Hem niet de verschuldigde eer gegeven. In plaats daarvan hebben zij zich dwaas gedragen. Terwijl ze de Schepper negeerden, hebben ze zich neergebogen voor eigengemaakte afgoden. Daarom heeft God hen (…) overgegeven aan onreinheid (Romeinen1:24), daarom heeft God hen overgegeven aan oneervolle hartstochten (Romeinen1:26). Paulus wijst daarmee terug naar Genesis 1 en 2, naar de schepping, naar deze specifieke tekst:

Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn. (Genesis 2:24)

Dit vers beschrijft hoe God de natuurlijke omgang heeft geschapen, heeft bedoeld. Het ‘tot één vlees zijn’, ziet op de geslachtelijke omgang. Die is bedoeld plaats te vinden tussen de man en de vrouw. Dat is de natuurlijke gang van zaken. Paulus handhaaft deze waarheid als hij in een andere brief hoererij veroordeelt.

Of weet u niet dat wie zich met een hoer verenigt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees zijn. (1 Korinte 6:16)

Geslachtelijke omgang maakt dat de betrokkenen tot ‘één vlees’ worden. Geen wonder dat de uitdrukking ‘tegennatuurlijk’ zwaar op de maag ligt. Geen wonder tevens dat men zoekt naar alternatieve vertalingen, bijvoorbeeld ‘atypisch’. Het is echter opnieuw Paulus zelf die aantoont dat para physin wel degelijk ‘tegennatuurlijk’ moet betekenen. Dat blijkt uit het onderstaande vers.

Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in (para physin) op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke [takken] zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom. (Romeinen 11:24)

‘Atypisch’ betekent ‘niet karakteristiek’, in de zin van ‘een beetje apart’. Para physin betekent echter ‘onnatuurlijk’. Jazeker, God handelt tegen de natuur in. Heel dikwijls zelfs. Wilde takken enten op een tamme olijfboom is zo’n tegennatuurlijke daad. Zoiets zou immers nooit op een ‘natuurlijke’ wijze tot stand komen. En is niet elk wonder van de Here Jezus ‘onnatuurlijk’? Hoe hadden (vijf) broden en (twee) vissen op een natuurlijke manier de menigte kunnen voeden?

Het Nieuwe Testament veroordeelt homoseksualiteit met net zo veel stelligheid als het Oude Testament dat doet. Het hele betoog uit Romeinen 1 is erop gericht de lezer ervan te doordringen dat God rechtvaardig is in al zijn handelingen. De mens is afkerig van God, en maakt zelf wel uit wat wel en wat niet acceptabel is. Paulus gebruikt deze heftige inleiding om te laten zien dat alle mensen zondaars zijn, maar ook hoe groot Gods genade is. Het is dan ook een gotspe te stellen dat Paulus speelt met woorden om de christenen uit het jodendom zover te krijgen dat ze christenen uit het heidendom volledig accepteren, ook al houden ze er ‘atypische’ homoseksuele praktijken op na.’ Dit zou betekenen dat Paulus er voor pleit ‘zonde niet langer zonde’ te noemen … 

Citaat 6:

(…) een algemene veroordeling van homoseksuele relaties vind je niet. 

Uit al het hierboven besprokene blijkt het tegendeel van deze bewering. Natuurlijk vind je in de Bijbel een veroordeling van homoseksuele omgang. Ik noem hier nog twee teksten uit het Nieuwe Testament, beide van Paulus.

Dwaal niet! Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, [mannen] die met mannen slapen (Grieks: arsenokoitēs), dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers zullen het Koninkrijk van God niet beërven. (1 Korinte 6:10)

8 Maar wij weten dat de wet goed is, als men die wettig gebruikt,

9 en als men dit weet: dat de wet niet bestemd is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en voor opstandigen, goddelozen en zondaars, onheiligen en onreinen, voor hen die vader of moeder vermoorden, voor doodslagers,

10 voor ontuchtplegers, voor mannen die met mannen slapen (Grieks: arsenokoitēs), voor mensenhandelaars, leugenaars, meinedigen en als er iets anders tegen de gezonde leer is,

11 overeenkomstig het Evangelie van de heerlijkheid van de zalige God, dat mij toevertrouwd is. (1 Timotheüs 1:8-11)

Twee teksten van Paulus, waarin hij een aantal zonden (!) opsomt. In beide gevallen zet hij het in een scherp licht. Bedrijvers van deze zonden zullen het Koninkrijk van God niet beërven, bedrijvers van deze zonden gaan in tegen de gezonde leer.

Conclusie 1

Eigenlijk is deze hele kwestie terug te voeren tot onze kijk op Gods Woord. Is de hele Bijbel het Woord van God, of bevat de Bijbel (hier en daar) Gods Woord? Is de Bijbel tijdloos of juist tijdgebonden? Is de Bijbel gezaghebbend op elk terrein van het leven, of is de uitleg onderhevig aan veranderende inzichten? Helaas leiden dit soort bespiegelingen tot niets. Een andere benadering kan wel duidelijkheid geven. Daarvoor willen we nogmaals luisteren naar de apostel Paulus.

Daarom danken ook wij God zonder ophouden dat u, toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, het ook aangenomen hebt, niet als een mensenwoord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft. (1 Thessalonica 2:13)

Wie het Woord van God aanneemt, ervaart zijn transformerende kracht. Zo verging het de Thessalonicenzen, want het Woord woonde voortaan niet slechts in hun hart, nee, het wérkte in hen en bracht een totale levensverandering tot stand. Die werkzaamheid wordt in krachtige bewoordingen uiteengezet in de brief aan de Hebreeën.

Want het Woord van God is levend (1) en werkzaam (2) en scherper (3) dan enig tweesnijdend zwaard (4), en het dringt door (3) tot op de scheiding van ziel en geest (6), van gewrichten en merg (5), en het oordeelt de overleggingen en gedachten (7) van het hart (8). (Hebreeën 4:12)

(1) Levend, want afkomstig van ‘de levende God’. 

(2) Werkzaam, want de gevolgen van Gods spreken zijn zichtbaar of het nu gaat om zegen of om straf. 

(3) Met ‘scherper …’ en ‘doordringend’ wordt aangegeven, dat het Woord de mens tot in het diepst van zijn wezen raakt.
(4) Het ‘tweesnijdend zwaard’ is een beeld, waarmee Gods Woord vergeleken wordt.

(5) De uitdrukking ‘tot de verdeling en scheiding van …’ betekent dat het Woord ‘de ziel’ van ‘de geest’ en ‘de gewrichten’ van ‘het merg’ scheidt, dat wil zeggen, er blijft aan de mens niets over, dat niet door het Woord wordt geraakt. 

(6) Met ‘ziel en geest’ worden in dit verband alle innerlijke, niet-materiële aspecten van het menszijn aangeduid, 

(5) met ‘gewrichten en merg’ alle lichamelijke of fysieke. 

(7) Het Woord van God is in staat om te oordelen over ‘gedachten voortkomend uit de wil en de begeerte’ en over ‘gedachten in de zin van overdenking of inzicht’, waarmee alle soorten van gedachten worden samengevat. Er blijft dus niets voor het Woord verborgen. 

(8) Met ‘hart’ wordt het centrum van de menselijke persoonlijkheid bedoeld. 

(Bewerkte toelichting uit de SB)

Jaap Fijnvandraat bracht het heel beeldend onder woorden.

‘Ik hoef niet te bewijzen dat een leeuw sterk is. Laat hem maar los en dan zal hij dat zelf wel bewijzen! Zo bewijst de Bijbel zelf dat hij Gods Woord is aan het hart van ieder die hem met een oprecht gemoed leest’.

Dat vraagt bijzondere moed, geloofsmoed …

Conclusie 2

Als ‘de deur van de kerk open moet voor homo’s’, dan kan dat niet met een beroep op de Bijbel. Laten de voorstanders eerlijk zijn, en zonder omwegen toegeven dat de Bijbel zich tegen homoseksualiteit uitspreekt. Men kan vele redenen aandragen voor ‘een inclusieve kerk’, maar laat de Bijbel buiten beschouwing. Ruimte voor homoseksualiteit claimen en de Bijbel zeggen te gehoorzamen gaan niet samen. 

Tijdens het schrijven van dit artikel verscheen een ander boek over dit onderwerp, en wel van de Kampense hoogleraar Ad de Bruijne. Hij komt (naar eigen zeggen) met een nieuwe kijk op homoseksualiteit. De Bijbel wijst weliswaar homoseksuele handelingen consequent af, maar homoseksualiteit als ‘onvervreemdbaar deel van wie mensen zijn’ was in Bijbelse tijden nog onbekend, betoogt de hoogleraar. Voor Paulus en andere bijbelschrijvers was die kijk op (homo)seksualiteit vreemd. En dus verlaat ook hij de overtuiging dat het spreken van de Bijbel tijdloos is.

De inhoud van de Bijbel mag niet worden verminkt. Dat wil ook zeggen dat er geen bewust selectief gebruik van mag worden gemaakt. Deze regel is van toepassing op het hele Woord van God. (SB)

U mag aan het woord dat ik u gebied, niets toevoegen en er [ook] niets van afdoen, opdat u de geboden van de Here, uw God, die ik u gebied, in acht neemt. (Deuteronomium 4:2)