De blijvende autoriteit van het Woord

‘Bijbelstudie is een spannend avontuur’ is het motto van dit weblog. Dat is niet zonder reden. Jarenlang was ik geïnteresseerd in Science Fiction. Vanaf mijn tienerjaren verslond ik de ene na de andere titel. Vooral de suggestie van oneindigheid trok. Oneindigheid in tijd, oneindigheid in ruimte en oneindigheid in menselijk kunnen. Langzamerhand verdween echter die passie. Steeds meer drong tot me door dat Science Fiction op zijn best een modern sprookje is. Leuk voor een moment, en soms geschikt om eens over na te denken. Maar het gegeven dat Science Fiction slechts menselijke fantasie is, maakte dat de ‘magie’ verdween. 

Gelukkig bleef ik niet met een ‘zwart gat’ achter. Eveneens sinds mijn tienerjaren ben ik christen – op mijn zeventiende tot levend geloof gekomen. En dat bracht me in aanraking met dat andere Boek. Met het verstrijken van de jaren drong het steeds meer tot me door dat juist de Bijbel hét Science Fiction boek bij uitstek was. Met dit verschil dat het geen fictie is. Ook werd me steeds meer duidelijk dat alles wat me in Science Fiction aantrok, in de Bijbel aanwezig was op een manier waar geen menselijke fantasie tegenop kon. Dit is écht, ondubbelzinnig, de realiteit. Alle geschiedenissen – de notie dat al voor de schepping God bezig was met ons mensen, alle gebeurtenissen – de kosmische strijd tussen God en de tegenstander, het toekomstperspectief – eeuwig leven in directe nabijheid van God, dat alles is de echte werkelijkheid. En dat maakt dat Bijbelstudie zo’n spannend avontuur is. Als God zo’n geweldige toekomst voor ons heeft weggelegd, dan wil je daar toch alles van weten? Daarom ook heeft elke tekst uit de Schrift een ontroerende diepgang, die oneindig veel verder gaat dan de fascinatie die Science Fiction oproept. Die diepgang wordt veroorzaakt door de wetenschap dat als ik de enige zondaar zou zijn geweest tussen voor de rest volmaakte mensen, de Here Jezus toch voor mij zou zijn gestorven!

Dit brengt ons bij een van Jezus’ meest krachtige uitspraken. 

Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is. (Mattheüs 5:18) 

Gods Woord – het Oude en Nieuwe Testament – blijft gezaghebbend totdat (!) alles is geschied. Elke profetie, elke belofte, elk oordeel, elke handeling om mensen te redden zal ten uitvoer worden gebracht. De autoriteit van Gods Woord blijft overeind totdat de eeuwigheid aanbreekt. Schrijfsels van mensen zijn slechts beperkt houdbaar – zo niet Gods Woord.

In dit artikel gaan we verder met de woorden ‘totdat’ en ‘eeuwigheid’. 

De Opname en het herstel van Israël

In Handelingen en in de Romeinenbrief wordt ons uitgelegd hoe het zit met de verhouding Israël – Gemeente van Jezus Christus. Wie nauwkeurig leest kan in ieder geval niet meegaan met de opvatting dat Israël heeft afgedaan, en dat de Kerk in Israëls plaats is gekomen. Of dat alles wat in het Oude Testament over Israël is geschreven, nu van toepassing is op de Kerk. Dat men daarbij de bedreigingen, waarschuwingen, oordelen en zelfs vervloekingen over Israël buiten beschouwing laat, is een te verwaarlozen detail, aldus de sterkhouders van de vervangingstheologie. Zie ook mijn Zijn dit de laatste dagen? (2).

De Schrift leert ons dat God Israël tijdelijk en gedeeltelijk ter zijde heeft gesteld. Deze terzijdestelling is dus niet voor altijd, en ook niet alle Joden vallen er onder. En wat betekent deze terzijdestelling? Welke verandering vond plaats? Welnu, Israëls roeping was getuige van God te zijn in deze wereld. Het heeft gefaald, en daarom heeft God voor een nieuw getuigenis gezorgd, de Gemeente. Als de tijd daar is, wordt de Gemeente opgenomen, en pakt God de draad met Israël weer op. De vraag is nu: wanneer is die tijd daar?

In de begindagen van de Gemeente waren veel zaken nog niet duidelijk. Zo was er onduidelijkheid over de vraag of het evangelie alleen voor Joden was bestemd, of ook voor de heidenen. God maakte Petrus door middel van een visioen duidelijk dat het laatste het geval is (Handelingen 10:11-16). Op zich was dat niets nieuws. Al in het Oude Testament was aangekondigd dat de heidenen zouden delen in het heil.

Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. (Jesaja 49:6)

Jozef en Maria hielden zich nauwkeurig aan de voorschriften met betrekking tot pasgeborenen en hun ouders. Op achtste dag besneden ze Hem, en gaven Hem de Naam Jezus. Vervolgens ondergingen Jozef en Maria het reinigingsritueel. Daarna brachten ze de pasgeboren Heiland naar de tempel. In Gods huis werd de kleine Jezus geheiligd – opgedragen aan God, en brachten ze de voorgeschreven offers. De oude Simeon was in de tempel getuige van dit alles. Hij kwam, geleid door de Heilige Geest, tot dezelfde conclusie als we hierboven zagen bij Jesaja. Let op de volgorde: eerst heil voor de heidenen, daarna heerlijkheid voor Israël.

25 En zie, er was een man in Jeruzalem, van wie de naam Simeon was, en die man was rechtvaardig en godvrezend. Hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem.

26 En hem was een Goddelijke openbaring gegeven door de Heilige Geest dat hij de dood niet zien zou voordat hij de Gezalfde van de Heere zou zien.

27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het Kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen volgens de gewoonte van de wet,

28 nam hij Het in zijn armen, loofde God en zei:

29 Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord,

30 want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,

31 die U bereid hebt voor de ogen van alle volken,

32 een licht om de heidenen te verlichten en om Uw volk Israël te verheerlijken. (Lukas 2:25-32)

Over de vraag of heidenen het heil konden ontvangen, en zo ja, of van hen geëist moest worden zich te laten besnijden, komen de apostelen bijeen in Jeruzalem. Bij de beantwoording van de vraag beroept men zich op het Oude Testament, en wel op een profetie uit Amos 9. Jakobus, die het woord voert, plaatst deze profetie (over het herstel van Israël) in dezelfde volgorde als de oude Simeon eerder al deed. Eerst ziet God om naar de heidenen – een werk dat nog steeds gaande is. Daarna – als dat werk voltooid is – zal God de vervallen hut van David weer opbouwen. Dus, eerst de genadetijd, daarna het Duizendjarig Rijk, Israëls glorietijd. Let vooral op het woordje hierna uit vers 16.

14 Simeon (Petrus) heeft verteld hoe God voorheen naar de heidenen omgezien heeft om voor Zijn Naam uit hen een volk aan te nemen.

15 En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat:

16 Hierna zal Ik terugkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen, en wat daarvan is afgebroken, weer opbouwen en Ik zal hem weer oprichten (Handelingen 15:14-16)

In zijn brief aan de Romeinen verwoordt Paulus dezelfde gang van zaken. Hij noemt het zelfs een geheimenis. Hij beschrijft de verharding die over een deel van Israël is gekomen. Deze blijft totdat de volheid van de heidenen zal zijn ingegaan. Naar veler overtuiging betekent dit dat de genadetijd wordt afgesloten met de Opname, waarna de verlossing van Israel komt. Hier vinden we dan ook het woord totdat. De terzijdestelling blijft totdat de volheid is ingegaan. Anders gezegd, er komt een moment dat de laatste heiden tot geloof komt. Het getal dat God Zich had voorgenomen om een volk bijeen te brengen uit de heidenen is dan bereikt (Handelingen 15:14). Op dat moment wordt de dan complete Gemeente opgenomen.

Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

26 En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. (Romeinen 11:25-26)

Het Oude Testament over Grote Verdrukking

Jakob ligt op sterven. Als een van zijn laatste daden spreekt hij de zegen uit over elk van zijn twaalf zonen. Tegen Juda wordt het volgende gezegd.

De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen. (Genesis 49:10).

Over wie Juda is bestaat geen verschil van mening. En eigenlijk over de Persoon Silo ook niet. Het is de Messias. Eigenlijk zegt Jakob dat de Messias uit het nageslacht van Juda zal zijn. Ogenschijnlijk staat er ook dat er altijd een koning uit Juda zal regeren totdat Silo komt. Dat is een misverstand. Bedenk bijvoorbeeld dat de eerste koning over Israël uit de stam van Benjamin kwam, en we begrijpen dat iets anders wordt bedoeld. 

De bedoeling wordt pas eeuwen later duidelijk. David verlangt de tempel te bouwen, maar dat wordt hem niet toegestaan. Wel worden hem bij monde van Natan geweldige beloften gedaan, en dat met betrekking tot diens nageslacht. Lijkt het daarbij in eerste instantie om Salomo te gaan, al gauw gebruikt Natan woorden die duiden op een Nakomeling in de verre toekomst. Iemand die voor eeuwig op de troon zal zitten, en dat kan geen sterfelijk mens zijn.

Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn. (1 Kronieken 17:14)

David onderkende dat eeuwige aspect ook, want nadat Natan was uitgesproken, ging hij naar zijn binnenkamer en dankte en aanbad God. Daarbij sprak hij onder meer het volgende uit.

16 Toen ging koning David de heilige tent binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?

17 En dit was in Uw ogen nog gering, o God, en U hebt ook nog over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre tijden. (1 Kronieken 17:16-17)

Ook deze belofte betekent niet dat er altijd een koning op troon zal zitten uit het nageslacht van David. Er zullen tijden zijn (denk alleen maar aan de afgelopen 2000 jaar) dat de troon leeg blijft. Maar als de grote Koning komt, zal Hij een nakomeling van Juda en David zijn en zitten op de troon van David. Hij is ‘de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David’ (Openbaring 5:5).

Terug naar Jakob. Hij spreekt nog een nadere profetie uit: ‘Hem zullen de volken gehoorzamen’. Veel profeten hebben dit bevestigd, bijvoorbeeld Jesaja.

2 Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. 

3 Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van de HEERE uit Jeruzalem. 

4 Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren. (Jesaja 2:2-4) 

Dit alles zal zijn aanvang vinden als onderstaand woord van de Here Jezus wordt vervuld. Let op de tijdsaanduiding die de Heer geeft: ‘meteen na de verdrukking van die dagen’! De profetie van Jakob over Juda betekent dus dat Juda en diens nageslacht gedurende vele eeuwen gerechtigd zijn koning over Israël te zijn, totdat aan het eind van de Grote Verdrukking de Messias komt, Wiens koningschap eeuwig zal zijn. Met de woorden van Jakob komt ook aan het licht dat de Messias zal heersen over de volkeren.

29 (…) meteen na de verdrukking van die dagen (…)

30 (…) dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid. (Mattheüs 24:30)

Vooral Daniël en Johannes informeren ons met veel detail over belangrijke gebeurtenissen tijdens de Grote Verdrukking. In die zevenjarige periode bereikt de goddeloosheid van de mens zijn dieptepunt. De genadetijd is voorbij en de dag van de wraak van God is gekomen.

Want zie, die dag komt, brandend als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, stoppels worden. En de dag die komt, zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE van de legermachten, Die van hen wortel noch tak zal overlaten. (Maleachi 4:1)

Ontzettend zware oordelen zullen over de aarde en de mensheid worden gebracht, rampen van een omvang die ons voorstellingsvermogen verre te boven gaan. Toch kunnen we niet anders dan concluderen dat ze gerechtvaardigd zijn.

14 De grote dag van de HEERE is nabij; hij is nabij en nadert zeer snel. Hoor, de dag van de HEERE! De held zal daar bitter schreeuwen!

15 Een dag van verbolgenheid is die dag, een dag van benauwdheid en angst, een dag van verwoesting en vernietiging, een dag van duisternis en donkerheid, een dag van donkere wolken. (Zefanja 1:14-15)

Het brengt de mensheid niet tot inkeer. Immers, terwijl deze oordelen over de wereld gaan, bestaat het de mens nog dieper te zinken. Zodra de antichrist zich openbaart, loopt de afvallige mensheid hem achterna.

4 En zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest macht gegeven had. En zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan dit beest gelijk? En wie kan er oorlog tegen voeren? 

8 En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, althans van wie de namen niet zijn geschreven in het boek des levens van het Lam Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld af. (Openbaring 13:4,8)

In feite is de komst van de antichrist ook een oordeel van God. De mens heeft liever de duivel, en dus zullen ze ten volle ervaren wat dat betekent. De antichrist krijgt vrij spel en maakt daar op een afschuwelijke manier misbruik van. Er komt echter een moment dat de woede van God bedaard is. Op dat moment haalt God de antichrist en zijn valse profeet weg van het toneel. Ja, de antichrist mag zijn gang gaan, maar niet eindeloos. Slechts totdat … Gods woede gestild is. 

Die koning (de antichrist) zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren. (Daniël 11:35-36)

Daniël heeft verschillende malen mogen profeteren over deze dingen. Wat hij zag, moet verschrikkelijk zijn geweest. Het choqueerde hem zo hevig dat hij er soms bijna aan bezweek.

Ik, Daniël, was tot in het diepst van mijn geest geraakt, en de visioenen die mij voor ogen kwamen, verschrikten mij. (Daniël 7:15)

Ik, Daniël, kon niet meer en was enige dagen ziek. Daarna stond ik op en deed ik weer mijn werk voor de koning. Ik was verbijsterd over het visioen, maar niemand merkte het. (Daniël 8:18)

De apostel Johannes was niet minder aangedaan door wat hij zag. Hij bestierf het bijna toen hij het  hemelse uiterlijk van de Here Jezus zag.

En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten (…)(Openbaring 1:17)

Later was hij zo overweldigd dat hij tot tweemaal toe voor een engel neerknielde om hem te aanbidden (zie Openbaring 19:10 en 22:8). Dat mag ons ervan overtuigen dat het ‘lieve’ van God als Vader en de Here Jezus, slechts een kant van Zijn wezen is. God is bovenal heilig. En die heiligheid wordt door Hem bewaakt. De schrijver van de Hebreeënbrief roept ons daarom op tot grote eerbied.

28 Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.

29 Want onze God is een verterend vuur. (Hebreeën 12:28-19)