Raadsbesluiten

Het Duitstalige ‘Donnerwort’ (woord als een donderslag) werd door Bach en tijdgenoten gebruikt om de gigantische impact van het woord ‘eeuwigheid’ te benadrukken. Het begin van de eeuwigheid betekent dat de teerling is geworpen. Er is geen weg terug, wie behouden is, blijft eeuwig behouden, wie verloren is, blijft voor altijd verloren. En inderdaad, wie dat serieus neemt, en de consequenties (voor zover mogelijk) overziet, kan niet anders dan met een bevend hart aan deze dingen denken. De Bijbel spreekt vele malen over de raadsbesluiten van God (of: de raad Gods). De raad Gods is Gods plan tot redding van heel de schepping. Het verzoenend lijden en sterven, en de opstanding van de Here Jezus staan daarin centraal. Dat raadsbesluit komt met enige regelmaat ter sprake. Met het woordje ‘totdat’ of ‘tot’ wordt een beslissende overgang van het ene tijdperk naar het volgende aangeduid. Overigens worden dergelijke overgangen ook wel beschreven zonder beide ‘signaalwoordjes’. 

In het eerste artikel hebben we ons bezighouden met veranderingen die vooral te maken hebben met het heil van individuele personen. We gaan nu verder met ‘de grote raadsbesluiten’. Ik maak hier echter alvast een voorbehoud. Het spreken over Gods plannen mag niet de indruk wekken alsof God een soort klok heeft geschapen, die in een regelmatig tempo afloopt. Als dat zo was, zou Hij (met eerbied gesproken) aan Zijn eigen raadsbesluiten vast zitten. Zo is het niet. Alle raadsbesluiten worden weliswaar verwerkelijkt, maar de momenten staan niet vast. God neemt de besluiten, maar stelt soms uit, of bespoedigt juist. Ook geeft Hij de mens een zekere verantwoordelijkheid en invloed. Een nadenkertje voor degenen die menen dat de dag van Christus’ wederkomst te berekenen valt (zie daarvoor ook mijn Rekenen met tekenen).

God doet wat Hij zegt en zegt wat Hij doet

In Jesaja maakt God Zich bekend als Degene die altijd doet wat Hij zegt. Bovendien kondigt Hij van tevoren aan wat er allemaal ‘op het programma staat’. 

Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher de dingen die nog niet plaatsgevonden hebben; Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen; (Jesaja 46:10)

De profeet Amos laat zien dat God geen spelletjes speelt. Alles verloopt zeer zorgvuldig, Hij stelt de mens niet voor voldongen feiten. Sterker nog, Hij speelt volkomen open kaart!

Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten. (Amos 1:7)

De houding van de mens speelt een rol

De mens kan mee- of tegenwerken. Dat is uiteraard niet vrijblijvend. God houdt de mens te allen tijde verantwoordelijk. Zo wordt van David gezegd dat zijn koningschap, zijn regering, onderdeel was van de raadsbesluiten van God, en dat hij zich had gevoegd naar de wil van God.

Immers, David is ontslapen nadat hij in zijn tijd het raadsbesluit van God uitgediend had, en hij is bij zijn vaderen gelegd (…) (Handelingen 13:36)

Van de Farizeeën en de wetgeleerden lezen we echter dat zij zich niet naar de raadsbesluiten van God wensten te schikken. Hoe ernstig: zij maakten voor zichzelf Gods heil ongedaan.

maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen het raadsbesluit van God met betrekking tot zichzelf, omdat ze niet door hem (Johannes de Doper) gedoopt wilden worden. (Lukas 7:30)

Later zal de Here Jezus woorden van gelijke strekking uitspreken over Jeruzalem.

Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt die naar u toe gezonden zijn, hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels, maar u hebt niet gewild! (Lukas 13:34)

En ook na het lijden en sterven en de opstanding van de Here Jezus blijven vele Joden weigerachtig. Ze slaan het hernieuwde aanbod van God af.

Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u gesproken zou worden, maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen. (Handelingen 13:46)

In zijn brief aan de Romeinen geeft Paulus nog enige achtergrondinformatie over de weigerachtigheid van de Joden.

Omdat zij immers de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand proberen te brengen, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen. (Romeinen 10:3)

Bovenstaande voorbeelden laten zien dat Gods raadsbesluiten altijd worden verwerkelijkt, maar dat de mens niet wordt gedwongen er in mee te gaan. We zijn vrij al dan niet Gods wegen te bewandelen. Die houding heeft uiteraard consequenties, het kan leiden tot het eeuwige vuur.

Al Gods raadsbesluiten betreffen de Here Jezus 

Zoals hierboven al aangegeven spreekt de Bijbel vele malen over de raadsbesluiten van God, dat is Gods plan tot redding van heel de schepping. Zonder dat daar het woord raadsbesluit valt, lezen we al in Genesis dat de zondeval en de daarmee samenhangende vloek door de komende Messias ongedaan zal worden gemaakt (Genesis 3:15). Gods belofte aangaande de komst van de Messias stamt overigens al van voor de totstandkoming van de schepping – dus ver voor (!) de zondeval. 

Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard omwille van u. (1 Petrus 1:20)

deze Jezus, Die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is, (…) (Handelingen 2:23)

27 Want, in waarheid, tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, zijn Herodes en Pontius Pilatus samen met de heidenen en de volken van Israël bijeengekomen,

28 om alles te doen wat Uw hand en Uw raadsbesluit van tevoren bepaald had dat er gebeuren zou. (Handelingen 4:27-28)

Zoals bekend wordt de komst van de Messias en Diens optreden doorheen het hele Oude Testament in talrijke profetieën aangekondigd.

God heeft op die manier vervuld wat Hij bij monde van al Zijn profeten aangekondigd had, namelijk dat de Christus lijden zou. (Handelingen 3:18)

Deze voorkennis betekent dat God al in het Oude Testament wist van het werk van Christus. Die wetenschap uit zich in een vaak onbegrepen waarheid: God rekende de gelovigen uit de tijd van het Oude Testament hun zonden niet aan. Hij vergaf ze omdat Hij wist dat Christus daarvoor Zijn bloed zou laten vloeien. Zo handelde God toch rechtvaardig. Anders gezegd, ook in het Oude Testament geldt dat alleen op grond van geloof iemand behouden kon worden.

(…) de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. (Habakuk 2:4)

Zo komen we bij opmerkelijke woorden van Paulus.

want ik heb niet nagelaten u heel het raadsbesluit van God te verkondigen. (Handelingen 20:27)

Paulus spreekt deze woorden tot de oudsten van Efeze. Het is de laatste keer dat hij met hen spreekt. Onder het vele dat hij hun meedeelt valt dit ene op: aangaande de raadsbesluiten van God heeft hij hun alles verteld. Niets heeft hij achtergehouden. De raadsbesluiten van God hebben hun begin in ‘de voorbije eeuwigheid’ en strekken zich uit tot in alle eeuwigheden die nog komen. Wat een geweldige uitspraak. Wat belangrijk voor ons gelovigen om dit te weten! Dit betekent immers dat er niets meer aan toe kan worden gevoegd. Een duidelijk signaal dat we geen nieuwe openbaringen hebben te verwachten. Alles wat we moeten weten staat in de Bijbel, en die Bijbel staat ons voortdurend ter beschikking. Paulus zelf bevestigt aan de Kolossers dat God hem tot taak gaf ‘het woord van God te voleindigen’.

waarvan ik een dienaar geworden ben overeenkomstig het rentmeesterschap van God dat mij gegeven is voor u, om het woord van God te voleindigen: (Telos)(Kolosse 1:25)

‘Voleindigen’ betekent ‘volledig maken’, ‘tot volheid brengen’, ‘completeren’.

Al voor dat Paulus optrad, sprak de Here Jezus in vergelijkbare bewoordingen over de wet en de profeten. Verschil met Paulus is dat het bij de Here Jezus niet slechts gaat om het compleet maken van informatie, maar om Zijn eigen Persoon. Wat niemand kon, de wet gehoorzamen, blijkt Hij wel te kunnen. Hij zou laten zien wat het betekent om de wet te gehoorzamen: een volmaakt leven tot eer van God. Bovendien was Hij Zelf de vervulling van de profetieën. In Hem zouden de profetieën werkelijkheid worden.

Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. (Mattheus 5:17)

Verwerkelijkte voorbeelden van ‘totdat’

Gods ‘totdat’ of ‘tot’ heeft dikwijls te maken met een proces. Vergelijk het oppompen van autobanden. Als de fabrikant aangeeft dat de optimale spanning 2,5 bar is, dan zal de gebruiker die waarde op de meter in de gaten houden tijdens het opvoeren van de druk. Op het moment dat de 2,5 bar is bereikt, stopt hij het proces. Niet eerder, want dan is er sprake van onderspanning, ook niet later, want ontstaat overspanning. Zo zien we in de Bijbel ook een aantal voorbeelden van processen, waarbij het bereiken van de juiste toestand, of het juiste aantal, bepalend is voor Gods ingrijpen. Enkele voorbeelden.

Noach

Voorafgaand aan de zondvloed lezen we niets over geboden of wetten. Ook van een overkoepelende overheid schijnt geen sprake te zijn geweest. En waar we later in de Bijbel lezen over dreigende oordelen en gerichten, zijn ook die opvallend afwezig. Het lijkt er daarom op dat God de steeds verder achteruitgaande toestand ‘op zijn beloop heeft geladen’ (met eerbied gesproken). Niettemin blijkt dat God voor Zichzelf wel degelijk een moment heeft vastgesteld dat het niet langer zo kon doorgaan. In menselijke woorden: de maat zou eens vol zijn.

5 En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.

6 Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.

7 En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb. (Genesis 6:5-7)

Op dat moment viel dus de beslissing. Het oordeel kwam echter niet onmiddellijk. Temidden van heel de mensheid was Noach de enige die genade vond in de ogen van God (Genesis 6:8). Hij moest een ark bouwen om zichzelf en zijn gezin te redden, en van alle dieren exemplaren in de ark laten komen om ze in leven te houden (Genesis 6:19). Het bouwen van de ark zou tijd kosten. Pas als alles gereed was, zou de vloed komen. In dit verband is een ander vers interessant.

Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn. (Genesis 6:3)

Dit vers kent twee uitleggingen. (1) Noach krijgt honderdtwintig jaar de tijd om de ark te bouwen, en alles gereed te maken voordat het water komt. (2) Het is gedaan met de hoge leeftijden van de oudvaders. De maximale haalbare leeftijd voor elk mens zou na de zondvloed honderdtwintig jaar zijn. Mogelijk zijn beide gelijktijdig waar. Hoe dit verder ook zij, de zondvloed is gekomen en nam alle mensen weg. Alleen de acht in de ark werden gespaard.

Abraham

God beloofde Abram dat Hij hem het land Israël zou geven.

(…) Hij zei tegen hem: Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heb, om u dit land te geven om het in bezit te hebben. (Genesis 15:7)

Het land zal aan Abrams nakomelingen worden gegeven, dus in hen ontving Abraham het land.

(…) de HEERE sloot een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven (…) (Genesis 15:18)

Het zal echter nog geruime tijd duren voor deze belofte wordt verwerkelijkt. Eerst zal het volk eeuwenlang een slavenbestaan lijden in Egypte.

Toen zei God tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken. (Genesis 15:13)

God zal hen daaruit bevrijden.

Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken. (Genesis 15:14)

Uiteindelijk zal het volk terugkeren in het land dat aan Abram is beloofd en het in bezit nemen.

De vierde generatie zal hier terugkeren (…)(Genesis 15:16)

De verblijfsduur van de Israëlieten, de tijd dat zij in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar.(Exodus 12:40)

In het gehele gebeuren realiseert God een aantal belangrijke doelen.

  1. De bevrijding van Israël uit de slavernij.
  2. Oordeel over Egypte.
  3. God toont Egypte en de farao Zijn macht en majesteit.
  4. Het volk Israël neemt het land Kanaän in bezit.
  5. Israël is het instrument waarmee God het oordeel over de Amorieten voltrekt.

In het land Kanaän woonden zeven volken, in Genesis samengevat onder de naam Amorieten. Deze volken verontreinigden het land met gruwelijke zonden, zodat God moest oordelen. Vergelijk de zondvloed en Sodom en Gomorra. Op het moment van de beloften aan Abram was de tijd van oordelen nog niet daar. De zeven volkeren kregen nog zo’n vierhonderd jaar de tijd zich te bekeren. 

(…) wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. (2 Petrus 3:9)

Maar God wist dat dat niet zou gebeuren. Er zou dus een moment komen dat de maat van de zonde vol was.

De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol. (Genesis 15:16)

Na de Exodus en op weg naar het beloofde land werden de Israëlieten ettelijke malen gewaarschuwd niet te doen wat de Amorieten deden.

Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, mag u niet leren handelen overeenkomstig de gruweldaden van die volken. (Deuteronomium 18:9)

Eenmaal aangekomen in het land moest Israël het oordeel voltrekken.

Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft (Deuteronomium 20:17)

God heeft lang geduld gehad met de Amorieten, totdat de maat van de zonde vol was …

De wet

In deze tijd van toenemende wetsverachting, ligt ook Gods wet regelmatig onder vuur. Vooral het boek Leviticus moet het ontgelden, al was het alleen vanwege de LHBTIQ-beweging. De Bijbel zelf spreekt heel anders over Gods wet, die heilig, volmaakt, betrouwbaar, rechtvaardig en goed wordt genoemd.

Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. (Romeinen 7:12)

8 De wet van de HEERE is volmaakt, zij bekeert de ziel; de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar, zij geeft de eenvoudige wijsheid.

9 De bevelen van de HEERE zijn recht, zij verblijden het hart; het gebod van de HEERE is zuiver, het verlicht de ogen. (Psalm 19:7-8 )

In Jesaja lezen we over de bovennatuurlijke werkzaamheid van Gods Woord.

10 Want zoals regen of sneeuw neerdaalt van de hemel en daarheen niet terugkeert, maar de aarde doorvochtigt en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen, zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,

11 zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat: het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend. (Jesaja 55:10-11)

Aangezien de wet een onderdeel is van Gods Woord, zal die werkzaamheid ook voor de wet gelden. En inderdaad, van die werkzaamheid getuigt de Schrift zelf. Wat doet de wet?

Want allen die het van de werken van de wet verwacht, zijn onder de vloek. Er staat immers geschreven: Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen. (Galaten 3:10)

Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden. (Jakobus 2:10)

Wij weten nu dat alles wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond gestopt wordt en maakt allen schuldig voor voor God. (Romeinen 3:19)

De grote evangelist Moody heeft eens gezegd, dat de wet een spiegel is, geschikt om iemand te overtuigen dat zijn gezicht vuil is, maar ongeschikt om zich er mee te wassen. De wet laat zien dat de mens schuldig staat voor God, maar kan de mens niet redden voor de eeuwigheid.

Daarom zal uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden. Door de wet is immers kennis van zonde. (Romeinen 3:20)

ieder die gelooft, wordt door Hem gerechtvaardigd van alles waarvan u door de wet van Mozes niet gerechtvaardigd kon worden. (Handelingen 13:39)

Dat maakt de wet uiteraard niet nutteloos, integendeel. Paulus legt de Galaten uit dat de wet een soort oppasser is geweest, die ons als het ware naar Christus gebracht heeft.

Waartoe dient dan de wet? Zij is eraan toegevoegd omwille van de overtredingen, totdat het Nageslacht zou gekomen zijn aan Wie het beloofd was; en zij is door engelen in de hand van de middelaar beschikt. (Galaten 3:19)

En hier hebben dan weer het woordje ‘totdat’. De wet kon ons niet redden voor de eeuwigheid, het geloof in de Here Jezus Christus kan dat wel. Daarom is de oppasser niet langer nodig. De wet was nodig, totdat de Here Jezus kwam.

In het laatste artikel profetieën die wachten op vervulling totdat het Goddelijke totdat bereikt is.