Efeze 1:10

In het vorige artikel heb ik Efeze 1:10 niet besproken. In deze aflevering ga ik dat alsnog doen. Het gaat om vers 10, waarbij uiteraard de daaraan voorafgaande verzen niet genegeerd kunnen worden.

7 In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade,
8 die Hij ons overvloedig geschonken heeft, in alle wijsheid en bedachtzaamheid,
9 toen Hij ons, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte,
10 om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is. (Efeze 1:7-10)

Vóór alle dingen dienen we ons te realiseren dat welke zegen ons ook toevalt, het altijd is ‘in Hem’, in Christus. Alles is door Hem tot stand gebracht. Slechts langs de weg van geloof en wedergeboorte krijgen we deel aan Zijn verdiensten. Uit onszelf hebben we nergens recht op. Dat geldt ook voor de wonderlijke zaken uit deze verzen.

Christus als Hoofd van de Gemeente is ons onderwerp. Vers 10 gaat wel over ‘Hoofd’ in verbinding met Christus, maar de betekenis is hier ruimer. Kijken we eerst naar een aantal vertalingen.

dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande de bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder een hoofd samen te brengen in Christus; (Telos)

 om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is. (HSV)

 om met Christus de voltooiing van de tijd te verwezenlijken en zijn besluit om alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus. (NBV)

 ter verwezenlijking van de volheid van de tijden: alles in Christus onder één hoofd samen te brengen,alles in de hemelse regionen en alles op aarde, in Hem. (Willibrord-vertaling ’95)

Waarom gebruikt de ene vertaling nu wel het woord hoofden de andere niet? Dat heeft te maken met de oorspronkelijke Griekse tekst. In de grondtekst van vers 10 staat niet hoofd(kephalē), maar een langer woord (anakephalaioō) waarin kephalē voorkomt.

Gods wil

Het centrale vers in de passage 7-10 is vers 9, en daarvan deze woorden: ‘toen Hij ons (…) het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte’. In deze verzen wordt dus onthuld wat Gods wil is. Het wanneer van de verwerkelijking van die wil staat in vers 10: ‘in de bedeling van de volheid van de tijden’. Deze woorden vormen een profetie. Er komt een moment dat alles wordt zoals God het Zich heeft voorgenomen. Dat moment heet ‘de volheid van de tijden’. Volheid doet denken aan ‘gevuld’ of ‘vervuld’. Paulus spreekt in de eerste Korintebrief nog zo’n profetie uit. Het einddoel van Gods heilsgeschiedenis is ‘God is alles in allen‘. (1 Korinte 15:28)

Wat heeft God Zich voorgenomen? Dat staat in vers 10.

 alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is (HSV)

 alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder een hoofd samen te brengen in Christus (Telos)

 alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus (NBV)

 alles in Christus onder één hoofd samen te brengen, alles in de hemelse regionen en alles op aarde, in Hem. (Willibrord-vertaling ’95)

We zien meteen dat dit meer omvat dan het Hoofdschap van het Lichaam van Christus, de Gemeente. Er vanuit gaande dat alverzoening een dwaalleer is, betekent dit dat het samenbrengen pas zal plaatsvinden als alles zijn beslag heeft gekregen. Anders gezegd, alles wat een gevolg is van de zonde zal er niet meer zijn.

God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. (Openbaring 21:4)

Het betekent ook dat alles wat zonde heet en zonde doet is weggedaan.

 Maar wat betreft de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars: hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. (Openbaring 21:8)

Wij (nu nog vergankelijke mensen) zullen gehuld worden in onvergankelijkheid, wij (nu nog sterfelijke mensen) zullen overtrokken worden met onsterfelijkheid. Wanneer dat gebeurd is zal uitkomen wat er in de Bijbel staat: De dood is weg, de overwinning is bereikt!

(Parafrase van 1 Korinte 15:53-54 van Anne de Vries)

Samenbrengen

Wat wil dat nu zeggen, samenbrengen? In de eerste plaats betekent het dat in de gehele schepping harmonie zal ontstaan. Hemelse en aardse schepselen, zichtbare en onzichtbare, alles zal perfect bij elkaar passen. En dat is niet alles. Die complete, harmonieuze schepping zal vooral in volmaakte harmonie met God zijn. Het is de verhoring van een van de gebeden van de Here Jezus.

20 En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij zullen geloven,

21 opdat zij allen één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn, (…).

22 En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij Eén zijn;

23 Ik in hen, en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn (…).

24 Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien, die U Mij gegeven hebt, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld. (Johannes 17:20-24)

God de Vader en God de Zoon zijn één. De gelovigen zijn één. God de Vader, God de Zoon en Gods kinderen worden één. Dat bijeenbrengen was dus nodig. We zijn zo gewend te spreken over Christus’ offer aan het kruis, Zijn overwinning over zonde, satan en dood, dat we weinig oog hebben voor wat Hij op Golgotha nog meer tot stand heeft gebracht.

Tengevolge van de zondeval werd de schepping immers compleet uit elkaar geslagen. Er was ooit perfecte harmonie. God zag dat het goed was! Maar na de zondeval was het niet langer goed. Ondanks alle pracht en praal die we ook vandaag nog in Gods schepping herkennen, was de achtergang zo groot, dat we ons van de oorspronkelijke schepping geen voorstelling meer kunnen maken.

De schepping op aarde is uiteengevallen. Geen onderlinge harmonie meer, maar moord en doodslag onder mensen. In de dierenwereld geldt eten en gegeten worden. Maar niet alleen op aarde, ook in de hemel (in het heelal) was alles uiteengevallen. Hierbij moeten we wellicht zelfs denken aan het onbegrijpelijke van het uitdijen van het heelal. Hoewel de kosmos oneindig is, worden de onderlinge afstanden nog steeds groter. Bovendien heeft men ontdekt dat de snelheid waarmee die uitdijing plaatsvindt, toeneemt.

Dat is trouwens een treffend beeld van de huidige mensheid. De intermenselijke afstanden worden ook steeds groter. Mensen trekken elkaar niet meer aan, ze stoten elkaar af. Geen wonder dat Paulus een hartenkreet uit in zijn brief aan de Romeinen!

19 Met reikhalzend verlangen immers verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen van God.

20 Want de schepping is aan de zinloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar door hem die haar daaraan onderworpen heeft,

21 in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.

22 Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe. (Romeinen 8:19-22)

Hier is veel over te zeggen, maar de ruimte ontbreekt. Het 21ste vers echter springt er uit. Daar staat dat de schepping in al zijn glorie zal worden hersteld, en dat dat alles te maken heeft met de verheerlijking van de kinderen van God. En zo zijn we terug bij onze tekst uit Efeze 1. Alles zal eens in schitterende glorie bijeen worden gebracht in de Zoon van God en onder gezag van de Zoon van God. Nog eenmaal de Romeinenbrief:

16 De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.

17 En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, als wij inderdaad met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden (Romeinen 8:16-17)

We zijn kinderen van God, we zijn erfgenamen van God, mede-erfgenamen van Christus, we zullen met Hem verheerlijkt worden. Bij alles wat we overdacht hebben over het bijeenbrengen van al het geschapene in Christus, mogen we bedenken dat wij, als verheerlijkte gelovigen, daarbij betrokken zullen worden, dat wij daarin een rol zullen spelen!