Volharden

We zijn toegekomen aan de laatste twee verzen (13 en 14) uit het eerste deel van de rede van de Here Jezus uit Mattheüs 24. Voor de goede orde, we zijn nog steeds in de periode van ‘het openen van het zesde zegel’ in Openbaring. Eerst vers 13 uit Mattheus 24.

Mattheus 24:13 Openbaring
13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.  

De Here Jezus doet een belangwekkende uitspraak, waaruit veel kan worden opgemaakt. De uitspraak volgt op de tekening van de desolate toestand waarin de hele mensheid zich bevindt na het openen van het zesde zegel. Hij zegt dat het op volharden aankomt, en dat wie zulks doet, zalig zal worden. Anders gezegd, behoudenis op standvastigheid. Wie niet volhoudt, gaat verloren. ‘Tot het einde’ wil zeggen tot de marteldood, of tot de wederkomst van de Here Jezus. Dat is iets anders dan wat we in deze genadetijd prediken. De huidige verkondiging spreekt van genade, en van behoudenis op geloof. Laten we een aantal Schriftplaatsen bekijken.

Want uit genade bent u behouden, door het geloof; en dat niet uit u, het is de gave van God; (Efeze 2:8)

Onze redding is geheel te danken aan Gods genade. Gods heil komt tot ons langs de weg van het geloof. Dit geloof is gericht op Jezus Christus en bestaat uit ons vertrouwen op Hem. Dat vertrouwen komt tot uiting in gehoorzaamheid. Wij gelovigen hebben dit niet aan onszelf te danken. Het wordt ons door God gegeven. Sterker nog, er is niets in onszelf dat maakt dat we iets verdiend zouden hebben. Alles is uitsluitend aan God te danken.

We hoeven daarom ook niet bang te zijn. Er is immers niets dat ons zou kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer (Romeinen 8:39). Onze situatie is derhalve geheel anders dan die van gelovigen tijdens de grote verdrukking. Volhouden tot het einde wordt in de laatste jaarweek een voorwaarde tot behoud. Het behoud hangt dan mede af van de volharding van gelovigen. Dat is het gevolg van de terugkeer van de situatie van het Oude Testament. We zagen eerder al de roep om wraak, hier herkennen we iets van de voorwaarden van de wet. Zie voor het contrast wet – genade onderstaande Schriftplaatsen.

Daarom is het op grond van geloof, opdat het naar genade zou zijn, zodat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet alleen dat wat uit de wet is, maar ook dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen (Romeinen 4:16)

namelijk gerechtigheid van God door geloof in Jezus Christus tot allen, en over allen die geloven; want er is geen onderscheid. (Romeinen 3:22)

Want wij stellen vast, dat een mens gerechtvaardigd wordt door geloof, zonder werken van de wet. (Romeinen 3:28)

die echter weten dat een mens niet gerechtvaardigd wordt op grond van werken van de wet, maar alleen door het geloof in Jezus Christus, ook wij hebben in Christus Jezus geloofd, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden op grond van geloof in Christus en niet op grond van werken van de wet, want op grond van werken van de wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden. (Galaten 2:16)

En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk, want ’de rechtvaardige zal op grond van geloof leven’. (Galaten 3:11)

Natuurlijk is het aspect ‘volhouden’ ook bij christenen een realiteit. Wel betreft dat ‘volharden’ andere facetten van het geloofsleven. Neem Paulus’ uitspraak uit 1 Korinte 15.

waardoor u ook behouden wordt (als u vasthoudt aan het woord dat ik u heb verkondigd), tenzij u tevergeefs hebt geloofd. (1 Korinte 15:2)

Blijkens de context werd in Korinte een ander evangelie verkondigd. Men stelde namelijk dat er geen opstanding uit de doden zal zijn. Welnu, zegt Paulus, als je dat gelooft, geloof je een ander evangelie, een evangelie dat je niet zal kunnen redden. Dus: hou vast aan wat ik je geleerd heb.

Dit is inderdaad van een geheel andere orde dan het volhouden van de gelovigen tijdens de laatste jaarweek. Daar gaat het om hevige vervolging, hier gaat het om de keus tussen zuivere of valse leer.

4 Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.

5 Moge nu de God van de volharding en de vertroosting (…)(Romeinen 15:4-5)

De christen heeft volharding nodig. Samen met de vertroosting wordt die ons door de Schrift gegeven. Maar God Zelf wordt de God der volharding en vertroosting genoemd. Dat slaat uiteraard niet op God Zelf. Het betekent dat de volharding ons niet alleen vanuit de Schrift wordt aangereikt, maar ook door God Zelf rechtstreeks in het hart van de gelovige. Anders gezegd, beide (volharding en vertroosting) worden ons gegeven.

terwijl u te allen tijde bidt in de Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen, (Efeze 6:18)

Hier leren we dat voor de christen het dragen van de geestelijke wapenrusting alleen (zie Efeze 6:13-17) niet voldoende is als het om de geestelijke strijd gaat. Een intens gebedsleven, door de Geest geleid en geïnspireerd, is tevens nodig. Dat is een gebed dat niet versaagt, maar blijft volharden. Vergelijk onderstaande woorden van de Here Jezus.

Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden (Lukas 18:1)

Ook in andere opzichten is volharding vereist. Druk van buitenaf en dwaalleer van binnenuit kunnen de zuivere leer danig bedreigen. Maar – zegt Paulus – dat is niet voor niets, het heeft een doel.

Want er moeten ook sekten onder u zijn, opdat ook de beproefden onder u openbaar worden. (1 Korinte 11:19)

Ten aanzien van de zuivere leer is dus ook volharding nodig. De wereld laat de gemeente wat dat betreft niet met rust. We zien de laatste jaren om ons heen een steeds sterkere neiging het vasthouden aan de Bijbelse leer in de sfeer van discriminatie te trekken. Uiteindelijk kan dit ertoe leiden dat alleen zij die met hun hele hart de Here Jezus toebehoren, staande blijven.

Deze ontwikkelingen zijn in de Schrift voorzegd. Er komt een tijd dat zich gelovig noemende mensen door deze ontwikkelingen ontmaskerd worden als ‘schijnchristenen’. Het is tevens een voorbode van de massale afval die komt vlak voor de wederkomst van de Here Jezus.

We moeten bovendien goed in de gaten houden, dat zij die tijdens de genadetijd geweigerd hebben het evangelie aan te nemen, niet tot degenen horen over wie de Here Jezus spreekt in Mattheus 24:13. Wie in onze tijd Gods aanbod afwijst, krijgt niet nog een kans. Over hen die hadden kunnen worden gered – als zij maar gewild hadden – komt een oordeel van verharding, zodat zij de leugen geloven. Die leugen kan heel goed bestaan uit vormen van dwaalleer.

10 en met allerlei bedrog van de ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden.

11 En daarom zendt God hun een werking van de dwaling om de leugen te geloven,

12 opdat allen geoordeeld worden die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid. (2 Thessalonica 2:10-12)

Wereldwijde prediking

We komen nu bij een vers waaraan ik in een eerder artikel (Rekenen met tekenen) al uitgebreid aandacht heb besteed. In dit artikel doen we dat opnieuw, maar dan vanuit een andere invalshoek.

Mattheus 24:14 Openbaring
14 En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.  

Als de hoofdstelling van deze reeks klopt – Mattheus 24 loopt parallel met Openbaring te beginnen bij hoofdstuk 6 – dan moet het duidelijk zijn dat bovenstaande uitspraak van de Here Jezus onmogelijk kan slaan op de tijd voorafgaand aan de Opname. Het verkondigen van het Evangelie van het Koninkrijk zal worden voltooid tijdens de laatste jaarweek. Het boek Openbaring begint met de aanduiding Openbaring van Jezus Christus. Dit houdt in dat alles wat Johannes moet noteren onthullingen zijn. Onthullingen aangaande de toekomst, onthullingen over wat in de hemel gebeurt en onthulling van de Koning Die komen zal. De prediking zal uiteindelijk worden samengevat in deze ene oproep:

Vreest God en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van zijn oordeel is gekomen; en aanbidt hem die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen heeft gemaakt. (Openbaring 14:7)

De bijbehorend conclusie van Mattheus 24:14 – en dan zal het einde komen – slaat dan ook niet op het eind van de genadetijd (lees: de opname), maar op de komst van Koning Jezus en Diens vestiging van het Duizendjarig Rijk. Logisch ook, want het Duizendjarig Rijk ís het Koninkrijk dat wordt verkondigd.

De gebeurtenissen verbonden met die verkondiging worden uitgebreid door Johannes weergegeven. Het ene vers 14 uit Mattheus 24 correspondeert namelijk met het complete hoofdstuk 7 uit Openbaring.

Het gelovig joodse overblijfsel

Het bestaan en functioneren van dit overblijfsel wordt op diverse plaatsen in de Schrift vermeld. Paulus schrijft erover als hij uitlegt dat het getuigenis van God bij Israël is weggenomen en aan de gemeente gegeven, tijdelijk althans. Deze situatie duurt tot op de dag van vandaag voort, maar zal afgesloten worden met de Opname. Het getuigenis in onze tijd – de Gemeente dus – wordt van de aarde weggenomen. Het joodse overblijfsel wordt na de Opname – als in Oudtestamentische tijden – opnieuw Gods getuigenis op aarde, en wel tijdens de laatste jaarweek. De bedoelde verzen komen uit de brief aan de Romeinen.

1 Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.

2 God heeft Zijn volk, dat Hij van tevoren kende, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift zegt in de geschiedenis van Elia, hoe hij God aanspreekt over Israël en zegt:

3 Heere, Uw profeten hebben zij gedood en Uw altaren afgebroken, en ik ben alleen overgebleven. Ook staan zij mij naar het leven.

4 Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tegen hem? Ik heb voor Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.

5 Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade. (Romeinen 11:1-5)

Dit fragment is waarschijnlijk een van de slechtst gelezen gedeelten uit de brieven van Paulus. Tenminste als je afgaat op alle vreemde, Israëlvijandige opvattingen, die allemaal indruisen tegen wat hier staat. Zo zou de gemeente in de plaats van Israël zijn gekomen, en alles in het Oude Testament wat over Israël handelt, op de Kerk slaan. Paulus stelt meteen de hamvraag: ‘Heeft God Zijn volk verstoten?’ Antwoord: ‘Volstrekt niet!’ Wij zouden zeggen: ‘Ben je nou helemaal …?’ of ‘hoe haal je dat in je hoofd?’ Het bewijs ligt voor de hand. Hij wijst op zichzelf: ‘Ik ben immers ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin.’ Dan kun je toch niet volhouden dat Israël verstoten is? Om van al die anderen die al in de begintijd van de gemeente tot geloof kwamen (en dus gered zijn) maar te zwijgen. Nee, zegt Paulus, niet verstoten. Maar verreweg de meeste Israëlieten hebben hun hart verhard, en verwerpen Jezus Christus als hun Messias. Verreweg de meeste Israëlieten, maar niet allemaal. Met het voorbeeld van Elia in de tijd van Achab verzekert God ons via de woorden van Paulus dat er altijd een gelovige overblijfsel zal zijn. Dat was in Oudtestamentische tijden al zo, dat is ten tijde van Paulus zo, dat is in onze dagen zo, en dat zal ook in de laatste jaarweek het geval zijn. Of dat nu 7000 mannen zijn, dan wel meer of minder, God weet precies wie het zijn en hoeveel het zijn. En om het in het juiste perspectief te zetten: het is niet de verdienste van dat overblijfsel, het is puur Gods werk, God verkiest deze mensen op grond van genade.

De gemeente – bestaande uit bekeerde joden en heidenen – is voor de aanvang van de laatste jaarweek opgenomen. De Heilige Geest (de weerhouder uit 2 Thessalonica) is daarmee niet langer op aarde. Op de eerste Pinksterdag werd de Geest uitgestort, met de Opname wordt de Geest mee opgenomen. Niettemin is er ook in de laatste jaarweek een werking van de Heilige Geest. Net zoals in het Oude Testament werkt Hij (niet woont!) in gelovigen en geeft hun bijzondere bekwaamheden voor hun taak. Het eerste werk van de Geest in de laatste jaarweek zal zijn het tot bekering leiden van het overblijfsel. Dat is nodig, want als ze al gelovig waren, zouden ze met de gemeente mee opgenomen zijn.

In de laatste jaarweek zal dit gelovig geworden joodse overblijfsel voor de laatste keer het evangelie van het Koninkrijk verkondigen en wel aan alle volken. Israël is immers nog steeds verspreid over de gehele wereld. Woont dus te midden van vele volkeren, en spreekt ook hun taal.

De predikers

We hebben nu zes zegels zien openen. Maar Openbaring gaat niet meteen verder met het zevende zegel. Eerst krijgen we hoofdstuk 7. Men noemt dit gedeelte wel een tussenzin. Het laat zich verdelen in drie gedeelten. Het eerste deel gaat over de omstandigheden waaronder het verzegelen van de 144.000 moet plaatsvinden, het tweede over ‘het verzegelen van de 144.000’, en het derde over ‘de schare die niemand tellen kan’.

Mattheus 24:14 Openbaring 7:1-3
14 En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen. 1 Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom.

2 En Ik zag een andere engel opkomen van de opgang van de zon, die het zegel van de levende God had; en hij riep met luider stem tot de vier engelen wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen,

3 en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld.

Johannes begint het eerste vers van hoofdstuk 7 met het woordje ‘hierna’. Hij ziet vier engelen die de vier winden van de aarde vasthouden, als een soort stilte voor de storm. De engelen wordt te verstaan gegeven te wachten. Eerst moeten ‘de slaven van onze God aan hun voorhoofden worden verzegeld’. Dit doet denken aan een vers uit Ezechiël.

En de Here zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en maak een teken op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden. (Ezechiël 9:4)

Het teken werd aangebracht op de voorhoofden van mannen die trouw waren aan de dienst van de Here. Te midden van grootschalig verderf hielden zij stand, bedreven rouw en getuigden tegen de gruwelen die in de tempel te Jeruzalem werden uitgevoerd. Gruwelen ziet op afgoderij. In Ezechiël is het de Here die opdracht geeft tot het voltrekken van het oordeel over de bevolking van Jeruzalem – door zes mannen (waarschijnlijk engelen) met een vernietigingswapen. Uitdrukkelijk wordt hun verboden ‘iemand die het teken draagt aan te raken’ (Ezechiël 9:6).

De verzegelden uit Openbaring 7 krijgen met dezelfde wantoestanden te maken. De gruwel der verwoesting zal op de Heilige Plaats staan, een afgodsbeeld in de (dan herbouwde) tempel.

Mattheus 24:14 Openbaring 7:4-8
14 En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen. 4 En ik hoorde het getal van de verzegelden: honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van de zonen van Israel –

5 uit de stam Juda twaalfduizend verzegelden, uit de stam Ruben twaalfduizend, uit de stam Gad twaalfduizend,

6 uit de stam Aser twaalfduizend, uit de stam Naftali twaalfduizend, uit de stam Manasse twaalfduizend,

7 uit de stam Simeon twaalfduizend, uit de stam Levi twaalfduizend, uit de stam Issaschar twaalfduizend,

8 uit de stam Zebulon twaalfduizend, uit de stam Jozef twaalfduizend, uit de stam Benjamin twaalfduizend verzegelden.

Of het teken voor de mensheid zichtbaar zal zijn, is niet geheel duidelijk. Voor engelen en demonen mogelijk wel. Belijdenis en levenswandel van de 144.000 zal hen voor de mensheid uiteraard toch wel herkenbaar maken.

Wonderlijk trouwens dat we gelovigen voortdurend horen spreken over het teken 666, en de consequenties van het ontvangen van dat teken. Waarom horen we ze nooit over dit andere teken dat in Openbaring gegeven wordt? Een teken dat beschermt, dat zegent en doet triomferen.

In Openbaring 14 wordt ons onthuld wat het teken is: de naam van het Lam en de naam van de Vader van het Lam. Verder blijkt dat ze zich voor de volle 100% aan het Lam hebben toegewijd, en een onberispelijke levenswandel hebben.

1 En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met hem honderdvierenveertigduizend, die zijn naam en de naam van zijn Vader hadden, geschreven op hun voorhoofden.

4 Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het die het Lam volgen waar het ook heengaat. Dezen zijn uit de mensen gekocht als eerstelingen voor God en het Lam.

5 En in hun mond is geen leugen gevonden, want zij zijn onberispelijk. (Openbaring 14:1, 4-5)

Openbaring 7 vertelt wie deze mensen zijn. Het zijn Israëlieten, uit elke stam 12.000. Juda, Ruben, Gad, Aser, Naftali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin. Zij zijn het die – in de woorden van de Here Jezus – het evangelie van het Koninkrijk in heel de wereld zullen prediken tot een getuigenis voor alle volken.

De bekeerlingen

De prediking zal zeer succesvol zijn, of liever: bijzonder zegenrijk. Immers, in vers 9-17 wordt ons verteld over een immense menigte van verloste heidenen, die uit de grote verdrukking komt.

Mattheus 24:14 Openbaring 7:9-17
14 En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen. 9 Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en alle geslachten en volken en talen, stond voor de troon en voor het Lam, bekleed met lange witte kleren en met palmtakken in hun handen.

10 En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God die op de troon zit en aan het Lam.

11 En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer voor de troon en aanbaden God

12 en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen.

13 En een van de oudsten antwoordde en zei tot mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?

14 En ik zei tot hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tot mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.

15 Daarom zijn zij voor de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij die op de troon zit zal zijn tent over hen uitbreiden.

16 Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte;

17 want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.

Dit beeld plaatst ons aan het eind van de laatste jaarweek. Het is immers niet echt logisch te spreken over verlosten die uit de grote verdrukking komen, als die periode nog in alle hevigheid voortduurt.

Wie zijn deze verlosten? Het kan niet de gemeente zijn. Die was al opgenomen. Sterker, we komen in dit gedeelte de gemeente tegen in de persoon van de oudste. De manier waarop deze oudste Johannes een vraag stelt en deze zelf beantwoordt, maakt duidelijk dat ‘zij die uit de grote verdrukking komen’ een andere groep is dan de gemeente. Het kan ook niet om uitsluitend Israëlieten gaan. Velen van hen worden immers in de verzen 4 tot en met 8 genoemd als de verzegelden uit Israël. De groep uit vers 9 tot en met 17 wordt geïdentificeerd als komende ‘uit elke natie en alle geslachten en volken en talen’, kortom het heidendom.

De verschillen zijn dan ook duidelijk. De gemeente zit op tronen rondom de troon, dragen witte kleren en zijn gekroond met gouden kronen.

rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op de tronen zaten vierentwintig oudsten, bekleed met witte kleren en op hun hoofden gouden kronen. (Openbaring 4:4)

De verlosten uit Openbaring 7 staan voor de troon, dragen lange witte kleren, hebben palmtakken in hun handen, maar hebben geen gouden kroon.

Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en alle geslachten en volken en talen, stond voor de troonen voor het Lam, bekleed met lange witte kleren en met palmtakken in hun handen. (Openbaring 7:9)

We komen deze groep mensen opnieuw tegen aan het eind van Openbaring.

(…) en ik zag de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren. (Openbaring 20:4)

Zo geeft Openbaring 7 extra informatie over het zo vaak verkeerd geïnterpreteerde vers 14 uit Mattheus 24. Het evangelie van het koninkrijk wordt doorheen de gehele laatste jaarweek gepredikt. Miljoenen mensen zullen tot geloof komen, en alsnog behouden worden. Naarmate de week vordert zal tot geloof komen steeds vaker de (onmiddellijke) dood betekenen. Ze weigerden het beest of zijn beeld te aanbidden, en weigerden eveneens het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand te ontvangen. Ze hadden het getuigenis van Jezus en hielden vast aan het Woord van God. Ze zullen verschrikkelijke dingen meemaken. Geen wonder dat van hen gezegd wordt dat ze geen honger en geen dorst meer zullen hebben, en dat de zon niet op hen zal vallen, noch enige hitte. Wat heerlijk dat God Zelf elke traan van hun ogen zal afwissen!

Deze prediking zal doorgaan tot alle volken (dus niet noodzakelijkerwijs ‘alle mensen’!) bereikt zijn. Dan zal het einde komen, dat is de wederkomst van de Here Jezus. Rekenen heeft dus geen enkele zin. We weten niet wanneer de Opname komt, we weten al helemaal niet wanneer de laatste jaarweek van start gaat. En hoewel Gods Woord van onschatbare waarde is en blijft, heeft dit alles niets te maken met het steeds groter aantal talen waarin de Bijbel is vertaald – hoe geweldig dat feit op zich ook is. Het gaat om de prediking van het komende Koninkrijk.

We komen nu toe aan de tweede helft van de laatste jaarweek, de grote verdrukking. In het volgende artikel gaan we daarmee verder.