De tekenen uit Mattheüs 24 onder de loep (2)

Mattheus 24 handelt over de gebeurtenissen voorafgaand aan de vestiging van het Duizendjarig Rijk. De Bijbel gebruikt voor dat rijk termen als Koninkrijk Gods en Koninkrijk der hemelen. We gaan eerst onderzoeken wat daarmee wordt bedoeld. Aan het eind van dit artikel volgt dan een beknopte geschiedenis van het Koninkrijk Gods doorheen de eeuwen.

Het Koninkrijk Gods

Het Koninkrijk Gods omvat alles wat door God is geschapen; haar onderdanen zijn denkende wezens, die zich vrijwillig aan God onderwerpen, (voor zover bekend zijn dat engelen en mensen).

Het Koninkrijk Gods omvat alles van de voorbije eeuwigheid tot de toekomstige eeuwigheid; alles in het hele heelal, alles in de hemel.

Koninkrijk Gods is een overkoepelende term. Naar gelang de benodigde betekenis komen andere benamingen voor.

  1. Het Koninkrijk van mijn Vader (Mattheus 26:29);
  2. Het Koninkrijk der hemelen (Mattheus 13:11);
  3. Het Koninkrijk van Christus (Efeze 5:5);
  4. Het Koninkrijk van de Zoon van zijn liefde (Kolosse 1:13).

De term Koninkrijk Gods komt ook in engere zin voor. Het bestaat dan uit louter wedergeborenen.

5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.

6 Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.

7 Verwonder u niet dat Ik u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden. (Johannes 3:5-7)

Dit in tegenstelling met het Koninkrijk der hemelen. Dat omvat in onze tijd het gehele christendom, met alle zich christen noemende mensen en kent goede en slechte elementen. Hieronder een aantal voorbeelden. Goede elementen zijn cursief weergegeven, slechte elementen zijn vet gezet.

  • Het Koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die goed zaad in zijn akker zaaide (Mattheus 13:24)
  • (…) zijn vijand zaaide dolik midden tussen de tarwe (…) (Mattheus 13:25)
  • Een andere gelijkenis hield Hij hun voor en zei: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad (…) het is wel kleiner dan alle zaden, maar als het is opgegroeid, is het groter dan de groenten en wordt een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen. (Mattheus 13:31)
  • (…) Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel doorzuurd was. (Mattheus 13:33)
  • Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een sleepnet dat in de zee werd geworpen en van allerlei soort bijeenbracht; toen het vol was, trokken zij het op het strand, en zij gingen zitten en verzamelden het goede in vaten, maar het bedorvene wierpen zij weg. (Mattheus 13:47-48)

Dolik is bijna niet te onderscheiden van tarwe zolang deze nog niet volgroeid is; het verschil tussen tarwe en dolik wordt duidelijk in de oogsttijd.

Vogels zijn in de Schrift vaak beeld van boze machten. Zie Genesis 15:11 en Openbaring 18:2.

Zuurdeeg is in het Nieuwe Testament een zinnebeeld van iets ouds en slechts. Zie Mattheus 16: 6-12, Markus 8:15, 1 Korinte 5:6-8 en Galaten 5:9

Tot Mattheus 12 hield de prediking van het Koninkrijk der hemelen hetzelfde in als dat wat de oudtestamentische profeten bedoelden: een aards rijk, zoals de koninkrijken van David en Salomo dat waren.

Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. (Mattheus 4:17)

Het Koninkrijk der hemelen is de vervulling van Gods belofte aan David, een voortzetting van zijn geslachtslijn.

16 Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd.

19 (…) Gij hebt aangaande het huis van uw knecht gesproken over de verre toekomst, (…). (2 Samuël 7:16, 19)

Het Koninkrijk der hemelen zal uitlopen op de oprichting van een hemels Koninkrijk op aarde, het Koninkrijk Gods.

5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.

6 Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. (…)(Jesaja 9:5-6)

Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. (Jeremia 23:5)

Na Mattheus 12 verandert het karakter van het Koninkrijk der hemelen. Waarom?

Koninkrijk der hemelen

In Mattheus 12 wordt duidelijk dat de Joden hun Koning verwierpen. Het was zoals de Here Jezus later in een gelijkenis zou vertellen.

Zijn burgers echter haatten hem en zonden hem een gezantschap achterna om te zeggen: Wij willen niet dat deze over ons regeert. (Lukas 19:14)

Wat zien we in Mattheus 12?

  1. De farizeeën beschuldigden de Here Jezus ervan dat Hij demonen uitdreef in de kracht van de satan. Ze konden alle wonderen en tekenen van de Here Jezus niet ontkennen, iedereen zag het voor ogen gebeuren. Het waren de tekenen van het koninkrijk dat komen zou. Als Johannes de doper Hem laat vragen of Hij degene is Die komen zou, zegt de Here Jezus niet slechts ‘ja’, maar wijst expliciet op de wonderen en tekenen die een vervulling waren van oudtestamentische profetieën. En dus vielen ze de Here Jezus aan op de oorsprong van de kracht die in Hem was. Ze wisten uiteraard dat het de Geest van God moest zijn, maar heel moedwillig noemden ze satan als bron.
  2. Omwille van deze dingen laat de Here Jezus duidelijk merken dat de natuurlijke band tussen Hem en het volk verbroken is. Wie Hem in verband brengt met satan, zegt daarmee niets te maken te willen hebben met deze Man, ook al blijkt Hij op vele manieren de verwachte Koning te zijn, Degene die komen zou. Als beeld van het verbreken van deze natuurlijk band, stelt Hij vast dat Hij geen ‘natuurlijke familie’ meer heeft. De enige familieleden die Hij kan erkennen, zijn zij die Hem wel in geloof hebben aanvaard: de discipelen.

47 En iemand zei tot Hem: Zie, uw moeder en uw broers staan buiten en trachten u te spreken.

48 Hij antwoordde echter en zei tot hem die tot Hem sprak: Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?

49 En Hij strekte zijn hand over zijn discipelen uit en zei: Zie, mijn moeder en mijn broeders!

50 Want wie de wil doet van mijn Vader die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder. (Mattheus 12:47-50)

Lezen we verder in Mattheus 13, dan zien we dat de Here Jezus nog een symbolische daad stelt.

Op die dag ging Jezus uit het huis en ging zitten bij de zee. (Mattheus 13:1)

Het huis staat voor Israël, de zee voor de volkeren. Hij predikt niet langer de komst van het koninkrijk, zoals voorzegd door de profeten. Hij richt Zich nu tot de volkeren. Hij zoekt niet langer vrucht in Zijn wijngaard, bij Israël. Israël wordt terzijde gesteld. De Here Jezus zet dit verderop in het evangelie van Mattheus haarscherp uiteen in een gelijkenis. Deze staat in Mattheus 21.

Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die een wijngaard plantte, en hij zette er een omheining omheen, groef een persbak daarin en bouwde een toren; en hij verhuurde hem aan landlieden en ging buitenslands. (Mattheus 21:33)

Dit moest de farizeeën en Schriftgeleerden wel bekend voorkomen. Jesaja gebruikt immers hetzelfde beeld. Let er op hoezeer zijn vertelling op die van de Here Jezus lijkt.

1 Zingen wil ik van mijn vriend, zingen het lied van mijn vriend en zijn wijngaard. Mijn vriend had een wijngaard, een wijngaard op een vruchtbare helling.

2 Hij spitte hem om, verwijderde de stenen en plantte een edel ras. Hij bouwde een wachttoren, hakte al een wijnpers uit. Druiven verwachtte hij, zoete druiven, maar wat hij oogstte was zuur en slecht. (Jesaja 5:1-2)

Was in Jesaja’s tijd de oogst schraal, de Here Jezus schetst een nog veel grimmiger beeld.

Toen nu de tijd van de vruchten was genaderd, zond hij zijn slaven naar de landlieden om zijn vruchten te ontvangen. (Mattheus 21:34)

God zond profeten tot Israël. Zij moesten de oogst in ontvangst nemen. Deze profeten werden echter geslagen en gedood.

En de landlieden namen zijn slaven, sloegen de een, doodden de ander en stenigden de derde. (Mattheus 21:25)

Deze gang van zaken herhaalde zich vele malen. Steeds weer stuurde God profeten, telkens werden ze niet geloofd, weggejaagd of gedood.

Opnieuw zond hij andere slaven, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde. (Mattheüs 21:36)

Uiteindelijk zond God Zijn Zoon.

37 Tenslotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.

38 Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.

39 En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. (Mattheus 21:37-39)

Dan laat de Here Jezus de Joodse leidslieden zelf hun oordeel uitspreken.

40 Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landlieden doen?

41 Zij zeiden tot Hem: Die kwaden zal hij een kwade dood laten sterven en de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afgeven.

De boodschap was duidelijk en werd door de overpriesters en farizeeën ook goed begrepen.

En toen de overpriesters en de farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen zij dat Hij van hen sprak. (Mattheus 21:45)

Toen zij nu dit hoorden, zeiden zij: Dat nooit! (Lukas 20:16)

Het Koninkrijk ging aan Israël voorbij, het werd voor onbepaalde tijd uitgesteld.

Terug naar Mattheus 13. Hij Die gekomen was als de Zoon, als de beloofde Koning, zocht niet langer vrucht in de wijngaard die Israël heette, maar gaat als Zaaier verder.

37 Hij nu antwoordde en zei: Hij die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen,

38 de akker is de wereld, het goede zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk, (Mattheus 13:37-38)

De gelijkenissen in Mattheus 13 leren ons dat het Koninkrijk der hemelen naarmate de tijd vordert geheel doortrokken zal zijn van het kwaad.

(…) Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel doorzuurdwas. (Mattheus 13:33)

De vrouw stelt de afvallige kerk voor. Zij heeft met haar verkeerde leer de leer van Christus bedorven. We zien dit proces gaande in de belijdende christenheid. Het deeg is nog niet geheel doorzuurd, want de Gemeente is nog op aarde.

Het Koninkrijk der hemelen

We zullen de eigenschappen van het Koninkrijk der hemelen hier niet verder uitdiepen. Dat is niet het onderwerp van dit en de andere artikelen in deze reeks. Wel vraagt één aspect dat de Here Jezus nadrukkelijk noemt onze aandacht. Het heeft namelijk alles te maken met de geschiedenis van het Koninkrijk.

Dat na Mattheus 12 iets is veranderd, ontgaat de discipelen niet. Met name het feit dat de Here nu in gelijkenissen spreekt, werpt bij hen vragen op. Ze informeren dan ook meteen bij de eerste de beste gelegenheid naar het waarom.

En de discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden tot Hem: Waarom spreekt U in gelijkenissen tot hen? (Mattheus 13:10)

Het antwoord van de Here Jezus maakt duidelijk dat dit een vervulling is van een profetie van Jesaja.

14 (…) aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt:’Met het gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien

15 want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’. (Mattheus 13:14-15)

Israël verwerpt de Koning die komen zou. Er komt een duidelijke verandering in de hoedanigheden van het Koninkrijk der hemelen. Het hoe, wat en waarom is nu niet meer voor het ongelovige volk bestemd, maar voor hun die wel geloven dat de Here Jezus de beloofde Koning is. Dus daarom nogmaals de vraag ‘Waarom spreekt U in gelijkenissen tot hen?’ Het antwoord is schokkend.

Omdat het u is gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is het niet gegeven (Mattheus 13:11)

Dat wat de Here Jezus aan de discipelen vertelt is iets nieuws, iets wat in het Oude Testament niet gevonden wordt. De gelijkenissen bevatten verborgenheden; dat geeft aan dat de dingen die nu bekend gemaakt worden, tot die tijd niet bekend waren. Hoe God met verborgenheden omgaat vinden we in het Oude Testament.

De verborgen dingen zijn voor den Here, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer wet volbrengen. (Deuteronomium 29:29)

Er zijn dus dingen die verborgen zijn en verborgen blijven, totdat God eventueel besluit dat de tijd gekomen is dat ze geopenbaard mogen worden. Dat dit zo is blijkt uit een opmerking die Daniel maakt tegenover Nebukadnesar.

Maar er is een God in de hemel, die verborgenheden openbaart (…). (Daniel 2:28)

Verborgenheden blijven verborgen, totdat God ze openbaart. Alleen God kan dat, mensen niet. De Here Jezus is hier Degene die de verborgenheden openbaart. Maar er is meer aan de hand. Het openbaren van de verborgenheden is geen zaak voor publiek in het algemeen. Slechts de gelovige discipelen mogen ze leren kennen. Toch horen zowel de omstanders als de discipelen dezelfde gelijkenissen. Mattheus legt uit dat gelijkenissen hét middel bij uitstek zijn om zo te spreken over verborgenheden. Sommigen kunnen het begrijpen, anderen niet.

34 Al deze dingen sprak Jezus in gelijkenissen tot de menigten, en zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen,

35 opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet, die zei: ‘Ik zal mijn mond opendoen in gelijkenissen; ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest‘. (Mattheus 13:34-35)

Het Koninkrijk der hemelen is derhalve verborgen geweest van de grondlegging van de wereld af, totdat de Here Jezus deze onthulde te beginnen bij Mattheus 13.

Het Nieuwe Testament toont ons dus het Koninkrijk in drie stadia:
I. In de dagen van Johannes de Doper – verbonden met de eerste komst van de Here Jezus – was het Koninkrijk nabij gekomen.
II. Na de verwerping van de Koning door Israël kreeg het Koninkrijk een gedaante die in de Oudtestamentische profetieën verborgen was geweest maar die nu in de gelijkenissen wordt onthuld.
III. Het Koninkrijk zoals de profeten het hebben beschreven is uitgesteld; het zal pas opgericht worden bij de wederkomst van Christus.

Punt II zegt ons dus dat de volmaakte vorm van het Koninkrijk nog niet kon komen, en dat het daarom tijdelijk wordt vervangen door een onvolmaakte staat. Maar het is wel het Koninkrijk!

De Gemeente

Niet alleen het Koninkrijk der hemelen is een verborgenheid, ook de Gemeente was dat. Paulus leert ons dat de heidenen geen Jood hoefden te worden om deel te krijgen aan het heil. Verder vormen bekeerde heidenen en bekeerde Joden één Lichaam, waarin het onderscheid tussen Jood en heidenen niet meer bestaat. Bekeerde heidenen zijn mede-erfgenamen, mede-ingelijfden en mede-deelgenoten. Christus is als Hoofd gegeven aan de Gemeente, die Zijn Lichaam is. Die vereniging was een geheimenis, die in het Oude Testament niet werd gezien. Zie hiervoor o.a. Romeinen 16:25-26 en Efeze 3:1-9.

Het Koninkrijk der hemelen en de Gemeente lijken dus in een aantal opzichten op elkaar, maar zijn niet hetzelfde. De Gemeente dateert vanaf de Eerste Pinksterdag, en zal op aarde blijven tot de Here Jezus haar komt halen op de dag van de Opname. Het Koninkrijk der hemelen in zijn onvolmaakte vorm werd een feit nadat Israël Gods aanbod in Jezus Christus voor de derde maal [i] had afgewezen. Deze onvolmaakte vorm van het Koninkrijk zal blijven tot de Wederkomst van Christus aan het eind van de Grote Verdrukking. Voor dat laatste is een voorbeeld uit Mattheus 13 voldoende. De Gemeente wordt opgenomen, dat wil zeggen, geëvacueerd, terwijl de rest van de mensheid achterblijft. De afronding van het Koninkrijk der hemelen zal heel anders gaan.

49 Zo zal het zijn in de voleinding van de eeuw: de engelen zullen uitgaan en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden

50 en hen in de vuuroven werpen (…)(Mattheus13:49-50)

Bij de Opname zijn geen engelen betrokken. De Opname ‘voert’ de Gemeente naar de hemel, de ongelovigen blijven achter. Bij de voleinding van het Koninkrijk der hemelen is het precies andersom. De bozen worden weggevoerd en in de hel geworpen, de rechtvaardigen blijven achter.

De geschiedenis van Gods Koninkrijk

Wanneer begon het Koninkrijk van God? ‘Met de schepping’ zou een logisch klinkend antwoord kunnen zijn. De Bijbel leert echter anders.

De HEERE is Koning, eeuwig en altijd; (Psalm 10:16)

Hij is de levende God, een eeuwig Koning. (Jeremia 10:10)

Waar een Koning is, is een Koninkrijk. Als de Here eeuwig Koning is, dan moet het Koninkrijk Gods ook eeuwig zijn, dus ook van voor de schepping.

Sommigen noemen Adam onderkoning. Dat lijkt me niet correct, omdat de Bijbel daar geen informatie over geeft. Feit is wel dat God Adam samen met Eva tot gebieder van de dieren heeft aangesteld en hoofd is van de hele schepping.

Na de zondeval blijft het Koninkrijk van God bestaan. Doordat Adam satan gehoorzaamde in plaats van de Here God, is de boze sindsdien ‘overste van de wereld’

De Here Jezus noemt hem een inderdaad een aantal malen overste.

Ik zal niet veel meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets; (Johannes 14:30)

Tijdens de verzoeking in de woestijn lijkt Hij zelfs te accepteren dat het in de macht van de satan is Hem alle koninkrijken van de wereld te geven.

8 Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid

9 en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.

10 Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven:’ De Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’. (Mattheus 4:8-10)

Toch heeft God in werkelijkheid alle macht. Dat blijkt wel tijdens de gebeurtenissen rond de zondvloed. De vernietiging van al wat leeft kon satan niet voorkomen – als hij dat al gewild had. Bovendien getuigt de Schrift dat God ook tijdens de zondvloed de Koning van alle eeuwen is.

De Here troonde boven de zondvloed, ja, de Here troont als koning in eeuwigheid. (Psalm 29:10)

Na de zondvloed wordt het speelveld ingericht op een manier die we nu nog steeds kennen. Het regeringscentrum van Gods koninkrijk wordt gevestigd in Jeruzalem, satans regeringscentrum verrijst in Babel.

De eerste aanwijzing dat Jeruzalem tot Gods regeringscentrum zal worden vinden we in het optreden van Melchisedek. We maken met hem kennis nadat Abraham was teruggekeerd van het verslaan van een aantal koningen.

En Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de Allerhoogste. (Genesis 14:18)

Salem doet uiteraard denken aan Jerusalem. Dit wordt in de psalmen bevestigd.

2 God is bekend in Juda,

Zijn Naam is groot in Israël.

3 In Salem is Zijn hut,

en Zijn woning in Sion. (HSV)(Psalm 76:2-3)

In deze psalm wordt Sion gelijkgesteld aan Salem. Sion is tevens een van de namen van Jeruzalem, dus Salem = Jerusalem. Dat Melchisedek het Koninkrijk van God op aarde vertegenwoordigde blijkt uit de heffing van de tiende. Bovendien werd Abraham gezegend door Melchisedek.

1 Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,

2 aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg van zijn naam: koning van de gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van de vrede,

3 en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd.

4 Aanschouwt nu hoe groot deze was, aan wie zelfs de aartsvader Abraham een tiende van de buit gaf. (Hebreeën 7:1-4)

Melchisedek stond boven Abraham, want hij zegende hem.

Nu is het ontegenzeglijk zo dat wat minder is, gezegend wordt door wat meer is. (Mattheus 7:7)

In Leviticus lezen we iets belangwekkends over de tienden.

Alle tienden van het land, zowel van het zaaigoed van het land als van de vruchten aan de bomen, zijn voor de HEERE bestemd. Ze zijn heilig voor de HEERE. (Leviticus 27:30)

In het geven van tienden erkent men dat God recht op ons hele bezit heeft, en dan vooral het eerste en het beste. Daarom staat er ook dat de tienden heilig zijn voor Heere. De tienden zijn alleen voor God bestemd. In het geven van de tienden erkent Abraham dat in Melchisedek het Koninkrijk van God aanwezig was.

Israël

Nog voor Israël het beloofde land binnentrekt en verovert, wordt God Zelf Koning van Israël.

Hij werd Koning in Jesurun, toen de hoofden van het volk bijeenkwamen, de stammen van Israël alle tezamen. (Deuteronomium 33:5)

Israël kreeg een dure verantwoordelijkheid, die voortvloeide uit de verbondsluiting bij de Sinaï. Het zou een koninkrijk van priesters worden, heilig voor God. Het had als roeping tot eer van God te leven en zo voor de wereld een voorbeeld te zijn welke zegeningen verbonden zijn aan het Koninkrijk van God. Helaas heeft het aan die roeping niet beantwoord.

5 Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij.

6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult. (Exodus 19:5-6)

21 Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen.

22 Doch Mij hebt gij niet aangeroepen, o Jakob, of u om Mij moeite gegeven, o Israël. (Jesaja 43:21-22)

Gemeente

Hierboven hebben we gezien hoe en waarom Israël terzijde werd gesteld. God begon iets nieuws in het Koninkrijk der Hemelen. Het verwaarloosde getuigenis ging over op de Gemeente. Petrus schrijft erover.

9 U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht,

10 u die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent, die aan geen barmhartigheid deel had, maar nu barmhartigheid hebt verkregen. (1 Petrus 2:9-10)

Je zou bijna denken dat het over Israël gaat, totdat je leest dat de aangesprokenen vroeger geen volk vormden, en aan geen barmhartigheid deel hadden. Dat kan alleen maar op de Gemeente slaan.

Koninkrijk der hemelen

Velen tooien zich met de naam van Christus, maar zijn niet echt christen. Zij zijn de dolik tussen de tarwe uit de gelijkenis uit Mattheus 13. We noemen zulke mensen belijdende christenen, ze hebben wel een christelijke belijdenis, maar geen leven uit God. Vele anderen tooien zich wel terecht met de naam van Christus, want zij zijn wedergeboren kinderen van God. Het Koninkrijk der hemelen nu bestaat uit beide groepen.

Het Koninkrijk der hemelen in deze vorm verschijnt in de zogenaamde tussentijd. Het vult de periode die Daniel noemt in de profetie aangaande de zeven jaarweken. In onderstaande illustratie wordt die periode aangeduid met de rode pijl. Het begint na de 62ste jaarweek. Niemand weet hoe lang die periode zal duren, maar hij loopt op zijn eind bij de wederkomst van de Here Jezus – aan het eind van de laatste jaarweek.

Koninkrijk der hemelen in het Duizendjarig Rijk

Na de wederkomst van de Here Jezus breekt eindelijk het Vrederijk aan – het Koninkrijk zoals dat door de Oudtestamentische profeten werd aangekondigd. Jezus Christus zal Koning zijn, niet vanuit de hemel, maar zittend op de troon van Zijn voorvader David. Zijn troon zal in Jeruzalem staan.

Hij is de Vredevorst, wat ons leert dat er vrede zal zijn in het Duizendjarig Rijk. Dan ook zal elke knie zich buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn (Filippi 2:10). Een ander kenmerk van het Duizendjarig Rijk zal de gerechtigheid zijn waarmee Koning Jezus heerst.

5 Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land.

6 In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de Here onze gerechtigheid. (Jeremia 23:5-6)

De eeuwigheid

Ook aan het Duizendjarig Rijk komt een eind. Dat einde zal tevens het begin betekenen van de eeuwigheid. Dat leidt tot omstandigheden waarvan we ons geen enkele voorstelling kunnen maken. Toch zijn er een aantal tekstplaatsen die een tipje van de sluier optillen. Een heel klein tipje.

Koning Jezus geeft het koninkrijk over aan God de Vader. Dat kan omdat Hij alles wat zich tegen Gods regering verzette heeft vernietigd. Al Zijn vijanden zijn verslagen – dus ook de dood.

24 Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht te niet gedaan heeft.

25 Want Hij moet regeren, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. (1 Korinte 15:24-25)

Deze allesoverwinnende Koning zal Zichzelf ook aan God de Vader onderwerpen. De taak van de Here Jezus als middelaar en overwinnaar over alle machten is dan immers voltooid. Hij legt als het ware zijn functie neer.

Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.(1 Korinte 15:28)

Deze onderwerping heeft een doel: God alles in allen! Dat kunnen we op verschillende manieren interpreteren.

  1. Nu alle tegenstand is opgeheven zal eindelijk Gods wil geschieden in de hemel alsook op de aarde.
  2. Er komt een volmaakte eenheid tussen de Vader en de gelovigen tot stand.
  3. Er zal volmaakte harmonie zijn tussen Schepper en schepping.

Petrus vat dit alles samen in een zin:

Wij echter verwachten naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont. (1 Petrus 3:13)

Tot zover in het kort iets over de geschiedenis van het Koninkrijk van God. In het volgende artikel gaan we verder met het bespreken van Mattheus 24.

[i] Onder Samuël vraagt Israël om een koning. God stemt toe, maar vertelt Samuël dat dit betekent dat Israël God (de Vader) niet als Koning wil (zie 1 Samuël 8:7). Als de Here Jezus voor Pilatus staat zeggen de overpriesters tot Pilatus: ‘We hebben geen koning, alleen de keizer’ (zie Johannes 19:15). Vlak voordat Stefanus wordt gestenigd roept hij uit dat Israel zich altijd verzet tegen de Heilige Geest (Handelingen 7:51).