Het virus heeft wat op zijn geweten! Los van alle verdriet, stress en onzekerheid, zorgt het in allerlei kringen voor tegenstellingen, meningsverschillen, verwijdering en conflicten. Deze verschijnselen gaan helaas niet aan het christelijk erf voorbij. Veel debat is er over de vraag hoe we deze pandemie moeten duiden. Is het een straf van God? Is het een waarschuwing? Is het een van de tekenen der tijden? Laten we eerlijk zijn, we weten het gewoonweg niet. En wie pretendeert het wel te weten, overschreeuwt zichzelf (en anderen) en beweert meer dan hij of zij kan waarmaken.

Dit verschijnsel zien we ook steeds weer opduiken als het gaat om Bijbelse profetieën. In plaats van een eerbiedige houding ten opzichte van het Woord van God, laat menig prediker zich verleiden tot het projecteren van de eigen fantasie op afzonderlijke tekstplaatsen. Het gevolg is dat de uitleg veelal in strijd is met andere delen van de Schrift. Een andere consequentie is dat men argeloze toehoorders de stuipen op het lijf jaagt, en soms zelfs verleidt tot het maken van onverantwoorde keuzes. Zie mijn artikelen Rekenen met tekenen en Pharma’keia.

De Here Jezus heeft verschillende malen gesproken over tekenen der tijden. Bekende hoofdstukken zijn Mattheüs 24 en Lukas 21. Helaas past men de inhoud van deze hoofdstukken onterecht toe op de situatie van gelovigen in onze tijd. Nu zal niemand gauw van zichzelf beweren dat hij of zij een oppervlakkige lezende gelovige is. Toch is duidelijk dat de uitleg van dergelijke hoofdstukken een grondige voorbereiding vergt, en dat zelfs dan veel zaken onder voorbehoud moeten worden gebracht.

Het beste is – zoals hieronder in een voorbeeld zal worden getoond – Schrift met Schrift te vergelijken. Als Mattheus 24 Gods Woord is, en het boek Openbaring ook, dan moet de inhoud van beide met elkaar overeenkomen. Het doel van deze artikelen is onderzoeken of dat inderdaad zo is. Maar voordat we dat gaan doen, gebruiken we twee artikelen om een aantal algemene lijnen uit te zetten. Het zal ons helpen bij de vergelijking Mattheus 24 – Openbaring.

De gemeente en de tekenen der tijden

Vlak voordat de Here Jezus ten hemel voer, vroegen de discipelen naar het wanneer van de komst van Koninkrijk van God.

Zij dan die waren samengekomen, vroegen Hem aldus: Heer, zult U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen? (Handelingen 1:6)

Dit waren dezelfde mannen die eerder de toespraak van de Here Jezus over ‘het teken van Zijn komst en van de voleinding van de eeuw’ hadden beluisterd (zie Mattheüs 24). Het begrijpen van die rede is blijkbaar lastig, vandaar hun vraag. Maar het antwoord van de Here Jezus gaat hier geheel aan voorbij. Hij gaat niet in op het hoe en wanneer van de toekomende dingen. Hij zegt hun alleen de wacht aan.

Hij echter zei tot hen: Het komt u niet toe tijden of gelegenheden te weten die de Vader in zijn eigen macht heeft gesteld. (Handelingen 1:7)

In plaats van te antwoorden op de vraag naar de toekomst, wijst de Here Jezus hen op hun verantwoordelijkheid.

Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het einde van de aarde. (Handelingen 1:8)

Dus, verlies je niet in allerlei beschouwingen aangaande de toekomst, maar sla de hand aan de ploeg! Daarom lees je in de rest van het Nieuwe Testament weinig tot niets meer over de tekenen der tijden. Bepaalde zaken aangaande de toekomende dingen worden uiteraard wel aan de orde gesteld, maar over tekenen horen we niets meer.

Teken of geen teken?

Het is bekend dat de jonge gemeente in de eerste eeuw verwachtte dat de Here Jezus spoedig terug zou komen. Neem als voorbeeld een uitspraak van Paulus uit de brief aan de Filippiërs.

20 Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten,

21 die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid (…)(Filippi 3:20-21)

Paulus spreekt van ‘wij’ en ‘ons’. Dat betekent dat hij zichzelf meerekende bij het uitspreken van deze verwachting. Hij ging er dus vanuit dat het nog tijdens zijn leven zou gebeuren. Zo ook Jakobus. Ook hij leefde vanuit de verwachting dat de Here Jezus spoedig zou komen.

Hebt ook u geduld, sterkt uw harten, want de komst van de Heer is nabij. (Jakobus 5:8)

Dan hebben we de apostel Petrus. Hij schrijft op vergelijkbare manier over deze dingen in zijn eerste brief.

Het einde van alles nu is nabij, weest dus bezonnen en nuchter tot gebeden. (1 Petrus 4:7)

Opmerkelijk is voorts dat de apostelen geen van allen hun verwachting laten vertroebelen door van allerlei te gaan speculeren. Nee, ze wekken de gelovigen op geduldig, nuchter en bezonnen te zijn.

Als dit de houding van de apostelen is ten aanzien van de wederkomst, dan zou dat ook in hun levenspraktijk te zien moeten zijn. En dat is inderdaad het geval. Mijn stelling is dat ze – ondanks het feit dat ze uit verwachting leefden – niet actief bezig waren met het ‘letten op de tekenen der tijden’.

Tekenen der tijden hebben namelijk te maken met de komst van het Koninkrijk van God. Centraal in die tekenen is de positie van Israël. Toen de discipelen vroegen naar ‘het teken van Zijn komst en van de voleinding van de eeuw’ (Mattheüs 24:3), noemde de Here een aantal tekenen, waaronder het voorkomen van hongersnoden. Wat zouden de apostelen doen met deze informatie, als zich daadwerkelijk een hongersnood aandient? Wel, we kunnen dat zelf nagaan. Let op hun reactie als de Heilige Geest een grote hongersnood aankondigt.

26 En het gebeurde dat zij een heel jaar in de gemeente bijeenkwamen en een aanzienlijke menigte leerden en dat de discipelen het eerst in Antiochië christenen werden genoemd.

27 In die dagen nu kwamen er uit Jeruzalem profeten in Antiochië.

28 En een uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat er een grote hongersnood zou komen over het hele aardrijk. Die is ook gekomen onder Claudius.

29 Naardat nu ieder van de discipelen draagkrachtig was, besloten zij dat elk van hen iets zou zenden ten dienste van de broeders die in Judea woonden;

30 wat zij ook deden door het te zenden aan de oudsten, door de hand van Barnabas en Saulus. (Handelingen 11:26-30)

Wat doen ze? Gaat er een gejuich op, omdat een van de tekenen die de Here Jezus noemde zich zal manifesteren? Slaat hun de schrik om het hart? Is Zijn komst nabij? Niets van dat alles. Geen woord. De enige juiste (!) reactie is actie ondernemen om medegelovigen te ondersteunen. En dat doen ze. De hongersnood was nog niet eens gekomen, toch ging de collectebus al rond.

Waarom leggen ze geen verband tussen het teken van de tijd en de komst van de Here Jezus? Op die vraag is maar een antwoord mogelijk. De Here Jezus had hun vlak voor Zijn hemelvaart gezegd dat ze niet met deze dingen bezig moesten zijn, maar de grote taak van het verkondigen van het evangelie moesten oppakken. En dat deden ze. Daar komt bij dat de gemeente inmiddels op het toneel was verschenen. Zonder twijfel wisten ze al van de Opname. We weten dat de Opname zal plaatsvinden als het getal van de volheid van de volken is ingegaan (Romeinen 11:25). We lezen echter niet van tekenen waaraan de gemeente kan zien dat deze Opname nabij is.

Wat is een teken?

Laten we daarom het begrip teken eens wat nader bekijken. Christipedia geeft de volgende definitie.

Tekenen der tijden zijn tekenen in de vorm van gebeurtenissen die zekere tijd en tijden aankondigen, ze wijzen op het aanbreken of naderen van een tijdsgewricht. Ze wijzen erop dat de tijd gekomen is dat de verwachte gebeurtenis(sen) werkelijkheid worden.

Tekenen zijn als verkeersborden. Algemeen bekend is de indeling in voorrangsborden, verbodsborden, gebodsborden, aanwijzingsborden en waarschuwingsborden. We kijken naar twee waarschuwingsborden.

Wie dit bord passeert wordt gewaarschuwd. Pas op, de rijbaan kan vanaf dit punt glad zijn. Rij dus voorzichtig! Zo kan een teken in Bijbelse zin ook een waarschuwing zijn. Degene die het teken waarneemt, weet: het is bijna zover, de Here komt! En net als met het verkeersbord zal – als het goed is – de persoon zijn gedrag aanpassen. De Here Jezus wijst zelfs meerdere malen op deze consequentie.

44 Daarom weest ook u gereed, want op een uur dat u het niet vermoedt, komt de Zoon des mensen.

45 Wie is dan de trouwe en wijze slaaf, die de heer over zijn huisbedienden gesteld heeft om hun het voedsel te geven op de juiste tijd?

46 Gelukkig die slaaf, die zijn heer, als hij komt, zo bezig zal vinden. (Mattheüs 24:44-46)

Het is dus niet voldoende de profetieën te kennen, net zo min als het volstaat het verkeersbord op te merken. Van de waarnemer wordt een gedragsverandering verwacht. Dit toont aan hoe belangrijk het is de tekens op de juiste manier te interpreteren. Een verkeersbord heeft immers voor de chauffeur geen waarde, als hij niet weet wat het bord betekent. Zo is het ook met de profetieën. Als je niet precies weet wat de betekenis is, kun je er niets mee. Een verkeerde uitleg kan immers tot ernstige consequenties leiden.

Het gaat echter nog verder. Bij verkeersborden telt ook mee, dat niet elk bord voor elke verkeersdeelnemer geldt. Neem nu dit bord.

Het waarschuwt voor elektrische in- en uitschuifbare palen in de rijbaan. Met andere woorden, let op waar je parkeert, want voor je het weet staat je auto voor paal! Iedereen zal echter begrijpen dat dit bord voor voetgangers en fietsers weinig of geen betekenis heeft. Toegepast op profetieën moeten we er dus rekening mee houden dat bij de uitleg ook de geadresseerde moet worden meegenomen. Vooral dit laatste wordt vaak veronachtzaamd.

Het is dan ook niet voor niets dat we van oudsher zeggen dat de hele Bijbel aan ons is gegeven, maar dat het in de Bijbel niet altijd over ons gaat, en dat ook niet alles voor ons bestemd is. Aan andere kant, de gehele Bijbel is Gods Woord en is geschreven tot onze lering, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften hoop hebben en houden (Romeinen 15:4).

Schrift met Schrift vergelijken

Het Nieuwe Testament bevat vier evangeliën, waarvan de eerste drie onderling veel overeenkomsten vertonen – de zogenaamde synoptische evangeliën. Er zijn overeenkomsten ja, maar geen doublures. Elke evangelist tekent de Here Jezus op een andere manier, en dat heeft overduidelijk gevolgen voor de inhoud. Het is een mysterieus gegeven. Ogenschijnlijk gaat het over dezelfde onderwerpen, en toch zijn er verschillen die overeenkomen met het karakter van het evangelie. Bovendien zijn de verschillen niet het gevolg van fouten. Eens te meer krijgen we daardoor diep ontzag voor Gods Woord. Zorgvuldigheid bij de bestudering en uitleg zijn dan ook geboden. Ook waar het de profetieën betreft. Misschien moeten we wel zeggen, juist waar het de profetieën betreft. Geen eigenmachtige uitlegging, schrijft Petrus. Helaas worden we meer en meer met willekeurige uitleg geconfronteerd. Het leidt tot een toenemende verwarring onder de gelovigen. Hoe nauw dit alles luistert, moge blijken uit het volgende voorbeeld.

In Mattheüs 24 is de aanleiding tot de toespraak van de Here Jezus de opmerking die de discipelen maken aangaande de tempelgebouwen.

En Jezus ging naar buiten en vertrok van de tempel; en zijn discipelen kwamen naar Hem toe om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen. (Mattheüs 24:1)

In Lukas 21 vinden we iets vergelijkbaars.

En toen sommigen van de tempel zeiden dat hij met mooie stenen en wijgeschenken was versierd, zei Hij (Lukas 21:5)

De Here Jezus ziet alles, dus ook wat nog in de toekomst ligt. Voor Hem is er geen reden om bewondering te uiten voor het tempelgebouw. Integendeel, Hij komt met een onthutsende mededeling.

Hij nu antwoordde en zei tot hen: Ziet u dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u: er zal hier geen enkele steen op de andere steen gelaten worden die niet zal worden afgebroken. (Mattheüs 24:2)

Ook Lukas vermeldt de voorzegging van de Here Jezus aangaande de verwoesting van de tempel.

Deze dingen die u aanschouwt – er zullen dagen komen waarin hier geen steen op de andere steen gelaten zal worden die niet zal worden afgebroken. (Lukas 21:6)

De discipelen zullen ongetwijfeld de schrik van hun leven hebben gehad. Geen wonder dat ze vragen naar het hoe en wanneer.

Toen Hij nu op de Olijfberg zat, kwamen de discipelen afzonderlijk naar Hem toe en zeiden: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding van de eeuw? (Mattheüs 24:3)

De discpelen stellen dus drie vragen. Wanneer zal de tempel worden verwoest? Wat is het teken dat de (terug)komst van de Here Jezus op handen is? Wat is het teken dat de bedeling van de wet zal zijn afgelopen? Vergelijken we dit met Lukas, dan zien we een verschil.

Zij nu vroegen Hem aldus: Meester, wanneer zullen deze dingen dan zijn, en wat is het teken wanneer deze dingen zullen gebeuren? (Lukas 21:7)

Lukas vermeldt alleen de vraag naar de verwoesting van de tempel. Vervolgens spreekt de Here Jezus uitvoerig over allerlei zaken die raken aan de nabije en verre toekomst.

Ook bij Mattheüs komt de verwoesting van de tempel pas later in de toespraak aan de orde.

15 Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in de heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! – laten dan zij die in Judea zijn,

16 vluchten naar de bergen;

17 laat hij die op het dak is, niet naar beneden gaan om de dingen uit zijn huis te halen; en laat hij die op het veld is,

18 niet terugkeren naar achteren om zijn kleed te halen.

19 Wee echter de zwangeren en de zogenden in die dagen.

20 En bidt dat uw vlucht niet ‘s winters of op sabbat gebeurt. (Mattheüs 24:15-20)

De verwijzing naar Daniël wijst er op dat de Here spreekt over gebeurtenissen in de Grote Verdrukking. Het gaat hier over de antichrist van wie Paulus schrijft dat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is (2 Thessalonica 2:4).

Lukas daarentegen zwijgt over de antichrist. Hij vertelt over de omsingeling van Jeruzalem en de daarop volgende gebeurtenissen.

20 Wanneer u nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat haar verwoesting nabij gekomen is.

21 Laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen; en zij die in haar midden zijn, er uittrekken, en die in de landstreken zijn, niet in haar binnengaan.

22 Want dit zijn dagen van wraak, opdat alles wat geschreven staat, vervuld wordt.

23 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen; want er zal grote nood zijn in het land en toorn

24 En zij zullen vallen door het scherp van het zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door de volken worden vertrapt, totdat de tijden van de volken zijn vervuld. (Lukas 21:20-24)

Zowel Mattheüs als Lukas vermelden in het vervolg gebeurtenissen die verband houden met de terugkomst van de Here Jezus, gegevens die ons doen weten dat over de Grote Verdrukking gesproken wordt.

Zo wordt duidelijk dat we in Mattheüs 24 niets vinden over de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinse legeraanvoerder Titus in het jaar 70. Die gebeurtenis vinden we wel bij Lukas. We worden dus geconfronteerd met een belangrijk verschil. Mattheüs plaatst de gebeurtenissen rond Jeruzalem in de Grote Verdrukking, Lukas spreekt over het jaar 70. Mattheüs vertelt over wat ook nu nog in de toekomst ligt, Lukas rept over gebeurtenissen van bijna 2000 geleden. Wie daarover mocht twijfelen doet er goed aan nog twee tekstplaatsen in ogenschouw te nemen. Let op wat Lukas schrijft over wat meteen na de verwoesting van Jeruzalem gebeurt.

En zij zullen vallen door het scherp van het zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door de volken worden vertrapt, totdat de tijden van de volken zijn vervuld. (Lukas 21:24)

Jeruzalem zal niet alleen worden verwoest, de totale bevolking zal worden weggevoerd ‘onder alle volken’. Precies wat gebeurde in het jaar 70.

Mattheüs daarentegen vertelt ons precies het tegenovergestelde. Na al het oorlogsgeweld aan het eind van de Grote Verdrukking zal de teruggekomen Here Jezus er voor zorgen dat de Joden naar hun land zullen worden teruggebracht.

En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van de uitersten van de hemelen tot de andere uitersten daarvan. (Mattheüs 24:31)

Zo zien we dat we dat twee Bijbelgedeelten die op het eerste gezicht over dezelfde dingen handelen, toch op essentiële punten van elkaar verschillen. Je kunt daarom niet willekeurig gegevens uit beide hoofdstukken met elkaar combineren. Beide toespraken dienen elk hun eigen doel, en moeten als zodanig worden bestudeerd.

In het volgende artikel gaan we ons verdiepen in de geschiedenis van het Koninkrijk van God.