Inleiding

Daniel 9 is een van de meest geliefde hoofdstukken bij broeders en zusters die belangstelling hebben voor profetie. En bedoel ik natuurlijk de profetie van de zeventig jaarweken die Daniel ontvangt van Gabriel als Gods antwoord op diens gebed. Want is dat niet de realiteit? De eerste 23 verzen van dit hoofdstukken zijn uiteraard van belang (het is immers Gods Woord!), maar pas bij vers 24 wordt het spannend. Toch is dat niet terecht. Het hele hoofdstuk 9 vormt één onlosmakelijk geheel. Desondanks eerst iets over de ‘jaarweken-profetie’. Deze noemt drie tijdperken: de eerste telt 7 jaarweken, de tweede 62 en de derde 1. In schema gezet krijg je zoiets als dit.

De eerste 7 jaarweken zijn bestemd voor de herbouw van tempel en stad. In de volgende 62 jaarweken heerst er voornamelijk stilte van Gods kant, een stilte die pas wordt doorbroken met de komst van Zijn Zoon Jezus Christus. Deze periode komt tot een eind met de kruisdood en opstanding van de Here Jezus. De laatste jaarweek laat nog op zich wachten. We weten inmiddels dat op het punt aangewezen door de rode pijl een tussentijd is ingevoegd. Deze tijd wordt de genadetijd genoemd, of ook wel de tijd van de gemeente.

In de profetie die Daniel ontvangt wordt niet over deze invoeging gesproken. Dat kan ook niet, want de komst van de gemeente was een geheimenis, een verborgenheid, een mysterie.

Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente. (Efeze 5:32)

Hiermee wil ik duidelijk stellen dat alles wat in Daniel 9 staat geschreven voor Israël bestemd is, en ook uitsluitend over Israël gaat. Natuurlijk zijn er voor de christen belangrijke geestelijke lessen te leren, maar dat is het punt niet. We zullen Daniël 9 alleen goed kunnen begrijpen als we accepteren dat Israël en Israël alleen het onderwerp van dit hoofdstuk is.

Gebed

Hoofdstuk 9 begint met Daniel die in de profetie van Jeremia leest dat de ballingschap 70 jaar zou duren. Hij realiseert zich dat de dag van terugkeer niet ver meer kan zijn. Zijn reactie getuigt van diep geestelijk inzicht. Hij buigt zijn knieën en doet belijdeis van zonden. Niet die van hemzelf, maar van die van het volk in de jaren voorafgaand aan de ballingschap.

3 En ik richtte mijn aangezicht tot de Here God om te bidden en te smeken, in vasten en in zak en as.

4 En ik bad tot de Here, mijn God, en deed schuldbelijdenis (Daniel 9:3-4)

Hij windt er geen doekjes om en benoemt nauwkeurig wat benoemd moet worden.

5 Wij hebben gezondigd en misdreven, wij hebben goddeloos gehandeld  en zijn wederspannig geweest; wij zijn afgeweken van uw geboden en van uw verordeningen,

6 En wij hebben niet geluisterd naar uw knechten, de profeten, die in uw naam gesproken hebben tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot het ganse volk des lands. (Daniel 9:5-6)

Het is allerminst een fraai overzicht:

– Het volk heeft gezondigd;

– Het volk heeft misdreven;

– Het volk heeft goddeloos gehandeld;

– Het volk is weerspannig geweest;

– Het volk is afgeweken van Gods geboden;

– Het volk is afgeweken van Gods verordeningen.

En dat is nog maar de helft. Immers, God zond profeten tot Israëls koningen, vorsten en vaderen, ja tot het hele volk. Bovenop alle zonden die Daniel belijdt, komt daarom nog deze zeer grote zonde: ze hebben niet geluisterd! En dat niet eenmaal, nee, eeuwen achter elkaar ging dat zo door.

Daarom zegt Daniel dat bij de Here gerechtigheid is, maar bij het gehele volk een beschaamd gezicht. Ook dit aspect werkt hij weer minutieus uit. Hij spreekt over de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem, geheel Israël, ja, over hen die dichtbij zijn en hen die veraf wonen in al de landen waarheen God ze verstoten heeft.

Zo gaat hij verder en roemt God om Diens barmhartigheid en vergeving. Tegelijkertijd bevestigt hij dat God volkomen in Zijn recht staat. Het stond immers allemaal al in de wet van Mozes. Nog voor de ballingschap een feit was, heeft God het volk niet alleen gewaarschuwd, maar ook toen al oordelen over het volk gebracht. Maar het treurige refrein bleef. Israël bekeerde zich niet van zijn ongerechtigheden, en sloeg geen acht op Gods waarheid. Ten slotte barst Daniel uit in een ontroerende smeekbede.

17 Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, om des Heren wil.

18 Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. (Daniel 9:17-18)

Nu hij al deze vreselijke dingen voor het aangezicht van God heeft gebracht, beleeft hij als het ware iets van de pijn die God heeft moeten ervaren bij het zien van het wangedrag van het volk. Daniel schreeuwt het uit.

O Here, hoor! o Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk. (Daniel 9:19)

Het is op deze bede dat God reageert. Gabriel, de aartsengel, wordt naar Daniel gestuurd.

Bij het begin van uw smeekbede is er een woord uitgegaan, en ik ben gekomen om het u mede te delen, want gij zijt zeer bemind. Let dus op het woord en sla acht op het gezicht. (Daniel 9:23)

Wat is er aan de hand? Daniel onderkent de ernst van de situatie. 70 jaar ballingschap zijn voorbij. Maar is daarmee ook alles weer OK tussen God en Zijn volk? Uit het vervolg zal blijken dat we bij het beantwoorden van deze vraag moeten letten op het land, op het volk en op de heilige stad Jeruzalem.

Sabbatsjaren

Het sabbatsjaar is het zevende of rustjaar bij de Israëlieten, het jaar dat de landerijen volgens de wet van Mozes braak moeten liggen en geen schulden geïnd mogen worden. Hoewel er zeker een ‘landbouwkundig’ aspect aan dit gebod verbonden is – uitputting van het land moest worden voorkomen, is er meer aan de hand. In de eerste plaats is het een oefening in geloofsvertrouwen. Wat zal het volk eten als een heel jaar lang niets verbouwd wordt? En als het land een jaar lang niet bebouwd mocht worden betekende dit dan dat de boerenbevolking een heel jaar niets om handen had? Gelukkig niet.

Wat het voedselprobleem betreft, God zou voorzien. Sterker, God leerde zo Zijn volk op Hem te vertrouwen. En wat aangaande de dreigende ledigheid? We lezen in Deuteronomium dat tijdens het sabbatsjaar het Loofhuttenfeest een extra dimensie krijgt. Iedereen in het land zal de gehele wet voorgelezen krijgen. Ze zullen luisteren, God leren vrezen en de wet leren onderhouden. Extra nadruk wordt gelegd op het onderwijs aan de kinderen – die er immers nog niet van weten! Wie zich dit in praktische zin voorstelt, begrijpt dat men dat in een week niet voor elkaar krijgt. Een flink deel van het sabbatsjaar zal dan ook bestemd zijn geweest voor ‘Bijbelstudie’.

10 En Mozes gebood hun: Na verloop van zeven jaar, op de bepaalde tijd van het jaar der kwijtschelding, namelijk het Loofhuttenfeest,

11 Wanneer geheel Israël opgaat om voor het aangezicht van de Here, uw God, te verschijnen, op de plaats die Hij verkiezen zal, zult gij deze wet ten aanhoren van geheel Israël voorlezen.

12 Roep het volk tezamen, mannen, vrouwen en kinderen, ook de vreemdeling, die in uw steden woont, opdat zij ernaar horen en de Here, uw God, leren vrezen en al de woorden dezer wet naarstig onderhouden,

13 En opdat hun kinderen, die er niet van weten, het horen en de Here, uw God, leren vrezen, al de tijd, dat gij leeft in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen. (Deuteronomium 31:10-13)

Ballingschap: het land

Uit allerlei toespelingen in het Oude testament begrijpen we dat het volk zich niet aan de wet op de sabbatsjaren heeft gehouden. Sterker nog, God had al aangekondigd dat deze dingen zouden gebeuren.

Dan zal het land zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, al de dagen dat het woest ligt en gij in het land uwer vijanden zijt; dan zal het land rusten en zijn sabbatsjaren vergoeden. (Leviticus 26:34)

Elke keer dat het sabbatsjaar genegeerd werd groeide een soort ‘schuld’. Een ‘landbouwkundige schuld’, en een ‘geestelijke schuld’. God – de Eigenaar van het land – kon op een bepaald moment niet anders dan ingrijpen. De goddelijke ‘Deurwaarder’ trad op als ‘Schuldeiser’. En zoals de deurwaarder de spullen in beslag neemt als de schuldenaar nog langer zijn rekeningen niet betaalt, zo nam God Israël het land af, en stuurde het weg in ballingschap. Uit 2 Kronieken leren we dat de 70-jarige ballingschap inderdaad bedoeld was om het ‘landbouwkundige’ deel van de schuld te voldoen.

Om het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, in vervulling te doen gaan: totdat het land zijn sabbatsjaren vergoed gekregen heeft. Al de dagen die het woest lag, heeft het gerust, om zeventig jaar vol te maken. (2 Kronieken 36:21)

Even rekenen. Eén maal in de zeven jaar moest Israël een sabbatsjaar houden. 2 Kronieken 36 vertelt ons dat het om 70 sabbatsjaren gaat. Dat brengt ons op 7 x 70 = 490 jaren. Dus, pas als de 70 jaar voleindigd zijn heeft het land de rust gekregen die het al die jaren was misgelopen.

Want zo zegt de Here: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen. (Jeremia 29:10)

Profetie: het volk, de stad

Maar blijkbaar was het ‘geestelijk’ tekort daarmee niet voldaan. Al die 490 jaren heeft het volk in grove zonden geleefd, afgoderij bedreven, weduwen, wezen en andere kwetsbaren niet de aandacht gegeven die God had bevolen, etc. etc.

6 Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken?

7 Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwervelingen in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed? (Jesaja 58:6-7)

Vandaar ook dat Daniel in de profetie aangaande de zeventig jaarweken voorzegd krijgt dat die periode zal dienen om de ‘geestelijke’ schuld te voldoen. De landbouwkundige schuld (die rustte op het land) is voldaan, de geestelijke schuld (die nog steeds rust(te) op het volk en de heilige stad) zal door Iemand anders moeten worden voldaan. 70 jaarweken, dat zijn 490 jaar om de geestelijke schade te herstellen. We lezen het in vers 24.

Zeventig weken zijn er bepaald

over uw volk en uw heilige stad,

    • om de overtreding te beëindigen,
    • de zonden te verzegelen,
    • de ongerechtigheid te verzoenen,
    • om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen,
    • om visioen en profeet te verzegelen,
    • en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. (Daniel 9:24)

Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad. Hier vinden we meteen het bewijs dat Israëls geestelijke schuld niet is voldaan met de ballingschap. De zeventig jaar zijn weliswaar voorbij, maar God spreekt nog steeds over uw volk en uw stad. Zou de geestelijke schuld voldaan zijn, dan zouden we ongetwijfeld lezen mijn volk en mijn stad. In plaats van zeventig jaar, zal het proces dat tot Israëls herstel zal leiden, zeventig jaarweken (490 jaar) duren. Dat wil zeggen dat de profetieën in dit vers nog voor de aanvang van het Duizendjarig Rijk zullen worden vervuld. God stelt Zich zes ‘taken’ die met elkaar zullen leiden tot het definitieve herstel van Israël. De eerste twee zien op het verwijderen van negatieve zaken, de derde op de manier om taak een en twee tot stand te brengen, en de laatste drie op de heerlijke toekomst die Israël wacht.

Overtreding en zonde

De eerste twee ‘taken’ handelen over overtredingen en zonden, een belangrijk onderscheid. Overtreding en zonde liggen weliswaar dicht bij elkaar, maar zijn niet gelijk. Daniel zelf heeft in zijn gebed ook oog voor het onderscheid tussen beide begrippen.

Zonde is ruimer dan overtreden. Zonde omvat alles wat we bewust of onbewust doen tegen de wil van God. Dit geldt niet alleen voor Israël, maar voor de gehele mensheid.

Want allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God (Romeinen 3:23)

De heiden overtrad de wet van Mozes niet – men was immers niet ‘onder de wet’ – maar zondigde wel.

Een overtreding is iets doen wat volgens de wet niet mag. In het geval van Israël is duidelijk dat het om het overtreden van de wetten van Mozes gaat.

Maar indien gij naar Mij niet luistert en al deze geboden niet doet (…)(Leviticus 26:14)

Hoe ver dit gaat blijkt uit het feit dat ‘onwetend overtreden’ toch ‘schuldig’ maakt.

Indien iemand zondigt en doet een van de dingen die de Here verboden heeft, zonder dat hij het weet, dan is hij toch schuldig en draagt zijn ongerechtigheid. (Leviticus 5:17)

Israël zondigde én overtrad de wet. Paulus illustreert het verschil tussen zonde en overtreding met een voorbeeld. Iedereen die zondigt is de dood schuldig. Adam overtrad, want God had hem verboden van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. Sinds die overtreding zondigden alle mensen. Ze overtraden echter niet want pas vanaf de wetgeving bij de Sinaï was er weer sprake van een goddelijke wet.

toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes, ook over hen die niet gezondigd hadden door te overtreden zoals Adam (…). (Romeinen 5:14)

Daniel krijgt dus te horen dat in de toekomst een einde zal komen aan het overtreden én aan het zondigen van Israël. Overtreding en zonde leiden tot ongerechtigheid. Deze ongerechtigheid maakt dat Israël niet kan bestaan voor Gods aangezicht. Plat gezegd: ze zijn te vies om aan te raken.

Verzoening

Behalve het beëindigen van overtreden en zonde, moet het volk dus ook gereinigd, gerechtvaardigd worden. Deze reiniging (lees: schuldenvergeving) zal plaatsvinden langs de weg van de verzoening. En dat zal niet anders gaan dan wanneer een mens tot geloof komt. De Here Jezus stierf voor onze zonden. Dat is geweldig nieuws. Maar als vervolgens niemand de benodigde stap tot de Here Jezus neemt, zal het ons niet baten. Daarom roept Paulus ook op tot verzoening.

17 Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is alles nieuw geworden.

18 En alles is uit God, die ons met Zichzelf heeft verzoend door Christus en ons de bediening van de verzoening heeft gegeven,

19 namelijk dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was, terwijl Hij hun overtredingen hun niet toerekende en in ons het woord van de verzoening legde.

20 Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als het ware door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.

21 Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. (2 Korinte 5:17-21)

Dit gedeelte laat in elk opzicht zien hoe geweldig het volbrachte werk van Christus is. Christus heeft de prijs betaald. Ieder mens kan behouden worden, want ‘er is kracht in het bloed van het Lam’ – meer dan voldoende kracht. Maar het is geen automatisme. Door Christus’ offer kan ik worden behouden. Toch weten we maar al te goed dat velen verloren zullen gaan. Waarom? Omdat een mens moet besluiten te willen worden behouden. Daarom ook roept Paulus ‘Laat u met God verzoenen!’ De mens moet de al tot stand gebrachte verzoening aanvaarden, wellicht zelfs zijn verzet tegen deze verzoening opgeven. Het zou een grote belediging voor God en Zijn Christus zijn om dit aanbod te negeren. En dus – ook al is de basis om te worden verzoend 2000 jaar geleden gelegd – is een mens niet eerder behouden dan wanneer hij Gods aanbod aanvaardt.

Voor het volk Israël geldt hetzelfde. Hoewel door de eeuwen heen velen uit dat volk tot geloof in de Here Jezus kwamen (de apostelen voorop!), is Israël als volk nog steeds ongelovig. Hun ongerechtigheid zal echter eens verzoend worden, zo blijkt uit Daniels profetie. En uit de context blijkt dat dit zal gebeuren vlak voordat de 490 jaar voorbij zijn.

Het behoud van Israël

Als er een ding duidelijk is aangaande Israëls behoud, dan is het wel dat het op het allerlaatste nippertje is. Johannes vertelt aan het begin van Openbaring dat de Here Jezus komt met de wolken – aan het eind van de grote verdrukking. Die komst zal voor elk dan nog op aarde levend mens zichtbaar zijn. Johannes noemt twee categorieën mensen, Israël en de heidenen.

Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen. (Openbaring 1:7)

Zij die Hem doorstoken hebben zijn de heidenen, het was immers een Romeinse soldaat die met zijn zwaard de zijde van de Here Jezus doorboorde. Maar ook Israël kun je daarbij rekenen, omdat zij het waren die hun Messias aan de Romeinen overleverden en het zo (naar de mens gesproken) mogelijk maakten dat de Romeinen Hem konden kruisigen. Van die eerste groep – de heidenen – staat alleen dat ze de Here Jezus zullen zien – niet welke uitwerking dit op hen heeft. Voor Israël daarentegen blijkt de komst van de Here Jezus een enorme schok te zijn. ‘Alle stammen van het land’ – dat is het hele dan nog levende deel van Israël – zullen Hem herkennen en zich plotseling realiseren dat de beloofde Messias toch ‘Jezus van Nazareth’ was. Weeklagen wijst op diep berouw, een noodzakelijke voorwaarde voor bekering. Zacharia profeteert over deze gebeurtenis.

 (…) Ik zal op een dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen. (Zach. 3:9b)

Het zal allemaal op één dag gebeuren – het gehele overblijfsel van Israël komt tot geloof. Het is de vervulling van Daniel 9:24. De overtreding is beëindigd, de zonden zijn verzegeld, de ongerechtigheid is verzoend. Israël is wedergeboren, en zal niet langer overtreden, zal ook niet langer zondigen, is gereinigd en geheiligd door het bloed van hun Messias. Hiermee is aan alles wat ‘negatief’ was een einde gekomen. Blijven over de drie ‘positieve’ voorzeggingen. Daarover meer in het tweede artikel.