Aanbidding

De Here Jezus verricht in het hemelse Heiligdom de dienst van Aäron, naar de orde van Melchizedek (waarover de volgende keer meer). Deze dienst houdt in dat God de Vader alle lof en eer ontvangt die Hem toekomt. Alleen de Here Jezus is in staat aan de hoge eisen van dit aanbidden en losprijzen te voldoen. Wij, als gelovigen, naderen in Hem zoals we de vorige keer zagen. We kunnen misschien het gevoel krijgen dat ons onwaardig zijn een probleem is, maar het is de Here Jezus die ons vertelt dat de Vader aanbidders zoekt die Hem aanbidden in geest en in waarheid.

Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke personen die Hem aanbidden. (Johannes 4:23)

Deze twee begrippen – geest en waarheid – worden verschillend uitgelegd. Het lijkt me verstandig de uitleg die het meest ‘begrijpelijk’ is als uitgangspunt te nemen. We leren dan dat aanbidding in geest wil zeggen dat we God op een geestelijke manier moeten aanbidden, en niet op een tastbare manier, zoals in het Oude Testament. In waarheid zegt ons dat aanbidden inhoudelijk zo moet zijn dat het overeenkomt met dat wat de Here Jezus ons over de Vader heeft geleerd. Dit laatste wijst ons weer op onze verantwoordelijkheid de Schrift te bestuderen. Uiteraard hoort aanbidding van de Zoon hier bij. De Vader aanbidden en de Zoon negeren is onmogelijk. Al in het Oude Testament lezen we dat de Zoon van eeuwigheid bij de Vader is, en daar ‘troetelkind’ is.

Toen was ik een troetelkind bij Hem, ik was een en al verrukking dag aan dag, te allen tijde mij verheugend voor zijn aangezicht (Spreuken 8:30)

Wie de Vader werkelijk wil aanbidden zal Hem vertellen wat de Zoon voor hem of haar betekent. Het kan ook niet anders. De Vader vertelt ons immers hoogstpersoonlijk hoeveel de Zoon voor Hem betekent. Zo klinkt na de doop van de Here Jezus de stem van God:

Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden. (Mattheus 3:17)

Inderdaad, het ‘troetelkind’ uit Spreuken was Mens geworden. Zou er iets aan de verhouding Vader-Zoon zijn veranderd? Onmogelijk. Hij die ‘troetelkind’ was, was dezelfde als Hij die gedoopt werd. En pas op, Hij werd niet Gods Zoon toen Hij op aarde kwam, Hij was al sinds alle eeuwigheden Gods Zoon, die in die hoedanigheid op aarde kwam. De Here Jezus wijst daar Zelf op.

Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader. (Johannes 16:28)

Huisgenoten Gods

Wat wij in Christus geworden zijn is zo groot en zo rijk, dat we de eeuwigheid nodig zullen hebben om dat ten volle te begrijpen – als dat al mogelijk is. Om ons tijdens ons aardse leven tegemoet te komen gebruikt de Heilige Geest in de Bijbel beelden (metaforen). Zo lezen we bij Paulus in zijn brief aan Efeze over de verandering die we mochten doormaken toen we van ongelovig gelovig werden.

18 Want door Hem hebben wij beiden (SK: gelovigen uit de Joden en gelovigen uit de heidenen) in een Geest de toegang tot de Vader.

19 Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,

20 opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is,

21 in Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in de Heer;

22 in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in de Geest. (Efeze 2:18-22)

We zijn geworden tot medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God. Dat laatste wil zeggen dat we behoren bij het grote huisgezin van de Vader en elkaars broeders en zusters zijn. Petrus op zijn beurt spreekt van een geestelijk huis. God woont daar en de gelovigen mogen er ook wonen.

(…) u wordt (…) als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. (1 Petrus 2:5)

Paulus spreekt dus van huisgenoten, Petrus van priesters. De priesters worden geacht ‘geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus’. We vinden hier hetzelfde als in Hebreeën 13:15. Het ‘door Hem’ uit Hebreeën is bij Petrus ‘door Jezus Christus’. Lofoffers zijn voor God alleen aangenaam als ze verwijzen naar Zijn Zoon en Zijn werk. Echte lofoffers breng je alleen als je beseft hoe kostbaar de Here Jezus voor God is. Overigens, bij vers 15 hoort vers 16.

15 Laten wij dan door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is de vrucht van de lippen die zijn naam belijden.

16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen. (Hebreeën 13:15-16)

Niet toevallig vinden we in Hebreeën 13 een koppeling van de lofoffers aan materiële offers. Dit zijn offers waarmee de gelovige iets van zijn bezit ter beschikking stelt aan God door armen te ondersteunen (weldadigheid) en werkers voor de Heer in een inkomen te voorzien (mededeelzaamheid). Er is overigens nog een andersoortig offer dat God van ons vraagt.

Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, dat is uw redelijke eredienst. (Romeinen 12:1)

De gelovige stelt zijn eigen lichaam aan God ter beschikking, want niet de onze, maar Zijn wil geschiede. Daarenboven weten we dat we niet ‘van onszelf zijn’.

19 (…) uw lichaam is de tempel van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?

20 Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam! (1 Korinte 6:19-20)

Nog eenmaal terug naar Hebreeën 13. Er staat in vers 15 namelijk iets waar je gemakkelijk over heen leest: het woord voortdurend.

Laten wij dan door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is de vrucht van de lippen die zijn naam belijden. (Hebreeën 13:15)

In het Oude Testament brachten priesters af en toe een offer, wij als Nieuwtestamentische priesters mogen, nee moeten God voortdurend offers brengen, hetzij lofoffers, hetzij materiële offers, hetzij het offer van de beschikking over ons lichaam.

Die lofoffers dienen recht uit ons hart te komen. Hebben we Christus lief? De Vader hoort niets liever dan dat. Daarom vertellen we Hem wat we in Christus en Zijn werk hebben gevonden. Hebben we die wetenschap paraat? Niet automatisch. Daarom is de studie van Gods Woord ook een uiting van het brengen van lofoffers. We willen immers steeds meer weten over die wonderbaarlijke Persoon, Die Zijn leven gaf om ons te redden. Een paar tips.

Alle offers wijzen naar het offer van Jezus Christus!

Het Paaslam uit Exodus 12 is een gemeenschappelijk offer ten behoeve van het volk:

– Het vormde het begin van Israëls bestaan als in relatie met God;
– Het spaarde het volk voor oordeel;
– Het bevrijdde het volk uit Egypte, uit de slavernij.

De vijf offers van Leviticus 1-5 worden gebracht door een verlost volk, zij werden persoonlijk gebracht.

Brandoffer – verzoening en aanneming, niet alleen qua positie, maar ook praktisch.
Spijsoffer – erkenning van waardigheid van Christus voor God.
Vredeoffer – er is vrede tussen God en ons.
Zondoffer – het probleem van onze zondige aard is opgelost.
Schuldoffer – het probleem van onze zondige daden is opgelost.

Ik raad iedere gelovige aan deze offers (opnieuw) diepgaand te bestuderen, bijvoorbeeld aan de hand van de bekende boeken van C. H. Mackintosh, te weten ‘Aantekeningen op Exodus’ en ‘Aantekeningen op Leviticus’.