De aanleiding

Twee leiders op het christelijk erf hebben recentelijk geprobeerd te berekenen hoe laat het is op Gods kalender. Beiden geven aan dat binnen een aantal jaren de Opname zal plaatsvinden. Zelf denk ik ook dat het niet meer lang zal duren voordat de Here Jezus Zijn bruid thuishaalt. Maar daarbij een exact aantal jaren aan te geven gaat me te ver, en is volgens mij zelfs onschriftuurlijk.

Uur, dag en jaar

Het is de Here Jezus Zelf die Zijn discipelen voorhoudt dat alleen de Vader van dat tijdstip weet. Deze uitspraak geldt trouwens de tweede komst, maar het principe is hetzelfde.

Van die dag en dat uur echter weet niemand, ook de engelen van de hemelen niet, ook de Zoon niet, behalve de Vader alleen. (Mattheus 24:36)

‘Slimmigheden’ als ‘de Here zegt dat we dag en uur niet kunnen weten, maar het jaartal wel’ zijn de Schrift onwaardig. Alsof de Here Jezus dat soort handigheidjes niet zou kennen. Daar komt bij dat ‘dag’ en ‘uur’ een belangwekkende Bijbelse achtergrond hebben.

Om uit te roepen een jaar van het welbehagen des Heren en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten (Jesaja 61:2)

In Mattheus 24 gaat het over Israël ten tijde van de Grote Verdrukking. Doorheen de gehele Bijbel zien we dat God Zijn oordelen ‘zo kort mogelijk’ houdt. Er is sprake van een jaar van welbehagen – dat wil zeggen van zegen, van voorspoed, van liefde, van genade. Een lange periode dus. Daarnaast is er het oordeel: de dag des Heren. Kort maar krachtig, daarom zijn hier de woorden dag en uur van toepassing. En dat is precies wat er gaat gebeuren. De Grote Verdrukking duurt zeven jaar, het jaar van welbehagen duizend jaar.

Onze plaats weten

Veel gelovigen houden zich bezig met het zoeken naar een manier om de dag van de Opname te kunnen berekenen. Dat zouden ze niet moeten doen. Er zijn belangrijker zaken. Bovendien, wat vindt God daar eigenlijk van? Een paar voorbeelden kunnen ons daar een idee van geven.

21 Toen Petrus dan deze zag, zei hij tot Jezus: Heer, maar wat zal er met deze gebeuren?

22 Jezus zei tot hem: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het jou aan? Volg jij Mij.

23 Dit woord dan ging uit onder de broeders, dat deze discipel niet zou sterven. Maar Jezus had niet tot hem gezegd dat hij niet zou sterven, maar: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het jou aan? (Johannes 21:21-23)

Deze woordenwisseling vindt plaats vlak nadat de Here Jezus Petrus driemaal heeft gevraagd of hij Hem liefheeft. Petrus is benieuwd hoe het verder met Johannes zal gaan. In plaats van een antwoord krijgt hij van de Here Jezus een verwijt: het gaat hem niets aan. Dit zijn zaken die alleen de Here Jezus aangaan. Nog een voorbeeld.

Jezus (…) zei tot hen: Mijn tijd is nog niet aangebroken; maar uw tijd is altijd bereid. (Johannes 7:6)

Niemand van ons mensen weet wanneer hij zal sterven. Dat heeft praktische consequenties. Niet weten wanneer te sterven betekent dat het elk ogenblik zover kan zijn. We moeten daarom zo leven, dat ons sterven niet op een ‘ongelegen’ moment komt, dat we bij wijze van spreken ‘op heterdaad betrapt worden’. We dienen zo te leven dat we niet ‘overvallen’ worden. Petrus noemt wat dit betreft man en paard.

Daarom, geliefden, daar u deze dingen verwacht, beijvert u onbesmet en onberispelijk voor Hem te worden gevonden in vrede. (2 Petrus 3:14)

Dat is de consequentie van het niet weten van het tijdstip van ons sterven. En dat is maar goed ook. Alleen de Here Jezus Zelf wist wanneer Hij zou sterven.

In Handelingen vinden we iets vergelijkbaars. De discipelen vragen daar naar het wanneer van de vestiging van het Koninkrijk van God. Ook hier klinkt in het antwoord van de Here Jezus een licht verwijt.

Hij echter zei tot hen: Het komt u niet toe tijden of gelegenheden te weten die de Vader in zijn eigen macht heeft gesteld. (Handelingen 1:7)

‘Het komt u niet toe’ wil zeggen dat de discipelen niet inzage moeten willen hebben in dingen die alleen de Vader aangaan. Daar komt bij dat er aanwijzingen zijn dat het tijdstip van de vestiging van het Koninkrijk van God (het Duizendjarig Rijk!) niet vaststaat.

En als die dagen (SK: de Grote Verdrukking) niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar terwille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort. (Mattheus 24:22)

Je leest hier iets van ‘eigenlijk zou het zo-en-zo lang moeten duren’. Dat zou echter ten koste gaan van het behoud van sommige gelovigen (let op: dit gaat over de Grote Verdrukking!), en daarom zet God er eerder een punt achter.

De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. (2 Petrus 3:9)

Ook hier lezen we iets van uitstel. In dit geval omdat nog niet iedereen tot geloof is gekomen. Daarover verderop meer. Hoe dan ook, er zijn waarschijnlijk helemaal geen vaststaande datums.

En de tekenen der tijden dan?

De tekenen der tijden zijn bestemd voor Israël, niet voor de gemeente. Akkoord, ze staan in de Bijbel en dus mogen wij christenen ze bestuderen. Maar ze hebben geen rechtstreekse betrekking op onze toekomst – lees de Opname. Sterker nog, het Nieuwe Testament maakt geen melding van tekenen waaraan wij zouden moeten kunnen herkennen dat het tijdstip van de Opname bijna daar is.

Dat er tekenen worden waargenomen betekent dat de profetieën voor Israël binnenkort zullen worden vervuld. Daaruit kunnen we als christenen afleiden dat ook de tijd van de Opname nabij is, maar nogmaals, de tekenen zijn voor Israël.

Aan het begin van zijn brief aan Korinte zet Paulus het geloof in het kruisoffer van de Here Jezus tegenover de houding van de Grieken (heidenen) en de Joden. Voor de heidenen is het lijden en sterven van onze Heiland dwaasheid. De Joden op hun beurt willen er niet aan, tenzij ze tekenen zien, die in hun optiek overtuigend genoeg zijn. Maar als ze die krijgen, geven ze toch niet thuis. Dit schrijft Paulus:

Immers, Joden begeren tekenen (…) (1 Korinte 1:22)

Dit is letterlijk zo gebeurd. We lezen het in Mattheus.

En de farizeeen en sadduceeen kwamen naar Hem toe, en om Hem te verzoeken vroegen zij Hem hun een teken uit de hemel te tonen. (Mattheus 16:1)

Ziet u wat er staat? Een teken uit de hemel! Dus niet de tekenen waar de Here Jezus Johannes de Doper op wijst: blinden kunnen weer zien en kreupelen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd. Dit betekent dat de Joden een absoluut bewijs van de heerschappij en almacht van Christus willen hebben, bijvoorbeeld door middel van een groot teken aan de hemel. Ironisch genoeg is dat precies wat ze zullen krijgen, alleen dan is het voor hen te laat.

En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in de hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid. (Mattheus 24:30)

Israël zal meer tekenen der tijden ontvangen, maar omdat het als volk in ongeloof verkeert, kan het de tekenen niet herkennen. Hoe zit dat?

Twee evangeliën

Om de profetieën aangaande Israël goed te kunnen plaatsen, moeten we eerst zicht hebben op de bedelingen.

De Bijbel verdeelt de tijd vanaf de schepping van Adam tot aan de ‘nieuwe hemel en de nieuwe aarde’ van Openbaring 21:1, in zeven ongelijke perioden, meestal de ‘bedelingen’ genoemd. Deze perioden heten ook wel: ‘eeuwen’ (Efeze 2:7).

In de Bijbel zijn deze perioden te herkennen aan een verandering in Gods manier van handelen met mensen, of met een gedeelte van de mensheid aangaande zonde en de menselijke verantwoordelijkheid. Elke bedeling kan worden gezien als een nieuwe toetssteen voor de natuurlijke en onbekeerde mens. Elke bedeling, ook wel tijdperk genoemd eindigt in oordeel, dit oordeel laat het volledige falen en de onmacht van mensen zien.

Vijf van deze bedelingen zijn al geweest. Nu leven wij in de zesde bedeling, waarschijnlijk aan het einde van deze bedeling. Hierna komt er nog een zevende, het Duizendjarig rijk.

(Uit: Scofield Schematische Bijbellessen)

1 Onschuld → Hof van Eden
2 Geweten → Voor de zondvloed
3 Menselijk bestuur → Na de zondvloed
4 Belofte → Aartsvaders
5a Wet → van Exodus tot aan het Kruis
6 Genade → van het Kruis tot aan de Opname
5b Wet → Grote Verdrukking
7 Koninkrijk → Duizendjarig Rijk

Oorspronkelijk liep de bedeling van de Wet van Exodus tot aan het Duizendjarig Rijk in een keer door. De Messias kwam en het Duizendjarig Rijk zou vrijwel onmiddellijk daarna aanbreken. Mattheus vertelt ons hoe de prediking begon.

1 In die dagen nu trad Johannes de doper op en predikte in de woestijn van Judea

2 en zei: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. (Mattheus 3:1-2)

Het koninkrijk was nabij, want de Koning was gekomen! Later werden de discipelen door de Here Jezus Zelf uitgezonden om te prediken.

Als u nu heengaat, predikt aldus: Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. (Mattheus 10:7)

Maar Israël verwierp hun Messias. Johannes vertelt hoe Israël tegenover Pilatus de Romeinse keizer boven de voor hen bestemde koning prefereerden.

Zij dan riepen: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zei tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning dan de keizer. (…) (Johannes 19:15)

De Messias werd gekruisigd, stierf voor onze zonden en stond op de derde dag op uit de doden. Na de uitstorting van de Heilige Geest krijgt Israël opnieuw het koninkrijk aangeboden. In Handelingen 3 lezen we van de genezing van de lamme bij de Schone Poort. Dit veroorzaakt een flinke oploop die Petrus benut voor een nieuwe toespraak. Hij komt met de volgende boodschap.

19 Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer

20 en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus zendt,

21 die de hemel moet opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van oudsher. (Handelingen 3:19-21)

We vinden hier vier zaken:

  1. Een oproep tot bekering;
  2. De belofte van de komst van de tijden van verkwikking;
  3. De belofte dat Jezus Christus zal komen (!);
  4. Een tijdsbepaling: tot op de tijden van de herstelling van alle dingen.

Net als in zijn eerste toespraak hamert Petrus op dé voorwaarde: toon berouw en kom tot bekering. Uit de context blijkt dat het hier niet slechts gaat om een oproep tot persoonlijke bekering, maar om een opwekking aan heel het volk zich te bekeren. In Handelingen 2 drong Petrus op eenzelfde manier aan tot bekering.

(…) met vele andere woorden betuigde en vermaande hij hen en zei: Laat u behouden van dit verkeerde geslacht. (Handelingen 2:40)

Zijn toehoorders begrepen toen heel goed dat Petrus het mensen als groep toesprak. Hun vraag was namelijk opvallend eensluidend:

Toen zij nu dit hoorden, werden zij in het hart getroffen en zij zeiden tot Petrus en de overige apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? (Handelingen 2:37)

Duizenden kwamen tot geloof. Na de tweede toespraak zelfs vijfduizend. Dit ‘succes’ zette echter niet door, er kwam grote tegenstand. Terwijl Petrus nog bezig was het volk toe te spreken waren daar namelijk ineens de gezagsdragers.

1 Terwijl zij nu tot het volk spraken, kwamen de priesters, de hoofdman van de tempel en de sadduceeen op hen af,

2 zeer verstoord dat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden.

3 En zij sloegen de handen aan hen en zetten hen in bewaring tot de volgende dag, want het was al avond. (Handelingen 4:1-3)

Zij wilden niets van de boodschap van de apostelen weten en verboden hen nog langer te spreken over Jezus Christus. En daarmee ging deze uiterst belangrijke boodschap aan Israël voorbij.

Stefanus

Het eindpunt van deze treurige gang van zaken vinden we in de steniging van Stefanus. Deze dappere gelovige hield een geweldige toespraak voor het gehoor van Israëls leidslieden. In een lang exposé over de geschiedenis van Israël toont hij aan dat het met name de ‘overheid’ is die God werk dwarsboomt. Hij zet aan het eind van zijn rede een groot uitroepteken.

51 Hardnekkigen en onbesnedenen van harten en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest, zoals uw vaderen, zo ook u.

52 Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? En zij hebben hen gedood die tevoren de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu de verraders en moordenaars bent geworden,

53 u die de wet door beschikking van engelen hebt ontvangen en niet gehouden! (Handelingen 7:51-53)

Stefanus wordt gestenigd. In Handelingen 9 leren we vervolgens hoe de Here Jezus Paulus tot apostel roept. Deze Paulus zal later in zijn brief aan Efeziërs schrijven dat God hem gebruikt om de grote verborgenheid van de gemeente te openbaren.

1 Daarom ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus voor u, de volken…

2 (waar u immers hebt gehoord van het rentmeesterschap van de genade van God, mij voor u gegeven,

3 dat mij door openbaring de verborgenheid is bekend gemaakt – zoals ik tevoren in het kort geschreven heb;

4 daardoor kunt u, als u dit leest, mijn inzicht opmerken in de verborgenheid van Christus –

5 die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in de Geest geopenbaard is aan zijn heilige apostelen en profeten:

6 dat zij uit de volken medeerfgenamen zijn en medeingelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie (Efeze 3:1-6)

Geen prediking van het Koninkrijk, maar het evangelie voor de volken. Geen scheiding meer tussen Gods uitverkoren volk en de volken, maar door de doop in Heilige Geest één nieuw geestelijk volk, bestaande uit zowel Joden als heidenen. Het tijdperk van de gemeente was gekomen, het tijdperk van de genade.

Wat als …

Stel nu dat het anders was gelopen, dat Israël wel zijn Messias had aanvaard. Wat was er dan gebeurd?

De tijden van verkwikking zouden aanbreken. Er zou een periode komen waarin Gods zegen voor het volk duidelijk zichtbaar wordt. Dat betekent in de eerste plaats de terugkeer van de Here Jezus als Messias, een herstel van de nationale onafhankelijkheid van Israël onder Zijn leiding (dat is het herstel van het koningschap voor Israël) en in het verlengde daarvan de wederoprichting van alle dingen en de voleinding der wereld. (SB)

Kortom: het Duizendjarig Rijk zou daar en toen zijn begonnen. Maar helaas, Israël als volk bleef hardnekkig ongelovig. Eerst verwierpen ze God als hun koning (1 Samuel 8:7), vervolgens wezen ze de Zoon af (Johannes 19:15) en na het wonder van de eerste Pinksterdag verzetten zij zich ook tegen de Heilige Geest (Handelingen 7:51). Dit ongeloof was door God voorzien. Hoe treurig ook, het opende wel de mogelijkheid dat er niet slechts voor Israël een evangelie zou zijn, maar ook een blijde boodschap voor de gehele wereld. Israël werd daarom tijdelijk terzijde gesteld, zodat de periode van de gemeente, van de genade kon worden ingelast. Deze genadetijd eindigt met de Opname, waarna de periode van de wet weer terugkeert in de Grote Verdrukking. Naar veler overtuiging leven we nu aan het eind van de genadeperiode in afwachting van de Opname. Dit verklaart dus de ordening van de bedelingen die voor ons onderwerp van belang zijn:

Bedeling van de wet → van Exodus tot aan het Kruis
Bedeling van de genade → van het Kruis tot aan de Opname
Bedeling van de wet → (na de Opname de) Grote Verdrukking

Wanneer is de genadetijd voorbij?

Hierboven is betoogd dat de Opname de afsluiting van de genadetijd is, en dat ons niet is geopenbaard wanneer dat zal zijn, noch dat er tekenen worden gegeven waardoor we het zouden kunnen weten. Wel vinden we enkele aanwijzingen die ons helpen te begrijpen waarom er geen tekenen zijn. De eerste vinden we in de toespraak van Jakobus tijdens het zogenaamde Apostelconvent te Jeruzalem (Handelingen 15:13-18). Voor de apostelen was het niet gemakkelijk te accepteren dat het evangelie aan de volken moest worden verkondigd. Eenmaal bij elkaar onder leiding van de Heilige Geest krijgen ze echter duidelijkheid over deze dingen. Ze gaan zien dat God al van voor de schepping de gemeente op het oog had. De Oudtestamentische profetieën stemmen hiermee overeen. Dit aannemen van een volk uit de heidenen (de genadetijd!) zal op een bepaald moment voltooid zijn. Ook spreekt Jakobus krachtige profetische woorden van God: daarna zal Ik terugkeren om Israël te herstellen. Dit herstel heeft een doel: opdat de rest van de mensheid nog tot geloof zal kunnen komen.

13 En nadat dezen zwegen, antwoordde Jakobus en zei: Mannen broeders, hoort naar mij.

14 Simeon heeft verhaald hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit de volken een volk aan te nemen voor zijn naam.

15 En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat:

16 ‘Daarna zal Ik terugkeren en de tent van David weer opbouwen die vervallen is; en wat daarvan is omvergehaald, zal Ik weer opbouwen en Ik zal haar weer oprichten,

17 opdat de overigen van de mensen de Heer zoeken, en alle volken waarover mijn naam is uitgeroepen, zegt de Heer die deze dingen doet’,

18 die van eeuwigheid af bekend zijn. (Handelingen 15:13-18)

Let op het woordje ‘daarna’ in vers 16. Eerst wordt de gemeente gevormd. Als dat gereed is wordt deze opgenomen. Daarna breekt de Grote Verdrukking aan, en Israël verschijnt weer op Gods toneel.

Bedeling van de wet → van Exodus tot aan het Kruis: profetieën
Bedeling van de genade → God neemt uit de volken een volk aan
Bedeling van de wet → tijdens de Grote Verdrukking neemt God de draad

→ met Israël weer op en wordt ‘een schare die

→ niemand tellen kan’ gewonnen

De vraag is nu, wanneer is de vorming van de gemeente afgerond? Daarover geeft Paulus ons in de Romeinenbrief uitsluitsel. Daarbij valt op dat het niet gaat om een ‘wanneer’, althans niet in de zin van een bepaalde datum. Nee, God heeft een maatstaf: ‘de volheid der heidenen’. Volheid wil zeggen compleet zijn, iedereen is er, niemand ontbreekt (meer). We leren hieruit dat God Zich heeft voorgenomen een bepaald aantal gelovigen te roepen. Is dat aantal er, volgt de Opname.

25 Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen oog, dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;

26 en zo zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden. (Romeinen 11:25-26)

De terzijdestelling van Israël duurt tot dit ‘totdat’. Merk op dat het ‘daarna’ van Jakobus in Handelingen 15:16 hetzelfde punt markeert als het ‘totdat’ van Paulus, namelijk de Opname!

Het aantal dat nodig is voor de volheid heeft Petrus in zijn tweede brief op het oog. Hij pareert daar de kritiek (toen ook al dus) van de wereld dat de beloofde wederkomst wel erg lang op zich laat wachten. Ja, zegt Petrus, dat heeft te maken met Gods plan. God heeft Zich voorgenomen een afgerond aantal gelovigen aan de gemeente toe te voegen. Dat proces is nog steeds niet voltooid, en dus blijft de wederkomst nog uit.

De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. (2 Petrus 3:9)

We begrijpen nu ook dat deze woorden van Petrus niet een soort ‘alverzoening’ inhouden. Het ‘allen’ slaat niet op de gehele mensheid, maar op de wedergeborenen die toegevoegd worden aan het lichaam van Christus, dat is Zijn gemeente, Zijn bruid.

Twee keer mis …

Zoals in de inleiding gezegd, het onderwerp van dit artikel is bepalen of de gangbare uitleg van twee verzen uit Mattheus 24 wel correct is. Die uitleg gaat niet zonder grondige Bijbelstudie, dat is op een systematische manier met de Bijbel bezig zijn om Gods Woord beter te leren kennen.

Bij die studie zijn een aantal hulpvragen erg nuttig.

– Bepaal wie (of Wie!) spreekt,

– Bepaal wat wordt er gezegd,

– Bepaal tegen wie het wordt gezegd.

– Vraag je af wat de reikwijdte van het gelezene is. Geldt dit (nog) voor ons? Gaat het over ons? Heeft het misschien een diepere zin, een geestelijke betekenis?

– Houd de gulden regel in ere: vergelijk Schrift met Schrift.

Beide teksten die een m.i. ongewenste uitleg krijgen vinden we in Mattheus 24, meer precies in de eerste 44 verzen. Ze zijn de weergave van de grote profetische rede van de Here Jezus. De aanleiding tot deze toespraak vinden we in de eerste drie verzen.

1 En Jezus ging naar buiten en vertrok van de tempel; en zijn discipelen kwamen naar Hem toe om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen.

2 Hij nu antwoordde en zei tot hen: Ziet u dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u: er zal hier geen enkele steen op de andere steen gelaten worden die niet zal worden afgebroken.

3 Toen Hij nu op de Olijfberg zat, kwamen de discipelen afzonderlijk naar Hem toe en zeiden: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding van de eeuw? (Mattheus 24:1-3)

De discipelen wijzen op het tempelcomplex. De Here Jezus merkt op dat van de pracht van het bouwwerk niets zal overblijven. Deze woorden vormen op zich al een opmerkelijke profetie. De vervulling heeft zich enkele tientallen jaren later voltrokken. In het jaar 70 na Christus hebben de Romeinen Jeruzalem én het tempelcomplex verwoest. Die gebeurtenissen markeren tevens het begin van de verstrooiing van Israël over de gehele wereld. De profetische uitspraak van de Here Jezus is voor de discipelen aanleiding een drietal vragen te stellen aangaande toekomstige ontwikkelingen.

  1. Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn (wanneer zal de tempel worden verwoest);
  2. Wat is het teken van uw komst;
  3. Wat is het teken van de voleinding van de eeuw.

De Here Jezus neemt deze vragen als uitgangspunt om een uitgebreide profetische rede te houden. Indachtig de regels voor gezonde Bijbelstudie is het nodig eerst vast te stellen wat de reikwijdte van dit hoofdstuk is. Geldt dit voor ons? Gaat het over ons?

We moeten ons om te beginnnen terdege realiseren dat ons de gehele Bijbel is gegeven. Paulus schrijft dan ook aan Timotheüs dat alle Schrift door God is ingegeven en nuttig is om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in de gerechtigheid. Maar pas op, niet alles is tot ons gericht, en zeker niet alles gaat over ons. Om goede uitleg te geven is het dus essentieel deze voorvragen te kunnen beantwoorden. Welnu, Mattheus 24:1-44 is gericht tot Israël en gaat voornamelijk over Israël tijdens de Grote Verdrukking. We mogen het bestuderen, en kunnen hier veel leren, maar het gaat niet over de gemeente. Ik noem een aantal redenen.

  1. Op het moment van het uitspreken van deze rede was de gemeente nog een verborgenheid.
  2. Christenen kunnen niet misleid worden door een valse Christus. Zij weten dat ze de Heer zullen zien meteen na de Opname in het Huis van de Vader. Joden daarentegen die de Messias hebben afgewezen, verwachten een andere Messias. Zij lopen het gevaar bedrogen te worden.
  3. De gemeente verkondigt niet het evangelie van het Koninkrijk, dat is aan Israël. De gemeente verkondigt het evangelie van Gods genade.
  4. Christenen zullen niet op aarde zijn als het afgodsbeeld in de tempel zal staan. Zie Daniel 7.
  5. De beschreven gebeurtenissen kunnen het best worden verstaan door ze te vergelijken met Openbaring 6-19. Tijdens die periode zal het gelovige overblijfsel van Israël Gods getuigenis op aarde zijn. De gemeente is dan opgenomen.
  6. De komst van de Here Jezus na de verdrukking zal over de gehele aarde worden gezien. De gemeente is dan niet op aarde. Zij daalt juist als bruid mee vanuit de hemel, aan de zijde van de terugkerende Messias.
  7. De Here spreekt over ‘Wie echter zal volharden tot het einde, die zal behouden worden’ (vers 13). Dat is niet het evangelie van genade. Genade spreekt van behoudenis op geloof.

Vers 14

De eerste tekst die we moeten bekijken is vers 14.

En dit evangelie van het koninkrijk zal over het hele aardrijk worden gepredikt tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde komen. (Mattheus 24:14)

De gewraakte uitleg van dit vers luidt als volgt. Wereldwijd wordt gewerkt aan het overzetten van de Bijbel. De Bijbel is inmiddels in duizenden talen beschikbaar. Het zal niet lang meer duren voor de Bijbel in elke taal gelezen kan worden. En als dat het geval is, zal de Opname spoedig volgen.

Hierboven is al betoogd dat op het moment van uitspreken van deze profetische rede, de gemeente nog een verborgenheid was. De bedeling van de genade was nog niet begonnen, men bevond zich nog in de bedeling van de wet. De verkondiging in deze bedeling luidde: ‘Bekeert u, want het koninkrijk van God is nabij’. Zie onderstaand schema.

Bedeling van de wet → verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk

→ (vanaf Johannes de Doper)

Bedeling van de genade → verkondiging van het evangelie van genade
Bedeling van de wet → tijdens de Grote Verdrukking wordt de

→ verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk

→ afgerond

In vers 14 spreekt de Here Jezus over deze verkondiging. De betekenis van dit vers is dat als de verkondiging van het koninkrijk alle volken zal hebben bereikt, het einde zal komen. Deze verkondiging is echter gestopt, en met reden. Nu Israël zijn Koning heeft verworpen, is het koninkrijk voor onbepaalde tijd uitgesteld. Er is geen sprake meer van een koninkrijk dat nabij zou zijn. Het heeft dan ook geen zin deze verkondiging door te zetten. Daarom, zoals de bedeling van de wet werd onderbroken voor de bedeling van de genade, zo is ook de verkondiging van het koninkrijk onderbroken. Ze zal wel worden voltooid, maar dat ligt nog in de toekomst. Intussen duurt de bedeling van de genade al bijna tweeduizend jaar. De verkondiging luidt daarom nog steeds ‘dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam.’

Maar spoedig zal de Opname plaatsvinden. De gemeente wordt weggenomen van deze aarde. De bedeling van de wet wordt hervat, en daarmee ook de prediking van het koninkrijk. Immers, de komst van het koninkrijk van God ligt dan nog maar zeven jaar in de toekomst – na afloop van de Grote Verdrukking.

Wie zullen die verkondiging op zich nemen? We lezen het in Openbaring 7, het zijn de honderdvierenveertigduizend verzegelden uit elke stam van Israël. Zal hun prediking effect hebben? Nou en of. Een grote menigte die niemand kan tellen, uit elke natie en alle geslachten en volken en talen, zal tot geloof komen. Zij zullen behouden zijn, maar niet bij de gemeente worden geteld. Die is immers voor de Grote Verdrukking in zijn gehele volheid opgenomen.

Het geeft dus geen pas Mattheus 24:14 toe te passen op de verkondiging van het evangelie van genade en er als consequentie de dag van de Opname aan te koppelen. Het gaat over Israël en de verkondiging van het koninkrijk. Het gaat om de komst van de Koning voor Zijn volk Israël, het gaat om het Duizendjarig Rijk.

Vers 32 en vers 34

Een regelmatig gehoorde bewering is dat Mattheus 24:32 ons leert dat het zacht worden van de takken en het uitspruiten van de bladeren slaat op de stichting van de staat Israël. We zullen zien dat dit een ondeugdelijke toepassing is. Dit vers wordt vervolgens in samenhang met vers 34 gebruikt om een jaartal te berekenen. Het gaat om de volgende passage.

32 Leert nu van de vijgenboom deze gelijkenis: Wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (Mattheus 24:32-24)

Dat de vijgenboom een beeld is van Israël, is algemeen bekend.

6 Hij nu sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond die niet.

7 Hij nu zei tot de wijngaardenier: Zie, drie jaar is het sinds ik vrucht kom zoeken aan deze vijgenboom, en ik vind die niet; hak hem dus om; waarom beslaat hij de grond nog zonder nut?

8 Hij echter antwoordde en zei tot hem: Heer, laat hem nog dit jaar staan, totdat ik eromheen gegraven en mest gelegd heb;

9 en als hij dan in de toekomst vrucht voortbrengt… maar zo niet, hak hem om. (Lukas 13:6-9)

Nu heeft de vijgenboom een aantal merkwaardige eigenschappen, die in aanmerking moeten worden genomen wil men de betekenis van de vergelijking goed begrijpen. Bij de vijgenboom draait namelijk alles om de vrucht. Al voordat de bladeren uitkomen heeft de vrucht zich gezet: de zogenaamde voorvrucht. De vijgenboom kan tweemaal of soms zelfs driemaal per jaar vruchten geven.

In de gelijkenis is God de eigenaar van de wijngaard, de wijngaardenier is de Here Jezus, Israël is zowel de wijngaard als de vijgenboom. De vijgenboom gaf geen vrucht (heel uitzonderlijk dus!). De wijngaardenier is gestuurd door de eigenaar om vrucht te oogsten, maar moet telkens meedelen dat er geen vrucht is. Dit gaat nu al drie jaar zo. Drie jaar lang is de Here Jezus het land doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd. Maar Hij vond geen geloof. De boom omhakken zal uiteindelijk de enig juiste beslissing zijn, want zoals het nu gaat, neemt de boom alleen maar plaats in.

Laten we ons nu richten op de dag van de intocht in Jeruzalem aan.

4 Dit nu is gebeurd, opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet, die zei:

5 ‘Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier’. (Mattheus 21:4-5)

De intocht leidde tot groot enthousiasme bij de bevolking van Jeruzalem. Helaas bleek het niet meer dan een strovuurtje. Israël herkende zijn Koning niet – de Koning vond geen geloof.

De dag na de intocht in Jeruzalem toonde de Here Jezus aan de discipelen dat het geduld met Israël bijna op was. De Here Jezus had honger en zocht vrucht bij een vijgenboom. Het was nog vroeg in het jaar (Palmpasen!) en normaal gesproken zou er dus voorvrucht tussen de uitkiemende bladeren te vinden moeten zijn. Maar de Here Jezus vond niets en vervloekte de boom. Voor de ogen van de verbaasde discipelen verdorde de boom meteen.

Deze vervloeking was een profetie: Israël dat geen vrucht droeg, zou worden verworpen. De vrucht die de Here Jezus bij de vijgenboom zocht, was beeld van het geloof dat Hij bij Israël zocht. Als Israel geloof had, zou de gehele macht van God hen ter beschikking staan. Nu echter stond hun ongeloof het evangelie in de weg.

18 ‘s Morgens vroeg nu, toen Hij naar de stad terugkeerde, had Hij honger.

19 En toen Hij een vijgenboom langs de weg zag, ging Hij er naar toe en vond niets daaraan dan alleen bladeren. En Hij zei tot hem: Laat van u in eeuwigheid geen vrucht meer komen! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk.

20 En toen de discipelen dit zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo onmiddellijk verdord?

21 Jezus nu antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: als u geloof hebt en niet twijfelt, zult u niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar al zegt u ook tot deze berg: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zal gebeuren.

22 En alles wat u in het gebed gelovig vraagt, zult u ontvangen. (Mattheus 21:18-22)

Is er sinds die tijd iets veranderd aan de houding van het Joodse volk ten opzichte van de voor hen bestemde Koning? Helaas niet. Nog steeds is dit woord van de Here Jezus realiteit:

Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen. (Johannes 5:43)

Dit zal gebeuren in de Grote Verdrukking. Een groot deel van het Joodse volk zal vallen voor de antichrist. Gelukkig is er ook een gelovig overblijfsel, schrijft Paulus.

Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar de verkiezing van de genade. (Romeinen 11:5)

Dit overblijfsel zal bestaan uit de eerder besproken honderdvierenveertigduizend verzegelden uit Openbaring 7.

Nu dan terug naar Mattheus 24.

32 Leert nu van de vijgenboom deze gelijkenis: Wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd. (Mattheus 24:32-24)

De vijgenboom zal weer uitlopen. Of dat vlak voor de Opname, of pas aan het begin van de Grote Verdrukking zal zijn, weten we niet. Indachtig aan het gegeven vrucht = geloof, en het feit dat gelijktijdig met het uitlopen van de bladeren er voorvrucht zal zijn, moeten we er rekening mee houden dat mogelijk het zacht worden van de takken al wel is begonnen. Maar meer nog niet. Het is m.i. dan ook veel te dwingend in de stichting van de staat Israël het zacht worden van de takken en het uitspruiten van de bladeren te zien. Sinds 1948 is er inderdaad een nationale heropstanding gaande. In deze ontwikkeling kunnen we een voorbode zien dat het geestelijk ontwaken van Israel niet ver meer kan zijn. De Joden zijn echter nog steeds verhard (zie Romeinen 11:25). Ook de tempel wacht nog steeds op herbouw en daarop wacht dan weer het herstel van eredienst. Pas als (een deel van) Israël geestelijk zal ontwaken is de zomer nabij, en dat zal betekenen dat de komst van de Messias en zijn vrederijk aanstaande is. Dit alles betekent tevens dat we geen vaste datum kunnen verbinden aan de start van het uitlopen van de vijgenboom.

Een van de veelgehoorde ‘berekeningen’ zegt:

  • 1948 is de stichting van de staat Israël,
  • een generatie is 80 jaar,
  • de Grote Verdrukking duurt 7 jaar.

Even optellen en aftrekken: 1948 + 80 = 2028, dat weer minus 7 jaar verdrukking, geeft als uitkomst 1948 + 80 = 2028 – 7 = 2021. Dus nog afgezien van de ondeugdelijkheid van de berekening, het ontbreken van een vastliggende startdatum maakt de gehele exercitie zinloos.

Eigenlijk is dit voldoende om de onzinnigheid van dit alles aan te tonen. Maar er is meer. De berekening heeft nog een aanvechtbaar onderdeel, namelijk de vertaling van het Griekse woord genea. Het kan worden vertaald met ‘generatie’, maar ook met ‘geslacht’. Als men wil ‘berekenen’ dan is ‘generatie’ de beste de vertaling, want dit woord kan een bepaald tijdperk ter lengte van één generatie betekenen. De vraag is uiteraard of Bijbels gezien dit de juiste vertaling is. En dat is duidelijk niet het geval.

Bij de verklaring van een Bijbeltekst moeten we niet alleen afgaan op wat er staat, maar ons ook afvragen wat de bedoeling van de tekst is. Dus: tekst met tekst vergelijken, niet zomaar ‘stand-alone’ vertalen.

Bij het woord ‘genea’ moeten we derhalve op zoek naar andere uitspraken van de Here Jezus waarin Hij ook het woord ‘genea’ gebruikt. Die zijn er. En dan valt meteen ook iets anders op, namelijk dat Hij het woord ‘genea’ altijd gebruikt in combinatie met een aanwijzend voornaamwoord: dit of dat. Dus genea [Strongs nummering 1074] en hautē [Strongs nummering 3778] of tautē [Strongs nummering 3778]. En soms gebruikt de Heer ook nog een bijvoeglijk naamwoord. En dan vind je het volgende:

Mattheüs 11:16 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Met wie echter zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op de markten zitten en de anderen de woorden toeroepen:;

Mattheüs 12:41, 42, 45 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

41 Mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en het veroordelen, want zij bekeerden zich op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier!

42 De koningin van het Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met dit geslacht en het veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier!

45 Dan gaat hij heen en neemt zeven andere geesten met zich mee, bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook zijn met dit boos geslacht.

Mattheüs 23:36 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Voorwaar, Ik zeg u: dit alles zal over dit geslacht komen.

Mattheüs 24:34 (over het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat al deze dingen zijn gebeurd.

Markus 8:12 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

En Hij zuchtte diep in zijn geest en zei: Waarom verlangt dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: aan dit geslacht zal zeker geen teken worden gegeven.

Markus 13:30 (over het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan totdat al deze dingen zijn gebeurd.

Lukas 7:31 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Met wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken en aan wie zijn zij gelijk?

Lukas 11:29 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Toen nu de menigten verder samenstroomden, begon Hij te zeggen: Dit geslacht is een boos geslacht; het verlangt een teken, en het zal geen teken worden gegeven dan het teken van Jona.

Lukas 11:30 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Want zoals Jona voor de Ninevieten een teken was, zo zal ook de Zoon des mensen het zijn voor dit geslacht.

Lukas 11:31 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd),

De koningin van het Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met de mannen van dit geslacht en zal hen veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier!

Lukas 11:32 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd),

Mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen het veroordelen, want zij bekeerden zich op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier!

Lukas 11:50-51 (over het ongelovige Joodse volk de eeuwen door)

50 opdat van dit geslacht geëist wordt het bloed van alle profeten, dat vergoten is van de grondlegging van de wereld af,

51 van het bloed van Abel af tot het bloed van Zacharia, die omkwam tussen het altaar en het huis; ja, zeg Ik u, het zal worden geëist van dit geslacht.

Lukas 17:25 (over ongelovige Joden in Jezus’ tijd)

Eerst echter moet Hij veel lijden en verworpen worden door dit geslacht.

Lukas 21:32 (over het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)

Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan voordat alles is gebeurd.

Handelingen 2:40 (Petrus over ongelovige Joden in de tijd van Pinksteren)

En met vele andere woorden betuigde en vermaande hij hen en zei: Laat u behouden van dit verkeerde geslacht.

Hebreeën 3:10 (God over ongelovige Joden in de woestijn).

Daarom was Ik vertoornd op dit geslacht en zei: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben mijn wegen niet gekend,

Samengevat:

‘Dit geslacht’ is het Joodse volk van alle eeuwen, zowel de tijdgenoten van de Here Jezus als, in bredere zin, het Joodse volk vanaf het eerste begin tot aan de volledige vervulling van de profetie en de wederkomst van de Heer.

‘Dit geslacht’ is daarom niet een periode van één generatie. De Heer Jezus bedoelt immers steeds de Christus-verwerpende Joden, die er altijd zouden zijn, door de eeuwen heen, tot aan Zijn wederkomst. Zij blijven als volk bestaan totdat ‘al deze dingen gebeurd zijn’. Dit slaat op de hele periode van de verwerping van Israël, de tussenvoeging van de Gemeente en de aanneming van Israël tijdens de Grote Verdrukking (zie Romeinen 11). Al die tijd zou de Heer Israël bewaren:

32 Want God heeft allen onder het ongeloof besloten, opdat Hij aan allen barmhartigheid zou bewijzen.

33 O diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! (Romeinen 11:32-33)

De Schriftuurlijke conclusie kan niet anders zijn dan dat de uitdrukking ‘dit geslacht’ of ‘dat geslacht’, enkel te maken heeft met het Joodse volk als zodanig en niet een bepaald tijdperk ter lengte van één generatie. Dat het Engelse woord ‘generation’ misschien een wat ruimere betekenis heeft dan het Nederlandse ‘generatie’ doet daar niets aan af. Wij hebben te maken met de Nederlandse vertaling.

Ook in dit opzicht is er dus geen enkele grond voor de gehanteerde berekening.

Epiloog

Gelovigen in de bedeling van de genade verwachten de Opname. Deze zal volkomen onverwacht komen. Voor ongelovigen die wel op de hoogte waren van de Bijbelse leer zal het een nachtmerrie zijn. Het besef zal doordringen dat ‘het toch waar was’. Ze zullen zich ook realiseren dat ze zich nu in de Grote Verdrukking bevinden en dat ze zich niet alsnog kunnen bekeren. 1 Thessalonica 5 is wat dit betreft bijzonder leerzaam.

1 Maar wat de tijden en de gelegenheden betreft, broeders, hebt u niet nodig dat u geschreven wordt.

2 Want u weet zelf nauwkeurig dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht.

3 Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen geenszins ontkomen.

4 Maar u, broeders, bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen;

5 want u bent allen zonen van het licht en zonen van de dag. Wij zijn niet van de nacht of van de duisternis.

6 Laten wij dus niet slapen zoals de overigen, maar laten wij waken en nuchter zijn.

7 Want zij die slapen, slapen ‘s nachts en zij die dronken zijn, zijn ‘s nachts dronken.

8 Maar laten wij die van de dag zijn, nuchter zijn, terwijl wij het borstharnas van het geloof en de liefde aangedaan hebben, en als helm de hoop van de behoudenis;

9 want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de behoudenis door onze Heer Jezus Christus,

10 die voor ons is gestorven, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem leven.

11 Daarom, vermaant elkaar en bouwt elkaar op, zoals u ook doet. (1 Thessalonica 5:1-11)

Vers 1 en 2 tekent ons de houding van de gelovigen. Hoewel ook voor hen de Opname onverwacht zal zijn, is er geen reden tot angst. Waarom? Vers 9 zegt het ons. Wij zijn niet bestemd tot toorn (dus geen Grote Verdrukking voor ons!), maar bestemd om te worden gered.

Ongelovigen daarentegen leven hun leventje. Er is vrede, alles is veilig, alles is OK (denken ze), en dan worden ze door Gods oordelen overvallen. Ze worden overvallen omdat ze kinderen van de nacht zijn (vers 5). Wij gelovigen zijn kinderen van de dag, wij zijn wakker en nuchter (!) – als het goed is.

Hebben de tekenen van Mattheus 24 ons dan niets te zeggen? Zeker wel. Het is waar dat het begin van de weeën voor ons betekent dat de Opname steeds dichter bij komt.

En hoe zit het ten slotte met de verkondiging van het evangelie? In dit artikel heb ik om een en ander te verduidelijken een scherp onderscheid gemaakt tussen het evangelie van het koninkrijk en het evangelie van Gods genade. Betekent dit dat wij niets te melden hebben over het koninkrijk? Zeker niet. Als iemand tot geloof is gekomen, zal hij of zij zich verdiepen in de Bijbel, en ook leren over het koninkrijk, over het Duizendjarig Rijk. Evangelisatieprediking echter zal eerst en vooral de zondigheid van de mens, zijn eeuwige verlorenheid, het aanbod van Gods liefde in Christus, de noodzaak van berouw en bekering, de noodzaak van wedergeboorte centraal stellen. Dat is de kern van Gods boodschap in deze genadetijd.

Laten we dus geen tijd verknoeien met het uitvlooien van tijden en gelegenheden. Het is zinloos en leidt alleen maar tot verwarring. En als zo’n berekening voor de zoveelste keer een misser blijkt te zijn, is dat ten nadele van de geloofwaardigheid van prediker en prediking en tot oneer van God. De gelovige verwacht de Here Jezus en is derhalve waakzaam. That’s all.