De straat

(…) En de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas. (Openbaring 21:21)

Nu we de ‘buitenkant’ van de stad hebben bekeken en bewonderd, wordt het tijd door een van de poorten naar binnen te gaan. Welke poort we ook kiezen, we zien hetzelfde: een uitgeholde reusachtige parel. Zoals eerder overdacht spreekt de poort van het lijden en sterven van de Here Jezus. Alleen zij die het offer van onze Heiland in geloof hebben aanvaard kunnen naar binnen, een andere toegang is er niet. Na het passeren van de poort komen we op de straat. Dit is een wat merkwaardige aanduiding, want straten lijkt logischer. Er zijn immer twaalf poorten. Zouden we met een drone boven de stad kunnen vliegen dan verwacht je een raster te zien van drie keer drie straten, meerdere straten dus. Toch lezen we over ‘de straat’. Elke poort brengt ons op de straat. Er zijn meerdere oplossingen mogelijk voor dit raadsel.

  1. Het kan gaan om een generieke wijze van uitdrukken. In dit geval zou dat betekenen dat hoewel er gesproken wordt over ‘de straat’, het duidelijk is dat er vele straten zijn, waarvoor echter steeds hetzelfde geldt. We gebruiken deze manier van onder woorden brengen wel vaker. Zo hebben we het dikwijls over ‘de mens’. ‘De mens is hardleers’. Duidelijk is dat bedoeld wordt ‘alle mensen’. Zo kan hier voor ‘de straat was van zuiver goud’, worden gelezen ‘alle straten zijn van zuiver goud’.
  2. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat er inderdaad slechts één straat is, die echter bijzondere eigenschappen heeft, zodat de stad aan die ene straat voldoende heeft. Denkend aan de uitdrukking ‘alle wegen leiden naar Rome’, zouden we hier kunnen zeggen dat alle straten naar de troon van God en van het Lam leiden.

We mogen bovendien niet uit het oog verliezen dat de stad een kubus is. Een kubus met een hoogte van 2304 kilometer. Het is daarom niet ondenkbaar dat de stad is opgebouwd uit honderden lagen boven elkaar, die dan elk voor zich ook weer straten nodig zullen hebben.

Wandel en werken

Als een gelovige ontslaapt, wordt hij gesteld voor de rechterstoel van Christus. Daar wordt zijn leven beoordeeld. Alles wat de toets kan doorstaan, blijft bestaan, alles wat niet goed is, verbrandt. Als de opname heeft plaatsgevonden zal dit met alle opgenomen gelovigen gebeuren. Als we in Openbaring 19 lezen over de bruid, die zich heeft gereedgemaakt, dan moeten we aan dit oordeel denken. Het resultaat is een schitterend kleed, waarvan wordt gezegd dat het haar gegeven is.

Het kleed van de bruid is de totale som van alle kledij die de verheerlijkte gelovigen tezamen dragen. Ook voor ons individueel geldt dat het kleed ons wordt gegeven. Niettemin is er ook duidelijk sprake van eigen verantwoordelijkheid. We kunnen immers niet zeggen dat aangezien ons de klederen des heils worden gegeven, we er geen invloed op hebben, en dus ons niet druk hoeven te maken. Uit alles blijkt dat ook hier weer sprake is van twee zijden aan een en dezelfde medaille. De ene kant spreekt van Gods genade die ons geeft wat wij niet hebben verdiend. De andere kant spreekt van onze verantwoordelijkheid.

Zo geeft de Here Jezus tijdens de Bergrede duidelijk aan dat alles wat we doen door onze hemelse Vader wordt gezien, en onthouden. Hij ziet of we het doen voor eigen eer, of met het oog op de eer van God. Is de handelwijze naar Gods wil en gedachte, dan zal het ons worden vergolden, zal het ons ten goede komen als we eenmaal bij de Heer zijn.

3 Maar u, als u weldadigheid bewijst, laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet,

4 opdat uw weldadigheid in het verborgen is; en uw Vader die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden. (Mattheus 6:3-4)

Jakobus heeft een moeilijke brief geschreven. Velen vinden dat de inhoud strijdt met de leer die Paulus heeft ontvouwd. Maar dat is slechts schijn. Paulus betoogt dat de gelovige niet uit werken wordt behouden, maar uit geloof. Jakobus hamert op het belang van de werken als kenmerk van waar geloof. Aangezien wij mensen niet gedachten kunnen lezen, en al helemaal niet iemands psyche kunnen doorgronden, moeten we aan de levenswandel kunnen zien hoe het met iemands geloof gesteld is. Getuigt die levenswandel van vertrouwen op God? Wordt God verheerlijkt in de manier waarop de gelovige zich gedraagt? Alleen aan de levenswandel kunnen we zien of er geloof is.

Dit geldt ook voor iemands wijsheid. Bezit iemand wijsheid als uit de Heilige Geest? Het zal duidelijk worden in werken van geloof. Zo zien we dat leer en leven met elkaar in overeenstemming moeten zijn.

Maar iemand zal zeggen: U hebt geloof en ik heb werken; toon mij uw geloof zonder de werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. (Jakobus 2:18)

Wie is wijs en verstandig onder u? Laat hij zijn werken tonen uit zijn goede wandel in wijze zachtmoedigheid. (Jakobus 3:13)

In het boek Handelingen vinden we prachtig ‘portret’ van de gemeenten in Judea, Galilea en Samaria.

De gemeente dan door heel Judea, Galilea en Samaria had vrede, terwijl zij werd opgebouwd en wandelde in de vrees van de Heer, en zij vermeerderde door de vertroosting van de Heilige Geest. (Handelingen 9:31)

Van deze gemeenten wordt getuigd dat zij werden ‘opgebouwd’, dat zij wandelden in de vrees van de Heer en dat de gemeenten groeiden door de bijstand van de heilige Geest. We vernemen hier dat het geloof van de individuele christenen werd verdiept en versterkt en dat het aantal gelovigen toenam. Het was immers de Heilige Geest die de predikers vrijmoedigheid en overtuigingskracht gaf, en de prediking bevestigde met tekenen en wonderen.

Voor ons onderwerp is echter de vermelding ‘zij wandelde in de vrees van de Heer’ van belang. Vrees van de Heer staat er, niet vrees voor de Heer. De gelovigen leefden in ontzag voor God en gehoorzaamden Zijn wil. Deze wandel had de kracht van een getuigenis, want het was tot eer van God. (SB)

De Heilige Geest zoals genoemd in Handelingen blijkt onlosmakelijk verbonden met de christelijke levenswandel. Paulus roept de Galaten op tot het wandelen door de Geest. Wie wandelt door de Geest, leeft volgens de normen die God stelt. Wie wandelt door het vlees, leeft naar de norm van de mens.

Maar ik zeg: wandelt door de Geest, en u zult de begeerte van het vlees geenszins volbrengen. (Galaten 5:16)

Een christelijke levenswandel betekent een leven van goede werken. Wij worden niet gered door goede werken, maar om goede werken voort te brengen. God maakt het mogelijk die goede werken te doen. De Geest in ons leven maakt dat we niet langer op onszelf gericht zijn, maar op God.

Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen. (Efeze 2:10)

We hebben de gezindheid van Christus ontvangen, en verlangen te wandelen tot Gods eer. Te voren bereid wil zeggen dat de goede werken ‘vrucht van de Geest’ dienen te zijn, vrucht van ‘geestelijke karaktereigenschappen’. Die gezindheid, die karaktereigenschappen worden door Paulus in de Galatenbrief benoemd als liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Aan de Kolossers schrijft hij dat hij voortdurend bidt voor de gelovigen. Hij vraagt God of ze vervuld (!) mogen worden met de kennis van zijn wil, met wijsheid en geestelijk inzicht. Waarom? Om de Heer ‘waardig te wandelen’.

9 Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat u vervuld mag worden met de kennis van zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht,

10 om de Heer waardig te wandelen tot al zijn welbehagen, terwijl u in alle goed werk vrucht draagt en opgroeit door de kennis van God(Kolosse 1:9-10)

Kennis van Gods wil houdt in dat we Gods verwachtingen en voorschriften voor het praktische leven van de gelovigen kennen. Al doende dragen we vrucht en neemt onze kennis van God toe. Dat het gelijktijdig een door-en-door menselijke aangelegenheid is, bewijst de Schrift door te wijzen op voorbeelden die het navolgen waard zijn. Hét voorbeeld is ons gegeven door de Here Jezus Zelf. Johannes schrijft dat wij horen te wandelen zoals Hij dat deed.

Wie zegt dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen als Hij gewandeld heeft. (1 Johannes 2:6)

Zijn groot verlangen te doen wat Zijn Vader van Hem vroeg, kenmerkte de wandel van de Here Jezus. Hij kon zeggen ‘Mijn spijze is het doen van de wil van Mijn Vader’ (Johannes 4:34), en zei daarmee geen woord te veel. Het kwam tot uiting in Zijn omgang met de Vader, met de mensen en met de schepping. Maar ook medechristenen kunnen dienen als voorbeeld.

Houdt uw voorgangers in herinnering die het woord van God tot u gesproken hebben, en volgt, terwijl u het einde van hun wandelbeschouwt, hun geloof na. (Hebreeën 13:7)

Dit gaat over reeds gestorven voorgangers, want er staat dat we ze ‘in herinnering’ moeten houden. Hun levenswandel was ‘voorbeeldig’, zowel wat betreft hun manier van doen als het resultaat ervan.

– o – o –

Paulus schrijft de Efeziërs uitgebreid over de nieuwe levenswandel.

20 Maar zo hebt u Christus niet geleerd,

21 waar u Hem immers hebt gehoord en in Hem bent onderwezen, zoals de waarheid in Jezus is:

22 dat u, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens hebt afgelegd, die ten verderve gaat overeenkomstig zijn bedriegelijke begeerten,

23 en vernieuwd bent in de geest van uw denken,

24 en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid. (Efeze 4:20-24)

De nieuwe levenswandel is er omdat we ‘Christus hebben geleerd’, dat wil zeggen dat we weten Wie Christus is, en wat Hij van ons verlangt.

Maar het is niet zomaar kennis, het is in de eerste plaats het resultaat van wedergeboorte. In die wedergeboorte hebben we de oude mens afgelegd, we zijn vernieuwd in ons denken en hebben de nieuwe mens aangedaan. Die nieuwe mens is zoals God wil dat de mens moet zijn: rechtvaardig en heilig.

Hier zou opnieuw de gedachte kunnen opkomen dat het wedergeboren zijn tot de nieuwe mens inhoudt dat alles al afgerond is. God heeft het geregeld, einde verhaal. Zo zit het echter niet. God heeft ons door onze wedergeboorte niet van onze verantwoordelijkheid ontslagen. Daarom gaat Paulus na bovenstaande verzen in Efeze 4 verder met het noemen van een aantal dingen die gelovigen wel of niet zouden moeten. Niet liegen, maar de waarheid spreken; niet stelen, maar nuttige dingen doen; geen vuile taal, maar taal spreken tot zegen van anderen. Geen bitterheid, woede, razernij, geschreeuw, en gelaster, maar wel vol medeleven, met een positieve levenshouding en elkaar vergevend. Er is dus geen sprake van een automatisme. We houden een eigen verantwoordelijkheid. Vandaar de rechterstoel van Christus. Als het zou gaan om een ons door God gegeven kleed, zou dat uiteraard volmaakt zijn. Nu echter is ons kleed onvolmaakt. Er zitten goede stukken in, maar andere delen voldoen niet. De rechterstoel van Christus lost dat op. Alleen dat wat goed is blijft over en draagt bij aan het kleed van de bruid.

7 Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt;

8 en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen. (Openbaring 19:7-8)

Het kleed van de bruid bestaat de uitkomsten van de goede levenswandel van de heiligen. Net als alle andere hemelingen (Christus, de engelen, de vier levende wezen, de vierentwintig oudsten, de verheerlijkte gelovigen) ziet dat er uit als blinkend, rein, fijn linnen.

De straat

Het nut van een straat is het voortgaan te vergemakkelijken. Een goed onderhouden straat heeft een vlak plaveisel, en leidt naar de juiste bestemming. Hoewel we tegenwoordig straten vooral associëren met verkeer – auto’s, vrachtauto’s bussen, motorfietsen etc. – moeten we in dit verband toch eerder denken aan lopen, wandelen. We hebben al gezien dat wandelen ziet op ons gedrag, op onze daden.

In de Psalmen vinden we nog een belangrijke aanwijzing. In Psalm 84 bezingt David de lieflijkheid van de woningen van de Here der Heerscharen en hoezeer hij uitziet naar het verblijf in Gods huis. En dan lezen we de volgende woorden.

5 Welzalig zij die in uw huis wonen, zij loven U gestadig.

6 Welzalig de mensen wier sterkte in U is, in wier hart de gebaande wegen zijn. (Psalm 84:5-6)

Twee zaligsprekingen! Vers 5 spreekt de gelovigen die in Gods huis wonen zalig. Ze zijn zo gelukkig dat ze God voortdurend lofprijzen. Zo zal het ons gaan als we in het Nieuwe Jeruzalem wonen. Maar nu vers 6! Welzalig de mensen wier sterkte in U is, schrijft David. Dit ziet op het besef dat we Gods kracht nodig hebben. Maar Gods Geest doet ook iets. Het zorgt voor gebaande wegen – in het binnenste van de gelovige. Dat wil zeggen dat ze een ongedeeld hart hebben, niet hinken op twee gedachten, dat hun hart volkomen op God is gericht, alle hindernissen zijn verwijderd, de zonde geoordeeld. De christelijke levenswandel is daarom eerst en vooral een zaak van hart. Terug nu naar de straat in het hemelse Jeruzalem…

(…) En de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas. (Openbaring 21:21)

Heel die immense straat is vol gelovigen die allemaal op weg zijn naar de troon. En ze zien er allemaal prachtig uit, de een nog mooier dan de ander. Niemand loopt er bij als een schooier, het zijn ieder voor zich koninklijk in stralende pracht. Ze zijn zelfs zo mooi, dat hun uiterlijk past bij de omgeving waarin ze zich bevinden. Niemand valt uit de toon. Dat is de les van de straat. We weten nu dat onze levenswandel bijdraagt aan het kleed dat we straks in het Nieuwe Jeruzalem mogen dragen. Een kleed dat we ontvangen van de Heer, nadat Hij Zijn ogen over het ‘tussenresultaat’ heeft laten gaan.

Een plaveisel van goud

En dat gouden plaveisel, zuiver goud, doorzichtig als glas? Goud is bij uitstek hemels (bouw)materiaal. Het hemelse goud is volmaakt zuiver, nergens is ook maar een verontreiniging te zien – de zonde is voorgoed verdwenen, de ellende is voorbij! Wat een voorrecht om over zulk prachtig, zuiver materiaal te mogen wandelen.

Noot

In dit artikel ligt de nadruk op het belang van een Gode waardige levenswandel. In ons aardse leven vinden uiteraard meer ‘processen’ plaats dan alleen ‘schatten in de hemel verzamelen’. Een belangrijk proces vinden we in de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs.

Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door de Heer, de Geest. (2 Korinte 3:18)

In Mozes’ tijd was het niet mogelijk de heerlijkheid van God te aanschouwen. Dat is nu wel mogelijk, dat wil zeggen, met onze geestelijke ogen. We hoeven niet bang te zijn, zoals Israël dat in Mozes’ dagen wel was. Wat een voorrecht! Paulus schrijft dat we de heerlijkheid van de Heer Jezus mogen aanschouwen. Hij is onze verheerlijkte Heer. Wij mogen Hem als zodanig zien.

(…) wij zien Jezus, (…) met heerlijkheid en eer gekroond, (…)(Hebreeën 2:9)

Het wonder is nu, dat hoe meer we ons met Hem Die nu verheerlijkt in de hemel is, bezighouden, des te meer dat ook aan ons te zien zal zijn. We worden erdoor veranderd, we gaan steeds meer lijken op de Here Jezus.

Naar mijn bescheiden mening wordt deze zaak niet in de beschrijving van het hemelse Jeruzalem teruggevonden. Daarom heb ik dit – en andere processen – buiten beschouwing gelaten.