De ogen van God

De Bijbel beschrijft God vaak in Zijn vermogens, dat wil zeggen dat Hij wordt aangeduid als alziend, alhorend, alwetend, almachtig etc. In dit artikel wil ik proberen iets te zeggen over Gods alziendheid. Dit te weten is voor sommige mensen geruststellend, terwijl anderen er van gruwen. Duidelijk zal zijn dat dit samenhangt met iemands verhouding tot God. De gelovige heeft van God niets te vrezen, de ongehoorzame (die overigens wel gelooft dat God bestaat) wel. De ongelovige (die niet gelooft dat God bestaat) heeft ook veel te vrezen, maar die is zich niet van het gevaar bewust, omdat God in zijn beleving niet eens bestaat.

God ziet degenen die Hem zoeken

Koning Basa van Israël bedreigde Juda. Hij legde een blokkade, waarmee hij Juda ernstig in de problemen bracht. Asa, de koning van Juda, haalde daarop zilveren en gouden voorwerpen uit de tempel en zijn paleis en stuurde dat naar Benhadad, de koning van Aram. Benhadad reageerde door het verbond op te zeggen dat hij had met Israël, waardoor de militaire verhoudingen drastisch veranderden en de situatie voor Juda verbeterde. Hierop kreeg Asa, de koning van Israël bezoek van de profeet Chanani. Deze verweet hem wel op de koning van Aram, maar niet op God te hebben vertrouwd. God liet Asa aanzeggen dat deze dwaze handelswijze er voor zou zorgen dat de koning voortaan alleen nog maar oorlog zou kennen. Waarom was de list van Asa zo dwaas? Chanani zei het kort en bondig.

Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. (…)(2 Kronieken 16:9)

God zoekt dus naar gelegenheden om te verhoren. Daartoe trekken Zijn ogen over de hele aarde. Het wonderlijke hier is dat het niet de mens is die het aangezicht van God zoekt, maar dat God het aangezicht van mensen zoekt die op Hem gericht zijn. Dit zoeken toont Gods verlangen om de krachteloze te helpen. De koning van Juda had dit kunnen en moeten weten, want in een eerdere lastige situatie had hij het wel van God verwacht.

Waren de Kusieten en de Libiërs niet een groot leger met zeer veel wagens en ruiters? Toch heeft de Here hen in uw macht gegeven, omdat gij op Hem gesteund hebt. (2 Kronieken 16:8)

Toch ging hij aan deze wetenschap voorbij. Het werd het verhaal van zijn leven. Zelfs toen hij op latere leven ernstig ziek werd, volhardde hij in zijn dwaasheid.

In het negenendertigste jaar van zijn regering werd Asa ziek aan zijn voeten en zijn ziekte werd hoogst ernstig. Doch zelfs in zijn ziekte zocht Asa geen hulp bij de Here, maar bij de heelmeesters. (2 Kronieken 16:12)

Gods ogen gaan niet over de wereld om te zien wie Hij zou kunnen oordelen of straffen, maar om gelovigen te versterken. Zacharia krijgt dezelfde zekerheid ten tijde van de herbouw van de tempel. De bouw gaat niet van een leien dakje, omdat er veel tegenstand is. Dit ontgaat God niet, net zo min dat het Hem ontgaat dat ondanks de tegenwerking velen voor Hem werken.

2 Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, (…)

10 Deze zeven zijn de ogen des Heren, die de ganse aarde doorlopen. (Zacharia 4:2, 10)

De hulp die God toezegt is van een geheel andere orde dan wat de mens doorgaans verwacht.

Dit is het woord des Heren tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de Here der heerscharen. (Zacharia 4:6)

Zerubbabel was de leider van de eerste groep Joodse ballingen die uit het rijk van Babel terugkeerde. Hij begeleidde als landvoogd van de Perzische koning Kores in het jaar 538 vóór Christus de terugkerende Joodse ballingen naar hun vaderland. Hij had ook een groot aandeel in de herbouw van de tempel.

We leren hier dat het zien van God in de eerste plaats een positief karakter heeft. Hij ‘zoekt’ mensen die uitzien naar Zijn hulp!

Gods liefde voor Zijn Huis

Hierboven zagen we hoe Gods ogen over de gehele aarde gaan. Er zijn echter ook plaatsen die zich in de bijzondere belangstelling van God mogen verheugen. Een van die plaatsen was de tempel te Jeruzalem.

15 Thans zullen mijn ogen geopend zijn, en zullen mijn oren luisteren naar het gebed te dezer plaatse.

16 Thans heb Ik dit huis verkoren en geheiligd, opdat mijn naam daar zij tot in eeuwigheid; mijn ogen en mijn hart zullen daar zijn al de dagen. (2 Kronieken 7:15-16)

God heeft de tempel uitgekozen en voor Zichzelf bestemd om er tot in eeuwigheid te verkeren. Hoe bijzonder Gods belangstelling voor de tempel is, blijkt uit het feit dat Gods ogen, Gods oren, ja Gods hart gericht zijn op deze plaats. God ziet wat daar binnen gebeurt, Hij hoort wat daarbinnen gesproken en gezongen wordt. Zijn hart verheugt zich over al het goede dat Hij er waarneemt. Maar in datzelfde hart zal smart gevonden worden als de heiligheid van het Huis wordt geschonden.

Uw getuigenissen zijn zeer betrouwbaar, de heiligheid is uw huis tot sieraad o Here, tot in lengte van dagen. (Psalm 93:5)

Tussen het Woord van God en de heiligheid in Zijn Huis bestaat een bijzonder verband. Betrouwbaarheid is dan ook een onderdeel van heiligheid. Alles wat afwijkt van Gods betrouwbare Woord doet afbreuk aan Gods heiligheid. Daarom ook wil David niets liever dan in Gods Huis verkeren.

Een ding heb ik van de Here gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des Heren al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel. (Psalm 27:4)

In het Huis van God leert David God kennen, door te onderzoeken verwerft hij kennis van de wil van God. Deze gezindheid zou elke christen tot voorbeeld moeten dienen.

Gods Huis is Gods Huis omdat Hij er woont. Zonder de inwoning van God is elk gebouw, hoe mooi ook, niet meer dan een hoop stenen. Daarom ook lezen we in Haggai en Zacharia dat God er bijzonder op gesteld is dat de tempel van Salomo herbouwd wordt. Hij wil wonen in het midden van Zijn volk.

Beklimt het gebergte, haalt hout en herbouwt dit huis; dan zal Ik er welgevallen aan hebben en verheerlijkt worden, zegt de Here. (Haggai 1:8)

Tijdens de herbouw lezen we opnieuw over het oog van God. Het rustte op de oudsten van Juda. Het is een staande uitdrukking, waarin uiting wordt gegeven aan de bijzondere zorg van God.

Doch het oog van hun God rustte op de oudsten der Judeeërs, zodat zij hen de arbeid niet deden staken, (…) (Ezra 5:5)

Als later de tweede tempel gereed is, en door Herodes nog aanzienlijk uitgebreid, is het nieuwe gebouw opnieuw het Huis van God. De Here Jezus getuigt daarvan in woord en daad (!) bij de zogenoemde reiniging van de tempel. Hij noemt de tempel het ‘huis van mijn Vader’.

Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van mijn Vader tot een huis van koophandel. (Johannes 2:16)

De tweede tempel werd in het jaar 70 door de Romeinen verwoest. Sindsdien is er geen materieel huis van God op aarde. Maar zoals gezegd is niet het gebouw bepalend, maar de bewoner. Daar waar God woont, is Zijn huis, Zijn tempel. Hoe wonderlijk is het dan ook te lezen dat Gods huis een andere gedaante heeft aangenomen: de gemeente van onze Here Jezus Christus. Paulus en ook Petrus hebben ons deze nieuwe werkelijkheid onthuld. Eerst enkele woorden van Paulus.

16 Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?

17 Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven. (1 Korinte 3:16-17)

Waaraan moeten we nu denken bij ‘het verderven van de tempel van God’? Wel, hierboven constateerden we al dat er een onverbrekelijke band bestaat tussen de waarheid van Gods woord en de heiligheid van de tempel. Verderven betekent ‘totaal bederven, maken dat iets ontaardt, heel slecht wordt’. Dat gebeurt als mensen opstaan in de gemeente die dingen leren die volkomen in strijd zijn met het Woord van God. Dan wordt Gods eigen Huis een plaats waar de Heilige Geest en het Woord van God aan de kant worden gezet. Mensen gaan hun eigen ideeën verkondigen – vooral over de Here Jezus en de Heilige Geest. In de gemeente wordt God geëerd als de Here Jezus wordt geëerd, en omgekeerd. Een zeer actueel thema in deze ‘gevaarlijke tijden’.

Petrus stipt een ander aspect aan. Hij spreekt over de dienst in het Huis van God.

4 tot Wie u komt, tot een levende steen, door mensen wel verworpen maar bij God uitverkoren en kostbaar,

5 en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. (1 Petrus 2:4-5)

Het is het Huis van God. God als Bewoner bepaalt hoe het in Zijn huis zal gaan. Gelovigen zijn medebewoners, met een priesterlijke taak. Petrus spreekt over ‘het offeren van geestelijke offeranden’. Deze moeten aangenaam zijn voor God. Dat zijn ze als ze ‘door (of: in) de Here Jezus worden gebracht. Anders gezegd, we vertellen God wat we in Zijn Woord over de Here Jezus hebben geleerd. We danken, loven en prijzen Hem voor Zijn kostbare Zoon.

Dit luistert nauw. Zoals David al aangaf in Psalm 93, hebben ook wij met eerbied en ontzag de heiligheid van Gods Huis hoog te houden. Waarheid en heiligheid zijn twee kanten van dezelfde medaille! In de Hebreeënbrief wordt dit in krachtige bewoordingen benadrukt.

28 (…) laten wij (…) God dienen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag.

29 Immers onze God is een verterend vuur. (Hebreeën 12:28-29)

We worden hier opgewekt respect voor God te hebben. De gelovige moet Hem dienen ‘met eerbied en ontzag’, immers, Hij is een ontzagwekkend en heilig God. Maar let op, het gaat hier niet om angst, maar om respect. Toch heeft deze oproep wel degelijk een ernstige kant. Velen ontbreekt het namelijk aan dit respect, hetgeen blijkt uit hun afvalligheid. Zij moeten zich goed realiseren dat God ‘een verterend vuur’ is. Ze kennen het evangelie, maar keren terug naar waar ze vandaan kwamen.

Gods oordeel over mensen

Als alle dingen hun beslag hebben gekregen wordt aan het eind van Openbaring de grote witte troon zichtbaar. Iemand zit op die troon. Zijn aanblik is zo intimiderend geweldig, dat aarde en hemel voor Hem wegvluchtten. Het is een ‘witte’ troon, omdat Hij Die daarop zit, geheel rein is.

11 En ik zag een grote, witte troon en Hem die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.

12 En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.

13 En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken. (Openbaring 20:11-13)

De troon is het symbool van Gods regering. Wat voor de troon geldt, geldt ook voor Hem die er op gezeten is. God de Rechter is zuiver in Zijn oordeel. Hij oordeelt rechtvaardig. In Zijn beoordeling zit geen enkele bijbedoeling. Er is geen verborgen agenda. God is onkreukbaar.

Alle doden, die niet in het boek van de levenden worden gevonden, worden geoordeeld naar hun werken. De boeken spreken van een eindeloos grondige registratie van ieders mensenleven. Niets wat van belang is bij de beoordeling, ontbreekt. Gods ogen hebben alles gezien, Gods oren hebben alles gehoord. Onderstaande teksten geven een treffend beeld van een God Die overal en altijd gelijktijdig is, en van alles op de hoogte.

De ogen des Heren zijn aan alle plaatsen, opmerkzaam acht gevend op kwaden en goeden. (Spreuken 15:3)

13 De Here schouwt uit de hemel, Hij slaat alle mensenkinderen gade;

14 Uit zijn woonplaats ziet Hij naar alle bewoners der aarde,

15 Hij, die hun aller harten vormt, die al hun werken doorgrondt. (Psalm 33:13-15)

Groot van raad en machtig van daad, wiens ogen open zijn over alle wegen der mensenkinderen om aan een ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht zijner handelingen; (Jeremia 32:19)

Dit alles is noodzakelijk om Rechter van allen te zijn. Maar er is meer. God gebruikt dat wat Hij waarneemt ook als beweeggrond om in het leven van mensen in te grijpen. Dit kan zijn een bijsturend ingrijpen, tot aan het beëindigen van iemands leven toe. Zo greep God in toen Paulus op weg was naar Damascus om daar zijn verwoestende werk voort te zetten (Handelingen 9:1-19). God beëindigde daarentegen het leven van koning Herodes toen die niet protesteerde tegen de goddelijke eer die de bevolking hem toeriep (Handelingen 12:20-23). De Bijbel staat vol met dergelijke gebeurtenissen. Ze getuigen van Gods bemoeienis met mensenlevens.

Gods oordeel over gelovigen

God oordeelt gelovigen. Hij veroordeelt ze echter niet. Wie niet in de Zoon van God gelooft, is al veroordeeld, schrijft de apostel Johannes. Wie wel gelooft, wordt niet veroordeeld en ontvangt het eeuwige leven. De zonden van de gelovigen zijn al geoordeeld. Christus droeg de straf daarvoor op het kruis van Golgotha. Deze vrijheid mag ons echter niet verleiden ‘er maar op los te leven’. Paulus werpt die gedachte van zich.

 1 Wat zullen wij dan zeggen? Zouden wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?

2 Volstrekt niet! Hoe zouden wij, die ten opzichte van de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? (Romeinen 6:1-2)

 Nee, het is volstrekt anders. We zijn in een unieke positie geplaatst.

 Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn; (Romeinen 8:1)

Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt, maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem. (1 Johannes 5:18)

De praktijk van ons leven leert dat we nog steeds zondigen. Maar we zijn geen slaaf van de zonde meer. We zijn vrijgekocht door het bloed van de Here Jezus. We hoeven dus niet te zondigen. Het Nieuwe Testament staat dan ook vol met oproepen, aansporingen en vermaningen gericht aan de gelovigen, om te leven zoals een gelovige zou moeten leven. Neem nu Petrus. Hij koppelt aan zijn oproep tot een geheiligde levenswandel de opmerking dat de ogen van de Heer op alle gelovigen zijn gericht. Er zijn gelovigen die Petrus rechtvaardig noemt, er zijn er die kwaad (!) doen. Wie rechtvaardig handelt, mag weten dat zijn gebeden gehoord worden. Wie kwaad doet, moet weten dat God zijn levenswandel niet accepteert en door middel van tuchtiging zal willen corrigeren.

 8 En tenslotte, weest allen eensgezind, medelijdend, vol broederlijke liefde, welgezind, nederig,

9 en vergeldt niet kwaad met kwaad, of schelden met schelden, maar zegent integendeel, omdat u ertoe geroepen bent zegen te erven.

(…)

12 Want de ogen van de Heer zijn op de rechtvaardigen en zijn oren tot hun smeken; maar het aangezicht van de Heer is tegen hen die kwaad doen’. (1 Petrus 3:8-9, 12)

6 (…) wie de Heer liefheeft, tuchtigt Hij en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt’.

7 U verdraagt het tot tuchtiging; God behandelt u als zonen; want welke zoon is er die een vader niet tuchtigt? (Hebreeën 12:6-7)

Belangrijk is te zien dat al het bovenstaande het werk is van het Woord van God. Het Woord leeft, en heeft bovennatuurlijke vermogens. Het doorgrondt de gehele mens (ziel en geest, gewrichten en merg) en beoordeelt gedachten (min of meer spontane denkbeelden) en overleggingen (door de wil gestuurde gedachten, plannen) die in het hart van de mens worden gevonden.

 12 Want het woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt de gedachten en overleggingen van het hart.

13 En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben. (Hebreeën 4:12-13)

God beoordeelt de gelovige dus door middel van het Woord. Dat is een belangrijke constatering. De mens is immers voortdurend geneigd te oordelen over Gods Woord. De werkelijkheid blijkt dus volkomen tegengesteld te zijn.

Lezen we vers 12 en 13 uit Hebreeën 4 achter elkaar, dan blijkt dat wat van Gods woord wordt gezegd ook over God gezegd wordt. De verbinding ligt in het woordje ‘en’. Alle eigenschappen en werkzaamheden van het Woord worden zo verbonden met God. Voor Hem is geen schepsel verborgen. Zijn ogen zien alles, zijn Woord kan alles.

Zie het echter niet als een bedreiging. God wil maar een ding: dat we steeds meer op Zijn Zoon Jezus Christus gaan lijken. Het gaat om geestelijke groei, om groeien in heiligheid. Zolang we op aarde zijn, gaat het proces van groeien door.

Het oordeel van de Here Jezus over de daden van de gelovige

De gelovige leeft niet vrijblijvend. Christen zijn is geen vrijblijvende zaak. We zijn gekocht en betaald.

Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam! (Telos)(1 Korinte 6:20)

Merk op dat Paulus hier spreekt over het lichaam. Dat lichaam is belangrijk. Het is niet een hinderlijk, lastig bijverschijnsel, zoals velen leerden en leren. We zijn lichamelijke wezens, en zullen dat in Gods toekomst ook zijn.

20 (…) de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten,

21 die het lichaam van onze vernedering zal veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid (…) (Telos)(Filippi 3:20-21)

Zoals de gemeente het huis van God is, zo ook het lichaam van de gelovige. Gods Heilige Geest is in ons, God woont in ons, en daarmee wordt ons lichaam Gods Huis. En ook voor dit huis geldt dat ‘de heiligheid is uw huis tot sieraad’ (Psalm 93:5)

Of weet u niet, dat uw lichaam de tempel is van de Heilige Geest die in u is, die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent? (Telos)(1 Korinte 6:19)

God is overal. Het is goed daar voortdurend weet van te hebben.

Want voor de ogen des Heren liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen. (Spreuken 5:21)

God ziet alles. God registreert alles. En op de dag dat we voor de rechterstoel van Christus zullen verschijnen, zullen veel zaken openbaar worden.

4 (…) Hij die mij beoordeelt, is de Heer.

5 Oordeelt daarom niets voor de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God. (1 Korinte 4:4-5)

Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is gedaan, naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad. (2 Korinte 5:10)

Paulus noemt:

– dat wat in de duisternis verborgen is (dat is: alles wat voor de Heer is gedaan zonder dat een ander mens er weet van had)

– de raadslagen van het hart (dat is: de reden waarom we ons voor de Heer hebben ingezet)

– dat wat in het lichaam is gedaan: onze daden

Dat het hier om het openbaar worden van positieve zaken gaat, blijkt wel uit het feit dat Paulus spreekt over ‘lof die ieder zal ontvangen van God’. Zouden negatieve zaken openbaar worden, dan kan er onmogelijk van lof gesproken worden.

Toch moeten we ook hier bedenken dat God alles ziet, dus ook die zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Immers – zoals hierboven al genoemd – ons lichaam is een tempel van God: we horen dus niets te doen of te denken dat strijdt met God heiligheid. Streef naar een open en intieme verhouding met God. De wetenschap dat God alles ziet, kan ons helpen ons beter te beheersen.

Petrus schrijft ook over deze dingen, hij legt de nadruk op de onpartijdigheid van Gods oordeel en roept op tot een wandel in vrees. Vrees in de zin van godvrezendheid, diepe eerbied voor God – niet angst voor God.

 En als u als Vader Hem aanroept die zonder aanzien des persoons oordeelt naar het werk van ieder, wandelt dan in vrees de tijd van uw bijwoning, (1 Petrus 1:17)

Ten slotte nog dit. Het lijkt er op dat we uitsluitend lof krijgen, dus dat alleen onze goede daden gewogen worden. Maar dat is te simpel gedacht. Paulus schrijft namelijk ook over daden, die kwaad waren.

Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is gedaan, naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad. (2 Korinte 5:10)

Dit kan niet betekenen dat we gestraft worden voor ‘kwade daden’. Dat zou betekenen dat sommige zonden alsnog geoordeeld gaan worden. En dat kan niet, want Christus droeg al onze zonden op het kruis. Een andere uitspraak van Paulus geeft ons meer duidelijkheid. In 1 Korinte 3 spreekt Paulus over gelovigen als medearbeiders van God, die meebouwen aan het Huis van God. Waar God uitsluitend volmaakt materiaal gebruikt, is dat bij de bouwactiviteiten van gelovigen lang niet altijd het geval. Maar volmaakt of niet volmaakt, ieders werk zal beoordeeld worden. Het is een grondig oordeel, want het gebeurt met behulp van vuur. Verbrandt het, dan was het niet goed. Blijft het staan dan is het wel goed. Maar let nu op wat Paulus zegt over degenen die hun werk zien verbranden.

als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, maar zo als door vuur heen. (Telos)(1 Korinte 3:15)

Hij zal schade lijden. Wat betekent dat? Straf? Nee, nogmaals, dat is onmogelijk. Het doet eerder denken aan een winst- en verliesrekening. Heeft de gelovige goede daden gedaan, dan zal hij lof ontvangen, heeft hij slechte daden verricht, dan lijdt hij schade. De slechte daden worden in mindering gebracht op de goede. Het kan er dus op uitdraaien dat wat de lof betreft, hij met lege handen komt te staan. Maar – Paulus haast zich als het ware dit punt te benadrukken – hijzelf zal behouden zijn!

Gods ogen en de menselijke samenleving

Psalm 11 is een korte, maar zeer opmerkelijke Psalm van David.

3 Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardige doen?

4 De Here woont in zijn heilig paleis, de Here heeft in de hemel zijn troon; zijn ogen slaan gade, zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen. (Psalm 11:3-4)

God heeft Zijn wetten en inzettingen gegeven. Niet alleen aan Israël, maar aan de gehele mensheid. Deze wetten en inzettingen vormen het fundament onder de samenleving. Als de mens luistert naar God en diens wil uitvoert, leidt dat tot een welvarende en geordende gemeenschap. Maar de mens doet dat niet. De wetten en inzettingen van God worden als knellend of zelfs betuttelend weggezet. Ze zijn achterhaald, als ze al ooit gegolden hebben. Hoe vaak horen we niet de suggestie dat we tegenwoordig ‘meer weten’? Het gevolg is dat de grondslagen, de fundamenten scheuren. En als het fundament niet meer in orde is, stort uiteindelijk het gebouw, de samenleving in.

Nu zijn er gelukkig nog vele gelovigen die zien wat er gebeurt. Ze zien het echter met lede ogen aan, want wat kun je doen? Het lijkt vechten tegen de bierkaai. We staan machteloos.

En inderdaad, wij kunnen niets doen. Of toch, een ding. Omhoog kijken naar God. Hij woont in zijn heilig paleis. Hij heeft in de hemel zijn troon. Hij ziet alles wat er gebeurt. En ook al wankelen hele samenlevingen, het hemelse paleis en de hemelse troon wankelen niet. Anders gezegd, het loopt de Here niet uit de hand. Het hemelse paleis toont ons dat God regeert, ook al heeft het er alle schijn van dat dit niet het geval is. Zijn hemelse troon belooft ons dat er eens recht zal worden gedaan. De troon is de zetel van de Rechter. Hij ziet alles en als de tijd van het oordeel daar is, zal Hij rechtspreken zonder ook maar het kleinste detail over het hoofd te zien.

Het vernielen van de grondslagen is nog steeds gaande. Langzaam maar zeker zien we dat de wereldproblemen te groot worden. We koersen op een algehele catastrofe af. Het loslaten van Gods geboden begint meer en meer zijn tol te eisen. Ooit gaf God de mens de verantwoordelijkheid voor de gehele schepping.

Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. (Genesis 1:28)

We zijn nu zo ver dat alle alarmbellen beginnen te rinkelen. We hebben de schepping dusdanig aangetast dat delen van de aarde onbewoonbaar dreigen te worden, planten en dieren op grote schaal uitsterven, de vervuiling mens en dier op steeds grotere schaal fataal wordt. We zijn niet ver meer verwijderd van de dag dat satans antichrist zich zal melden. Hij zal pretenderen alle oplossingen paraat te hebben. De mensheid trapt er massaal in, want de oplossingen zullen ‘naar de mens’ zijn. Niet terug naar Gods getuigenissen, maar verder op de ingeslagen koers. Jeremia profeteerde al in zijn tijd dat de mens niet wenste terug te keren, niet wenste te gehoorzamen.

Zo zegt de Here: Gaat staan aan de wegen, en ziet en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust vindt voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij willen die niet gaan. (Jeremia 6:16)

De goede weg leidt langs Golgotha naar ‘de stad die de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is’ (Hebreeën 11:10). Die fundamenten zullen niet wankelen, niet scheuren, niet vernield worden. Wat kan de rechtvaardige doen? Wandelen met God zoals Henoch dat eens deed in de verwachting dat ook de gelovige zal meemaken wat eens Henoch ervoer.

En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen. (Genesis 5:24)

We gaan op weg naar het hemelse Jeruzalem, langs de weg van de opname!

15 Want dit zeggen wij u door het woord van de Heer, dat wij, levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen voorgaan.

16 Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;

17 daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer zijn.

18 Vertroost daarom elkaar met deze woorden.(Telos)(1 Thessalonica 4:15-18)

Waarschuwing:

De Bijbelse gegevens over Gods alziende ogen hebben geen enkele relatie met de afbeeldingen van het alziend oog die we bij de vrijmetselarij, op het Amerikaanse 1 dollarbiljet en binnen de alchemie zien. Het zijn allemaal afgeleiden van een Egyptisch symbool, het oog van Horus. Dit oog duikt ook op in diverse occulte genootschappen. Er worden ook verbanden gelegd met de zogenaamde Illuminati. Helaas zien we ook in kerken het symbool afgebeeld. Zo is er op het plafond van de middentoren in de Sint-Janskathedraal te Den Bosch een schildering aangebracht van het alziend oog. Helaas inderdaad!