Israëls ontrouw

Er zijn meerdere oorzaken voor het lijden van het volk Israël. In dit artikel wil ik de nadruk leggen op een oorzaak die niet zo vaak gehoord wordt en die niet direct te maken heeft met antisemitisme.

In Leviticus 26 en Deuteronomium 28 wordt gesproken over zegen (als Israël God getrouw dient) en vloek (als Israël afvallig is). In Leviticus 26 vinden we na het gedeelte over de zegen, de passages over de vloek (Leviticus 26:14-39). De vloek wordt verdeeld in een aantal fasen.

  1. Ziekte, honger en nederlaag (vers 16 en 17);
  2. Droogte en misoogst (vers 18-20);
  3. Gevaarlijke dieren (vers 21 en 22);
  4. Oorlog, pest en honger (vers 23-26);
  5. Ballingschap (vers 27-39).

Gelukkig wordt de ommekeer ook beschreven (vers 40-45). Meestal wordt aangenomen dat deze zegen- en vloekprofetieën zijn vervuld in de tijd van het Oude Testament. Denk maar aan het boek Richteren, de wegvoering van het Tienstammenrijk en de Babylonische ballingschap van het Tweestammenrijk.

Laten we nu eens kijken naar Deuteronomium 28. Op het eerste gezicht lijkt dat min of meer een herhaling te geven van Leviticus 26. Maar dat is niet het geval. Hoewel er uiteraard overeenkomsten zijn (het gaat tenslotte om hetzelfde onderwerp) is er ook een duidelijk verschil.

Lees de begintekst:

Indien gij dan aandachtig luistert naar de stem van de Here, uw God, en al zijn geboden, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zal de Here, uw God, u verheffen boven alle volken der aarde. (Deuteronomium 28:1)

Hierna volgen alle zegeningen. Lees ze eens! Je krijgt meteen een beeld van het Duizendjarig Rijk, wanneer al die zegeningen uiteindelijk Israël toch ten deel zullen vallen.

Maar er is helaas ook een andere kant, waarvan de beschrijving begint in vers 15.

Maar indien gij niet luistert naar de stem van de Here, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen: (Deuteronomium 28:15)

Lees nu de verzen 62 tot en met 67.

62 Met weinigen zult gij overblijven, terwijl gij talrijk geweest zijt als de sterren des hemels, omdat gij niet geluisterd hebt naar de stem van de Here, uw God.

63 Zoals de Here er behagen in had om u wel te doen en u talrijk te maken, zo zal de Here er behagen in hebben om u te gronde te richten en te verdelgen; en gij zult weggerukt worden uit het land, dat gij in bezit gaat nemen.

64 De Here zal u verstrooien onder alle natiën van het ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen.

65 Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool; de Here zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel.

66 Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren; des nachts en des daags zult gij opschrikken en van uw leven niet zeker zijn.

67 Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen. Vanwege de vrees, die uw hart vervult, en vanwege het schouwspel, dat uw ogen zien. (Deuteronomium 28:62-67)

Laten we samenvatten:

– Israël wordt verstrooid onder alle natiën en weggevoerd van het ene einde der aarde tot het andere (Deuteronomium 28:64). Dat is pas na de komst van de Here Jezus gebeurd. En inderdaad, in nagenoeg elk land op deze aarde hebben zich Joden gevestigd.

– Ze zullen geen rust kennen in die vreemde landen (Deuteronomium 28:65). Hoe vaak zijn ze wel niet verjaagd van het ene land naar het andere?

– Ze zullen altijd met angst en beven tussen de andere volken verkeren, ze zullen geen rust krijgen. Ze zullen vol heimwee zijn (Deuteronomium 28:65). Heimwee! Elk jaar met Pascha is er hun bede: ‘Volgend jaar in Jeruzalem!’

– Hun leven zal voortdurend in gevaar zijn (Deuteronomium 28:66). We hoeven alleen maar aan de Tweede Wereldoorlog te denken, om te beseffen hoezeer dat waar is gebleken.

– Het is het beeld van de voortdurende vluchteling, nooit zeker van zijn leven, altijd maar weer opgejaagd (Deuteronomium 28:67).

Waarom is dit alles Israël overkomen? Hierom: ze hebben ‘niet aandachtig geluisterd naar de stem van de Here, hun God, en al zijn geboden, die Hij hen oplegde, naarstig onderhouden’. (Deuteronomium 28:1).

Nu we dit allemaal zo lezen, moet je concluderen dat de oorzaak niet ligt in het antisemitisme, maar in het falen van Israël waardoor het oordeel van God over hen kwam. Het gaat hier dus om een zaak tussen God en Israël waar de wereld buiten staat.

De uitvoering van Gods oordelen door heidense volken

Er is echter meer. God maakt voor het uitvoeren van zijn oordelen over Israël gebruik van de ‘diensten’ van heidense volken. Echter, al in het Oude Testament lezen we dat God die andere volken met betrekking tot Israel een ernstig verwijt maakt.

14 Vervolgens zeide tot mij de engel die met mij sprak: Predik: zo zegt de Here der heerscharen: Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand,

15 Maar Ik ben zeer toornig op de overmoedige volken, die, terwijl Ik maar een weinig vertoornd was, meehielpen ten kwade. (Zacharia 1:14-15)

De volken hebben maar al te graag meegeholpen en er het liefst nog een schepje bovenop gedaan. Waarom? Omdat het Gods volk was. Dat was altijd al bekend. God neemt dat zeer hoog op.

Alles aangaande de oordelen beschreven in Deuteronomium 28 vat God in Zacharia 1 samen met de woorden ‘terwijl Ik maar een weinig vertoornd was’. Maar de volken die gretig meehielpen Israël te vernietigen krijgen te horen dat God ‘zeer toornig is op de overmoedige volken’. Ze hebben Gods maat ver overschreden en zich met graagte op Israël gestort.

Is er al iets zichtbaar geworden van Gods toorn op de volken? Ja, in zijn algemeen laat de geschiedenis zien dat volken die de Joden goed behandelden gezegend werden, en volken die de Joden slecht behandelden het zonder Gods zegen moesten stellen.

Gods oordeel over de volken

Het eindoordeel over de volken komt echter dichter- en dichterbij. We lezen Mattheüs 25. Wanneer vindt dit plaats? Na de Grote Verdrukking, maar voor het Duizendjarig Rijk:

31 Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid.

32 En al de volken zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken,

33 en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. (Mattheus 25:31-33)

Volgens welk criterium spreekt Christus het oordeel uit?

En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit (goede) aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan. (Mattheüs 25:40)

Christus verbindt Zich hier dus aan Israël zoals Hij dat eerder ook deed met de Gemeente. (Denk aan Handelingen 9:4 ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?’) Het vervolgen van de Gemeente is het vervolgen van haar Heer. Zo is het vervolgen van de Joden gelijk aan het vervolgen van hun Koning.

Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit (goede) aan een van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan. (Mattheüs 25:45)

En Nederland?

Laten we bidden dat het de Joodse Nederlanders niet onmogelijk gemaakt wordt in ons land te blijven wonen – vanwege de antisemitische uitingen vooral in Amsterdam, de helaas noodzakelijke bescherming van scholen en synagogen, allerlei beperkende maatregelen zoals een dreigend verbod op rituele slacht en besnijdenis.

Laten we bidden dat Nederland zich achter Israël blijft opstellen, al valt te vrezen dat dit al lang niet meer het geval is.